← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:8357

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8704435 \ CV EXPL 20-3884 Vonnis van de kantonrechter van 28 oktober 2020 in de zaak van: de stichting STICHTING WONEN LIMBURG, gevestigd te Roermond, eisende partij, gemachtigde P.M.F. Otten, tegen: [gedaagde] , wonende [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het verzoek om uitstel van gedaagde partij. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  3. Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. 2.
  4. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.
  5. De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet. 2.
  6. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’). 2.
  7. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden. 2.
  8. Eisende partij vordert - samengevat -:
  9. de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van gedaagde partij het gehuurde te verlaten en te ontruimen,
  10. gedaagde partij te veroordelen om aan eisende partij betalen: - de verschuldigde som ad € 2.218,98, te vermeerderen met rente, - als huur c.q. gebruiksvergoeding een bedrag ad € 630,42 per maand vanaf 1 september 2020 tot de ontruiming, - de kosten van het geding. 2.
  11. Eisende partij stelt dat gedaagde partij de woonruimte, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , tegen een huurprijs van € 630,42 per maand steeds bij vooruitbetaling te voldoen van haar huurt. 2.
  12. Gedaagde partij heeft tot en met augustus 2020 een achterstand van € 4.333,39 laten ontstaan in haar huurbetalingsverplichting jegens eisende partij. Voorts stelt eisende partij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 675,59 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Naar aanleiding van de aanmaningen heeft eisende partij een bedrag van € 2.790,00 in mindering ontvangen. 2.
  13. De achterstand vormt een tekortkoming die de onmiddellijke ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van gedaagde partij tot ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt met dien verstande dat er een redelijke ontruimingstermijn van twee weken gehanteerd zal moeten worden. 2.
  14. De vordering tot betaling van huur c.q. gebruiksvergoeding voor iedere maand die vanaf 1 september 2020 is ingegaan tot de datum van ontruiming en evenals de gevorderde wettelijke rente staan als niet weersproken tussen partijen vast en behoren als onvoldoende betwist te worden toegewezen. 2.
  15. Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De door eisende partij verzonden aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen, nu daarin een lager bedrag is genoemd dan het bedrag waarop het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten in dit geval recht geeft. Door deze afwijking is de gedaagde partij echter niet in haar belangen geschaad. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden daarom slechts toegewezen tot het in de aanmaning genoemde bedrag groot € 397,97 inclusief btw. 2.
  16. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 102,96 griffierecht € 499,00 salaris gemachtigde € 180,00 ( 1 x tarief € 180,00) totaal € 781,96 3De beslissing De kantonrechter 3.
  17. ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [woonplaats] , aan de [adres] , 3.
  18. veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, 3.
  19. veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 1.941,36, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.
  20. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 630,42 voor elke ingegane maand met ingang van 1 september 2020 tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd, 3.
  21. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 781,96, 3.
  22. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  23. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.