RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/721019-18 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum verdachte] , gedetineerd in P.I. Vught, te Vught. De verdachte wordt bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof en mr. J.T. Brassé, advocaten kantoorhoudende te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 28 en 29 september 2020 en van 5, 7, 8, 12 en 16 oktober 2020. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en gebruik gemaakt van het spreekrecht, bijgestaan door hun advocaat mr. W. van Egmond. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 20 november 2020, waarna de rechtbank uitspraak heeft gedaan. 2De tenlastelegging De -eerder gewijzigde- tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en bevat 4 feiten. De verdenking houdt -kort samengevat- het volgende in: De verdachte heeft in de periode van 10 tot en met 11 augustus 1998 [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Deze levensberoving werd voorafgegaan door of ging gepaard met seksueel misbruik van [slachtoffer] . Het oogmerk van de levensberoving was het gemakkelijk maken van dat misbruik en/of het voorkomen van bestraffing (feit 1 en 2). De verdachte heeft [slachtoffer] daarbij ook van zijn vrijheid beroofd (feit 3). De tenlastelegging bevat tevens minder ernstige, subsidiaire varianten van deze feiten. Tot slot luidt de verdenking dat de verdachte een gewoonte maakte van het hebben van kinderporno (feit 4). 3De voorvragen Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, dient zij een aantal voorvragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld of de rechtbank bevoegd is van de feiten kennis te nemen en of het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in de strafvervolging. De verdediging heeft in dat kader betoogd dat de verdachte niet kan worden vervolgd voor het verwijt van het bezit van kinderporno. Dit zou namelijk in strijd zijn met het specialiteitsbeginsel, dat van toepassing is als een verdachte persoon aan Nederland is overgeleverd uit een ander EU-land op basis van een Europees aanhoudingsbevel (hierna aangeduid met: EAB). De verdachte is op 6 september 2018 door Spanje aan Nederland overgeleverd op basis van een EAB. Het bezit van kinderporno werd niet op het EAB vermeld, noch op de toestemmingsbeslissing van de Spaanse rechter. Toepassing van het specialiteitsbeginsel brengt volgens de verdediging dan mee dat de vervolging beperkt moet blijven tot de feiten die wél zijn betrokken bij de overleveringsbeslissing, dat wil zeggen: de feiten die betrekking hebben op [slachtoffer] . De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt. Het specialiteitsbeginsel is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, 2002/584/JBZ, hierna aangeduid met: het kaderbesluit. Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een overgeleverde persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid wordt beroofd, wegens een ander vóór de overlevering begaan feit, dan het feit dat reden was hem over te leveren. Ook als de verdenking voor het feit pas na de overlevering is ontstaan, zoals hier het geval is voor het bezit van kinderporno. Dit is pas anders als de verdachte er zelf mee instemt of een andere, in het kaderbesluit genoemde uitzondering van toepassing is. De verdachte heeft niet ingestemd met de vervolging voor het bezit van kinderporno en heeft bij de Spaanse rechter geen afstand gedaan van het recht een beroep te doen op het specialiteitsbeginsel. Het bezit van kinderporno staat niet vermeld in het EAB of in de aanvulling daarop. De toestemming voor de overlevering van de Spaanse rechter is dan ook niet gebaseerd op de verdenking van het bezit van kinderporno: de verdachte is alleen overgeleverd ter zake van de feiten 1 tot en met 3, de misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen [slachtoffer] zijn begaan. Daaruit volgt in deze zaak echter niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 4. Er is een uitzondering van toepassing en op die grond verwerpt de rechtbank het verweer. Het specialiteitsbeginsel wordt namelijk doorbroken als alsnog toestemming wordt verkregen van de rechterlijke autoriteit in Spanje (lid 3, onder g, van artikel 27 van het kaderbesluit). Deze nadere toestemming is gevraagd aan de Spaanse rechter, maar die toestemming is nog niet ontvangen door de rechtbank. Een vervolging is dan toch toegestaan als die niet leidt tot een beperking van de persoonlijke vrijheid van de verdachte (lid 3, onder c, van artikel 27 van het kaderbesluit). In de onderhavige zaak is de verdachte echter gedetineerd. De voorlopige hechtenis is door de rechtbank immers bevolen voor alle feiten, inclusief feit 4. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat de vervolging die tot nu toe heeft plaatsgevonden in strijd met het specialiteitbeginsel op geen enkele manier nog gerepareerd kan worden met een toestemming achteraf. Die stelling berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste interpretatie van het kaderbesluit. Dit volgt uit de overwegingen 75 en 76 van het arrest van 1 december 2008 het Europese Hof van Justitie inzake Leymann en Pustovarov. Het zwaartepunt van de voorlopige hechtenis ligt namelijk bij de feiten 1 tot en met 3, de ernstige misdrijven die volgens de tenlastelegging tegen [slachtoffer] zijn begaan. Overeenkomstig voornoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie mag in dat geval de verdachte, in afwachting van de nadere toestemming, ook in voorlopige hechtenis worden gehouden voor feit 4 en voor dat feit worden vervolgd en berecht, omdat de vrijheidsbeperking gerechtvaardigd is door de ernst van de verwijten op basis waarvan de Spaanse rechter al eerder heeft toegestemd met de overlevering. De vervolging van de verdachte voor feit 4 kan dan ook worden voortgezet in afwachting van de toestemming van de Spaanse rechter. Oordeel over de voorvragen Er is geen formele belemmering gebleken die maakt dat de rechtbank deze strafzaak niet inhoudelijk kan beoordelen. De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging voor alle ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. De rechtbank heeft ambtshalve nog onderzocht in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van verjaring. Dit probleem doet zich mogelijk voor ten aanzien van feit 3, voor zover het tot een bewezenverklaring zou komen van alleen vrijheidsberoving of onttrekking aan het gezag, zonder de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheden. Voor zover verjaring aan de orde was, is die verjaring echter gestuit door daden van vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie achten alle feiten bewezen. De verdachte heeft zich volgens de officieren van justitie jegens [slachtoffer] schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag, seksueel misbruik en vrijheidsberoving. Ook heeft de verdachte een gewoonte gemaakt van het bezitten van kinderporno. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit van de feiten 1 tot en met 3. Volgens de verdediging kan niet bewezen worden dat er überhaupt misdrijven jegens [slachtoffer] zijn gepleegd, laat staan dat de verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Ten aanzien van feit 4, het bezit van kinderporno, heeft de verdediging geen bewijsstandpunt ingenomen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] en woonachtig in [woonplaats 1] , ging op zaterdag 8 augustus 1998 op kamp. Het vakantiekamp werd georganiseerd door [naam stichting] en werd gehouden op het recreatieterrein [naam recreatieterrein] op de Brunssumerheide te Brunssum. Op maandagmorgen 10 augustus 1998 bleek dat [slachtoffer] verdwenen was van het kamp. [slachtoffer] was die ochtend vroeg omstreeks 5.30 uur voor het laatst gezien in zijn tent door een tentgenootje. Het tentgenootje viel weer in slaap en toen hij om 5.55 uur wakker werd, was [slachtoffer] weg. Nadat gedurende de maandag en dinsdag vergeefs was gezocht naar [slachtoffer] , werd hij op dinsdagavond 11 augustus 1998 omstreeks 20.50 uur dood aangetroffen op de Brunssumerheide, in een met afrastering en prikkeldraad omheind perceel met dennen, gelegen nabij de Schinvelderweg in de gemeente Landgraaf, hemelsbreed 950 meter van het kamp. Direct na het aantreffen van het levenloze lichaam van [slachtoffer] heeft de politie een onderzoek ingesteld. De officieren van justitie hebben op grond van de resultaten van het onderzoek aan de verdachte vier strafbare feiten ten laste gelegd. Drie van die vier feiten zien op de zaak van [slachtoffer] . De rechtbank zal zich over die drie ten laste gelegde feiten eerst uitlaten. Kort gezegd gaat het dan om de vragen: Is [slachtoffer] seksueel misbruikt door de verdachte? Is [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd door de verdachte? Is de verdachte verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] ? Vraag 1: Is [slachtoffer] seksueel misbruikt door de verdachte? De resultaten van het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] De pathologen die sectie op het lichaam hebben verricht konden geen doodsoorzaak aanwijzen. Wel hebben zij twee letsels gezien, die voor hen een aanwijzing opleverden voor een seksuele handeling. Het betrof twee oppervlakkige slijmvliesbeschadigingen met kleine bloedinkjes in de anaalring, die volgens de pathologen niet postmortaal kunnen zijn ontstaan en wijzen op anale penetratie. Latere onderzoeken door medisch deskundigen Ten aanzien van de letsels is later nader gerapporteerd door andere deskundigen die geprobeerd hebben antwoord te geven op de vraag hoe de letsels geïnterpreteerd moeten worden. Geen van deze deskundigen heeft de letsels met eigen ogen kunnen zien; zij moesten het doen met foto’s die gemaakt waren bij de sectie en hebben dus met enige terughoudendheid en genuanceerd gerapporteerd. Dat betekent nog niet dat hun bevindingen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Het gaat om de rapportages van de deskundigen Bilo, Karst, Van de Voorde en Green. Deze deskundigen zien op de foto’s donkere verkleuringen of schaafwonden op de door de pathologen aangeduide plaatsen. Een aantal deskundigen ziet donkere verkleuringen of schaafwonden op één plek, Green op beide plekken. Deskundige Bilo duidt de letsels aan als afwijkingen. De aard van de afwijkingen kan met behulp van de foto’s niet worden vastgesteld. Hij concludeert, dat als de beschrijving van de pathologen van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden zijn ontstaan, de kans groot is dat ze kórt voor het overlijden zijn ontstaan, omdat letsels in de anogenitaal streek doorgaans snel genezen. De letsels zijn dan vermoedelijk het gevolg van het feit dat een groot voorwerp de anusring is gepasseerd. Dat voorwerp kan van binnen naar buiten zijn gegaan (harde ontlasting) of van buiten naar binnen (bijvoorbeeld een penis in erectie of een ander “glad” voorwerp) - (rapport 4 april 2001). Bilo heeft in zijn rapportage van 2019 en ter terechtzitting naast de mogelijkheid van harde ontlasting en penetratie door een voorwerp nog een derde mogelijke manier van ontstaan van het letsel genoemd, namelijk krassen of krabben. Gevraagd of er sprake was van een gewijzigd inzicht ten opzichte van zijn conclusies uit 2001, antwoordde Bilo echter in zijn aanvullende rapportage van 2020 dat van een gewijzigd inzicht geen sprake was. Nu geen van de overige deskundigen het “krassen of krabben” benoemt als mogelijke oorzaak voor het geconstateerde letsel, laat de rechtbank die mogelijkheid buiten beschouwing. Dat de verklaring van Bilo ter terechtzitting zo moet worden uitgelegd dat er in het geheel geen seksueel misbruik kan zijn geweest, zoals de verdediging heeft betoogd, is door de verdediging verkeerd begrepen. De deskundige Van de Voorde heeft de conclusies van Bilo uit 2001 onderschreven, zij het dat hij niet spreekt over een “groot voorwerp”, maar over “een voorwerp” dat de anusring gepasseerd kan zijn (rapport 14 juli 2016). Deskundige Green concludeert dat de schaafwonden en bloeduitstorting die hij ziet zeker geen postmortaal verschijnsel zijn. Hij meent dat sprake is van een of andere vorm van anale penetratie kort voor overlijden (rapport 2 februari 2001). Hij acht seksueel misbruik zeer waarschijnlijk, hoewel hij niet met zekerheid kan zeggen dat anaal misbruik in deze zaak “onomstotelijk” kan worden vastgesteld (rapport 3 oktober 2017). Onder het voorbehoud dat de donkere verkleuring, die hij op de foto’s waarneemt, zich niet in, maar buiten de bloedvaten bevindt, een onderscheid dat door hem niet goed te maken is op basis van het beschikbare fotomateriaal, komt Karst tot de bevinding dat de bloeduitstorting een gevolg kan zijn van stomp botsend en/of samendrukkend geweld op of tegen de huid, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij de passage van ontlasting of bij penetratie met of door een voorwerp (rapport 9 februari 2015). Eerste tussenconclusie De rechtbank neemt aan dat de letsels feitelijk hebben bestaan en dat ze zijn ontstaan voordat [slachtoffer] stierf: twee ervaren pathologen van het NFI hebben de letsels in detail met eigen ogen gezien en beschreven en niet gebleken is dat aan hun waarnemingen moet worden getwijfeld of dat het hen aan deskundigheid ontbrak. Voornoemde deskundigen hebben, kort samengevat, bevestigd dat er sprake kan zijn geweest van seksueel misbruik in de vorm van een penetratie van de anus van [slachtoffer] met een voorwerp. Daarbij kan ook gedacht worden aan een penis of een vinger. Dat bewijst op zichzelf genomen nog niet dat deze vorm van misbruik ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden bij [slachtoffer] , maar de letsels zijn er wel een duidelijke aanwijzing voor. Taak van de rechter: betrek de feiten en omstandigheden De bevindingen van forensisch deskundigen staan op zichzelf en worden door hen gedaan los van de specifieke omstandigheden van een zaak: een deskundige blijft bij zijn leest, beperkt zich in eerste instantie tot zijn onderzoeksvraag en betrekt niet ongevraagd de specifieke context van de zaak bij zijn onderzoek. Dat is ook niet de primaire taak van een deskundige. De wet rekent dit nu juist wel tot de taak van de strafrechter. De rechtbank moet ook de feiten en omstandigheden uit het dossier en wat ter zitting is besproken betrekken bij het waarderen van de bevindingen van de deskundigen. Wat zijn dan die feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van het letsel van [slachtoffer] ? Bij het aantreffen van [slachtoffer] droeg hij alleen een onderbroek en een pyjamabroek. Zowel de onderbroek als de pyjamabroek zaten binnenstebuiten en achterstevoren. De rechtbank komt, net als de officieren van justitie, tot de conclusie dat de kleding van [slachtoffer] uit is geweest en vervolgens weer is aangetrokken, maar dan binnenstebuiten en achterstevoren. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] zelf die kleren zó verkeerd heeft aangetrokken en daarmee enige tijd heeft gelopen, ook gelet op de verklaring van zijn moeder dat zoiets niet bij [slachtoffer] paste en dat [slachtoffer] dat ook zou merken. [slachtoffer] lag bij aantreffen midden in het omheinde dennenperceel op een afstand van ongeveer 150 tot 200 meter vanaf de Schinvelderweg en op een afstand van 40 meter van het parallel aan het dennenperceel lopende bospad. Het lichaam was moeilijk zichtbaar. Het lid van de zoekploeg dat [slachtoffer] heeft gevonden, zag pas iets, naar later bleek het lichaam van [slachtoffer] , toen hij voor de afrastering stond van het dennenperceel, op een afstand van 4,1 meter van het lichaam. [slachtoffer] lag dus op een verdekte plek. Hij lag op zijn rug en zijn hoofd lag met de rechterzijde nagenoeg op de grond. De beide benen waren vrijwel geheel gestrekt, waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant kort naast elkaar. De linkerarm lag geheel gestrekt in het verlengde van zijn linkerschouder. De rechterarm lag naast het lichaam waarbij zijn rechterhand en rechterpols onder zijn zitvlak lagen. Volgens de bewegingsdeskundige is deze houding waarschijnlijk het gevolg van het feit dat [slachtoffer] daar is neergelegd. Tweede tussenconclusie Deze omstandigheden, te weten de kleding die binnenstebuiten en achterstevoren op het lichaam van [slachtoffer] wordt aangetroffen en geheel uit is geweest en het feit dat [slachtoffer] waarschijnlijk is neergelegd op een verdekte plek, maken een onschuldige verklaring (zoals ontlasting) voor de letsels aan de anusring al minder waarschijnlijk. Maar er is meer: de resultaten van het sporenonderzoek. Sporenonderzoek In de periode vanaf 11 augustus 1998 tot en met 6 mei 2020 heeft uitgebreid forensisch onderzoek aan lichaam en kleding (onderbroek en pyamabroek) van [slachtoffer] plaats gevonden. Er zijn diverse sporen aangetroffen die door het NFI werden gematcht (in verschillende gradaties van waarschijnlijkheid) aan een persoon in het dossier aangeduid als ‘NN2’. Het ging hierbij om de volgende sporen. Bij DNA-onderzoek in de genoemde periode werden 21 biologische contactsporen aangetroffen, waarvan 20 op de onderbroek en één op de pyjamabroek. Deze sporen werden gematcht aan NN2. De matchkans varieerde per spoor van: ‘NN2 kan niet worden uitgesloten’ tot meer dan 10 miljard keer waarschijnlijker. Bij DNA-onderzoek in 2015 werden verder een haar op de onderbroek en een haar en een haardeel op de pyjamabroek aangetroffen waarvan het mtDNA-profiel matchte met het mtDNA-profiel van NN2, wat betekent dat die haren en dat haardeel van NN2 konden zijn óf van een persoon in moederlijke lijn verwant aan NN2. In 2017 kwam daar nog bij dat er ook 2 huidschilfers van de borst van [slachtoffer] en een huidschilfer vanaf de pyjamabroek werden gematcht aan NN2. Hoe moeten deze resultaten geduid worden? Zijn het dadersporen? De biologische contactsporen van NN2 werden door het NFI aangetroffen op de binnen- en buitenzijde van de onderbroek, voornamelijk op of rond de tailleband (binnen en buitenzijde) en het voorpand (binnenzijde, het kruis) van de onderbroek. Dit zijn plaatsen waarvan volgens het NFI verwacht mag worden dat bij contact met een slachtoffer celmateriaal kan worden overgedragen door een belager. Het feit dat het DNA-profiel van één en dezelfde persoon op verschillende locaties op de kleding is aangetroffen kan volgens het NFI wijzen op een intensief contact tussen deze persoon en de kleding van het slachtoffer. Volgens deskundige Kloosterman van het NFI is dit sporenbeeld waarschijnlijker bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig oppervlakkig contact. Deze conclusie is in 2020 nogmaals herhaald door de deskundige Kokshoorn. Derde tussentijdse conclusie De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. Het sporenbeeld past bij een langdurig en/of intensief contact tussen de donor van het materiaal NN2 en [slachtoffer] . Het past niet bij een onschuldig oppervlakkig contact tussen NN2 en [slachtoffer] . De plaatsen waar de sporen zijn aangetroffen, duiden op gerichte handelingen met een seksueel motief. Gelet op de aangetroffen sporen ter hoogte van het kruis aan de binnenzijde van de onderbroek, kan het niet anders zijn dan dat NN2 met de hand in de onderbroek is geweest bij de schaamstreek. De rechtbank heeft reeds geconcludeerd dat de kleren van [slachtoffer] op enig moment geheel zijn uit geweest. De aangetroffen DNA-sporen op of rond de tailleband (binnen- en buitenkant) van de onderbroek van [slachtoffer] passen bij het aan en/of uittrekken van die onderbroek door NN2. Wanneer dit sporenbeeld in samenhang bezien wordt met de letsels aan de anusring, die wijzen op penetratie, dan komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] niet alleen is betast, maar ook is gepenetreerd. Door NN2. Slotconclusie In 2018 is ‘NN2’ geïdentificeerd als de verdachte. Hij is dus de dader van het seksueel misbruik. Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt en de rechtbank zal dat bewezen verklaren bij feit 2 (primair). Er is sprake van ontuchtige handelingen in de vorm van het betasten van het geslachtsdeel en de schaamstreek, maar ook van seksueel binnendringen. De stelling van de verdediging dat er geen bewijs is voor seksuele handelingen, omdat er geen sporen daarvan zijn gevonden op het lichaam, en meer in het bijzonder het ontbreken van sporen daarvan in de schaamstreek en aan het geslachtsdeel van [slachtoffer] , volgt de rechtbank niet. Het niet aantreffen van sporen, zoals spermasporen, op het lichaam of aan het geslachtsdeel van [slachtoffer] , zegt niets. Seksuele handelingen hoeven volgens de deskundigen namelijk niet per se sporen achter te laten op het lichaam. Vraag 2: Is [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd door verdachte? Voor de rechtbank is er geen aanwijzing dat [slachtoffer] het seksueel misbruik vrijwillig heeft ondergaan. [slachtoffer] en de verdachte kenden elkaar niet, zoals ook de verdachte heeft verklaard, en [slachtoffer] was angstig van aard volgens zijn ouders, kampleiders en vriendjes. Er moet dus dwang of enig fysiek geweld zijn gebruikt door de verdachte om [slachtoffer] te dwingen het seksueel misbruik te ondergaan. Het ontbreken van sporen van fysiek geweld op [slachtoffer] ’s lichaam betekent niet dat er dús geen fysiek geweld heeft plaatsgevonden. Niet alle vormen van fysiek geweld hoeven sporen achter te laten. Het handelen van de verdachte brengt mee dat [slachtoffer] gedurende in elk geval de duur van het seksueel misbruik van zijn vrijheid beroofd is geweest, zoals ten laste is gelegd onder feit 3 (primair). Wanneer die vrijheidsberoving begonnen is, kan de rechtbank niet nader reconstrueren en moet in het midden blijven, omdat aanknopingspunten daarover in het dossier ontbreken. Dat [slachtoffer] enige tijd, namelijk in ieder geval gedurende de tijd dat het seksuele misbruik heeft plaatsgevonden, van zijn vrijheid is beroofd en tegen diens vrije wil in verdachtes macht en/of onder zijn (fysieke) controle is gehouden, staat echter wel vast. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder feit 3 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Vraag 3: Is de verdachte ook verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] ? Over blijft de vraag of de verdachte ook verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] . Zoals hiervoor al aangegeven, hebben de pathologen bij de sectie geen doodsoorzaak kunnen vaststellen. Evident is echter dat [slachtoffer] is overleden en dat er dus een doodsoorzaak moet zijn. Een doodsoorzaak kan natuurlijk of onnatuurlijk zijn. Dat er bij [slachtoffer] sprake is geweest van een natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld door onderkoeling of uitdroging, wordt door de medisch deskundigen onwaarschijnlijk geacht. Medisch gezien is er volgens hen geen enkele aanwijzing voor een natuurlijke doodsoorzaak. Als de rechtbank daarbij nog de overige feiten en omstandigheden uit het dossier betrekt, namelijk het feit dat [slachtoffer] kort voor zijn dood seksueel is misbruikt en vervolgens levenloos wordt aangetroffen op een verdekte plek, onttrokken aan het zicht, in een houding waarin hij waarschijnlijk is neergelegd, dan kan naar het oordeel van de rechtbank maar één conclusie volgen, namelijk dat er sprake is geweest van een niet-natuurlijk overlijden in het kader van een misdrijf. Deskundigen hebben onderbouwd welke doodsoorzaken over blijven na uitsluiting van relevante mogelijkheden. Als meest waarschijnlijke oorzaken die geen sporen hoeven na te laten blijven dan over: subtiele smoring en asfyxie (verstikking). Met andere woorden: [slachtoffer] moet dus de adem zijn ontnomen en door zuurstoftekort is hij komen te overlijden. De verdediging heeft een aantal mogelijkheden opgeworpen die tot de conclusie zouden moeten leiden dat niet vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] door zuurstoftekort om het leven is gekomen, maar voor een deel van die mogelijkheden is geen enkele serieuze aanwijzing verkregen. Opgeworpen oorzaken als een schorpioenensteek of slangenbeet behoeven geen bespreking, omdat die onwaarschijnlijk zijn, nog daargelaten dat bij sectie daarvoor aan het lichaam geen aanwijzingen zijn gevonden. Ook een zonnesteek wordt door de deskundigen niet als mogelijke doodsoorzaak benoemd. Andere door de verdediging genoemde mogelijkheden, zoals uitdroging of een niet ontdekte medische afwijking bij [slachtoffer] , zijn door deskundigen nagelopen en beredeneerd afgevallen. De rechtbank gaat er dus vanuit dat [slachtoffer] de adem is benomen en door zuurstoftekort is komen te overlijden. De officieren van justitie zijn uitgegaan van een opzettelijke vorm van het belemmeren van de ademhaling. Dat opzet zou per definitie gegeven zijn met het seksuele motief van de verdachte. Met andere woorden: er is, in de ogen van het Openbaar Ministerie, geen ander motief denkbaar voor de dood dan het verhullen van het seksueel misbruik. Maar is dat wel zo? En volgt dat motief wel uit de wettige bewijsmiddelen? En welke handelingen hebben dan plaatsgevonden? De deskundigen spreken zich bij gebrek aan informatie niet uit over de vraag welke specifieke handelingen hebben plaatsgevonden. Op basis van het medisch onderzoek alleen kunnen zij niet vaststellen hoe de belemmering van de ademhaling feitelijk plaatsvond, hoe lang die geduurd heeft, wat de (fysieke) reactie van [slachtoffer] is geweest en of er mogelijk een wisselwerking is geweest tussen het gedrag van de verdachte en dat van [slachtoffer] . Zijn er nog andere feiten en omstandigheden die voor de rechtbank van belang zijn? De rechtbank betrekt bij de beantwoording van de vraag welke specifieke handelingen hebben plaatsgevonden de zaken uit 1984 en 1985 waarin sprake was van seksueel misbruik, net als in deze zaak. In 1984 en 1985 heeft de verdachte in een buitengebied voor hem onbekende jongens in de leeftijd van [slachtoffer] seksueel misbruikt. Hij heeft die jongens onverhoeds gedwongen tot het ondergaan van seksueel misbruik en daarbij het gebruik van geweld niet geschuwd om de jongens onder controle te krijgen en de houden. De rechtbank bezigt deze zaken als bewijs, omdat de zaken vergelijkbaar zijn en het iets zegt over de wijze waarop de verdachte jongens benaderde en in bedwang hield voor seksueel misbruik. De jongens hebben samengevat het volgende ervaren: plotseling van achteren vastpakken en een hand voor de mond houden; stevig vasthouden en heel stevig een hand voor de mond houden; zeggen dat ze rustig moesten blijven en mee moesten komen naar een schuur; voorover duwen waardoor de slachtoffers op de buik op de grond kwamen te liggen; op de jongens gaan liggen en de hand voor de mond blijven houden, hen strak blijven vasthouden; bij herhaling vragen of ze het begrepen hadden en dat ze mee moesten komen; zeggen dat verdachte hun plasser wilde zien en dat hij bij hen in de broek wilde gaan; stevig vasthouden bij de arm en met de hand in de broek gaan en betasten van geslachtsdelen; een slachtoffer dat tegenstribbelde blijven vasthouden en van achteren het geslachtsdeel aanraken en vasthebben. In het geval van [slachtoffer] zijn de handelingen die voor de rechtbank relevant zijn: de hand stevig voor de mond houden en het op de grond drukken en houden (bijvoorbeeld door op hem te gaan liggen). Dit hoeft geen sporen na te laten en past bij de door de rechtbank aangenomen doodsoorzaak. Dit type handelingen is naar algemene ervaringsregels niet meteen dodelijk te noemen: het brengt niet per definitie opzet op de dood mee, ook niet in voorwaardelijke zin. Andere vormen van geweld zoals vastpakken en tegenhouden evenmin. De verdachte kan [slachtoffer] hebben willen doden, maar het overlijden kan evengoed het ongewilde of onbedoelde gevolg zijn geweest van het onder fysieke controle brengen en houden van [slachtoffer] . En dat gedurende het seksueel misbruik waarbij de verdachte de hand voor de mond van [slachtoffer] heeft gehouden en/of op hem heeft gelegen, waardoor kracht op de borst van [slachtoffer] is uitgeoefend en waarbij de verdachte zich niet bewust is geweest van wat hij aanrichtte. Alleen een seksueel motief levert daarom zelfstandig onvoldoende bewijs op voor opzet op de dood aan de zijde van de verdachte. Dat is te kort door de bocht naar strafrechtelijke maatstaven. Er moet meer zijn om te kunnen komen tot het oordeel dat de verdachte uit is geweest op de dood van [slachtoffer] , dat hij daar opzet op had. De ondergrens van opzet in strafrechtelijke zin wordt gevormd door het zogeheten voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake als een verdachte bij zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen een bepaald gevolg, in deze zaak dus de dood van [slachtoffer] , kan intreden. Of er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans kan echter niet (meer) vastgesteld worden, net zo min als de aanvaarding daarvan door de verdachte. Dat alles betekent dat de rechtbank de verdachte bij gebrek aan bewijs zal vrijspreken van het verwijt van doodslag, feit 1, omdat opzet op de dood niet bewezen kan worden. Daarmee komt de rechtbank ook niet meer toe aan de vraag of de doodslag is gepleegd met het oogmerk om het seksueel misbruik voor te bereiden, gemakkelijk te maken of om bestraffing te ontlopen. Deze vrijspraak wil niet zeggen dat de verdachte in het licht van de tenlastelegging geen verwijt kan worden gemaakt van de dood van [slachtoffer] . Zonder het handelen van de verdachte had [slachtoffer] op dinsdag 11 augustus 1998 om 20.50 uur nog geleefd. Volgens deskundigen heeft het seksueel misbruik kort voor de dood van [slachtoffer] plaats gehad. Nu er geen enkele reden is om aan te nemen dat iemand anders verantwoordelijk gehouden kan worden voor de dood van [slachtoffer] , houdt de rechtbank het ervoor dat de dood van [slachtoffer] is ingetreden bij het seksueel misbruik en de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De fysieke handelingen die de rechtbank bij die feiten bewezen zal achten, te weten het houden van een hand voor de mond en het op de grond gedrukt houden van [slachtoffer] , zijn naar ervaringsregels ook geschikt om de dood teweeg te brengen. Het handelen van de verdachte heeft dus tot de dood van [slachtoffer] geleid. Dit gevolg, gewild of ongewild, bedoeld of onbedoeld, kan strafrechtelijk worden toegerekend aan de verdachte, waarbij een mate van onzekerheid over de precieze toedracht acceptabel is en niet aan dit toerekenen in de weg staat. Het gevolg hoeft voor de verdachte ook niet per se voorzienbaar te zijn geweest. De rechtbank zal de verdachte veroordelen voor seksueel misbruik en voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft gehad. Deze feiten hebben zich in Nederland afgespeeld, op de Brunssumerheide die gelegen is in meerdere gemeenten. Het is onaannemelijk dat de verdachte met [slachtoffer] weg is geweest van de Brunssummerheide om vervolgens, op het moment dat zoekploegen massaal op zoek zijn naar [slachtoffer] , terug te gaan naar de Brunssummerheide om zijn lichaam daar in het dennenperceel neer te leggen. Hiermee zijn de drie vragen in de zaak van [slachtoffer] beantwoord. Leiden de verklaring van de verdachte en de overige verweren van de verdediging tot andere conclusies? De verklaring van de verdachte en overige verweren van de verdediging Uit het voorgaande volgt al dat de rechtbank de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, niet gelooft. Met de verklaring die de verdachte heeft gegeven over de manier waarop zijn biologisch materiaal op [slachtoffer] en op diens kleding is beland, kan de rechtbank niets. De verdachte verklaart dat hij [slachtoffer] levenloos met ontbloot bovenlijf en met zijn rode pyjamabroek aan heeft aangetroffen. De verdachte verklaart dat [slachtoffer] deels op zijn buik lag en dat hij hem naar zijn rug heeft gedraaid. Hij heeft toen de ademhaling van [slachtoffer] bij zijn mond gecontroleerd, ook met zijn wang. Hij verklaart verder zijn oor op de borst van [slachtoffer] te hebben gelegd om de hartslag van [slachtoffer] te beluisteren. Hij heeft vervolgens bij [slachtoffer] gezeten en heeft de kleding van [slachtoffer] ‘gefatsoeneerd’ en ‘een beetje rechtgetrokken’. Hij heeft de pyjamabroek waarschijnlijk rechtgetrokken en schoongemaakt; een beetje blaadjes weggeveegd, aldus de verdachte. Op vervolgvragen op dit punt heeft de verdachte niet willen antwoorden. Fatsoeneren, een beetje rechttrekken en wat blaadjes weg vegen van de pyjamabroek kunnen niet geleid hebben tot het aantreffen van DNA op 20 plaatsen op de binnen- en buitenzijde van de onderbroek. De verklaring van de verdachte geeft, eenvoudig gezegd, geen uitleg voor het aangetroffen sporenbeeld. De verdediging heeft in dit verband nog gewezen op andere manieren waarop het sporenbeeld zou kunnen zijn ontstaan, zoals secundaire overdracht van biologisch materiaal als gevolg van (opeenvolgend) onderzoek aan de kleding, waarbij niet gewerkt is naar huidige maatstaven. De rechtbank vindt een dergelijk scenario van secundaire overdracht niet aannemelijk. Het opwerpen van allerlei mogelijkheden schept niet automatisch zoveel onzekerheid dat vrijspraak zou moeten volgen. De rechtbank wijst erop dat in 2010 een review is gedaan door deskundige Kloosterman van het NFI. Daarin is geconcludeerd dat het onderzoek dat in 2006 en 2008 gedaan is en het DNA-sporenbeeld van de onderbroek opleverde, volgens moderne en geldige inzichten is verricht. Daarbij is ook onder ogen gezien dat er in 1998 volgens minder stringente richtlijnen gewerkt werd en dat er contaminatie is opgetreden, waarbij biologisch materiaal van NFI-medewerkers in de bemonsteringen is gekomen. Ook in andere rapporten is de mogelijkheid van contaminatie benoemd, maar dat leidt er niet toe dat het resultaat, het sporenbeeld op de onderbroek, niet betrouwbaar meer kan worden geacht. Een verspreiding van biologisch materiaal van de verdachte over de kledingstukken door het gebruik van microsporenfolie is evenmin aannemelijk. Het NFI maakt melding van onderzoek in 2009 naar de mogelijkheid van verspreiding van humane biologische sporen op textiel door het gebruik van microsporenfolie. Op basis van de resultaten van dat onderzoek is volgens het NFI de kans zeer klein dat door het gebruik van microsporenfolie zoveel DNA van de ene plek naar de nadere plek op de pyjama- en onderbroek is verplaatst dat daarvan bruikbare DNA-profielen worden verkregen. De rechtbank ziet niet in waarom naar huidige maatstaven anders over de betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek zou moeten worden gedacht. Het wijzen op wetenschappelijke publicaties waarin allerlei scenario’s van contaminatie en secundaire overdracht de revue passeren, levert onvoldoende onderbouwing op voor een concreet scenario van contaminatie of overdracht in deze zaak. Andere elementen die door de verdediging zijn aangevoerd missen feitelijke grondslag, zoals de stelling dat de pyjama- en onderbroek uit zijn geweest voordat het lichaam naar het (huidige) NFI werd overgebracht: de kleding is pas bij de sectie uitgegaan en veiliggesteld. Over de blote stelling van de verdediging dat DNA verplaatst zou kunnen zijn door vocht in de lijkzak, merkt de rechtbank op dat uit het dossier is gebleken dat het lijkvocht zich enkel bij het hoofd en niet bij de kleding van [slachtoffer] bevond. Bovendien is onaannemelijk dat het DNA van de verdachte zich (bijna) volledig verplaatst zou hebben van de pyjamabroek naar de onderbroek en daarbij vervolgens terecht zou zijn gekomen op die plekken waarvan het NFI zegt dat dit plaatsen zijn waar celmateriaal van een belager kan zijn overgedragen. Er is voor de rechtbank kortom geen aanleiding de opgeworpen (opeenstapeling van) slordigheden en alternatieve veroorzakers van het sporenbeeld over te nemen of in de vorm van concrete hypothesen nog voor te leggen aan het NFI. Er is voldoende bewijs waarvoor de verdachte geen verifieerbare, aannemelijke alternatieve verklaring biedt, zodat de conclusie blijft dat de verdachte [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt en dat dit gepaard is gegaan met geweld en vrijheidsberoving met fatale afloop. Is voldoende uitgesloten dat anderen betrokken zijn geweest bij wat [slachtoffer] overkomen is? De rechtbank heeft ook het verweer beoordeeld dat erop neerkomt dat meer gekeken moet worden naar mogelijke betrokkenheid van andere personen dan deze verdachte. Ook dat is niet meer nodig. Er is in al die jaren vergaand onderzoek gedaan naar personen die concreet als verdachte zijn aangemerkt en naar zogenoemde persons of interest. Maar ook bijvoorbeeld naar andere bij het onderzoek betrokken personen. Het gaat om zeer veel personen die tot in 2020 bij vergelijkend DNA-onderzoek zijn betrokken ter vergelijking met de aangetroffen DNA-profielen van de sporen ‘NN1, NN3, NN4 en NN5’. Er zijn geen DNA-matches met die personen gevonden in relatie tot de strafzaak van [slachtoffer] . Tussen sporen die zijn aangetroffen op een platgeslagen plek in een maisveld op ongeveer 120 meter afstand van de plek waar [slachtoffer] is gevonden en op een tissue in het [verbalisant 2] op enkele honderden meters afstand, leidend tot de DNA-profielen van onbekenden aangeduid met NN1 en onbekende vrouw A, is geen enkele relatie te leggen met wat er met [slachtoffer] gebeurd is. Van twee andere onbekend gebleven personen is DNA-materiaal aangetroffen op het lichaam en op de kleding van [slachtoffer] . Het gaat om twee huidschilfers, aangetroffen op de linkerarm van [slachtoffer] en op de pyjamabroek, afkomstig van NN4 en NN5. Een relatie tussen die plekken van aantreffen en seksueel misbruik valt niet te leggen. Bovendien is er zo weinig materiaal aangetroffen, dat een identificatie van die personen niet mogelijk is in de huidige stand van DNA-onderzoek. Hooguit kunnen anderen worden uitgesloten als donor. Als iemand niet uitgesloten is als donor, wil dat nog niet met zekerheid zeggen dat hij donor is. Van één van die sporen kan niet eens gezegd worden of het van een man of van een vrouw afkomstig is. Van onbekende NN3 is slechts één keer en op één plek op de onderbroek van [slachtoffer] DNA-materiaal aangetroffen. Dit biologische materiaal bevond zich evenmin op of nabij de voor seksueel misbruik kenmerkende plekken, zoals het kruis en de tailleband. Voor zover in de DNA-profielen nog kenmerken zijn gevonden die zouden kunnen duiden op weer andere onbekende donoren lijkt het er niet op dat dit om één persoon gaat. Tegenover dit geringe aantal sporen met onbekende donoren staan alle sporen die de verdachte heeft achtergelaten op de volgens het NFI voor een belager kenmerkende plekken en het overige bewijs. Dat maakt dat de rechtbank er niet aan twijfelt dat hij de persoon is die de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. De rechtbank heeft hiermee de bespreking van de vragen in de zaak van [slachtoffer] afgerond. Hetgeen resteert is een bespreking van het verwijt dat verdachte een gewoonte zou hebben gemaakt van het bezit van kinderporno. Feit 4 De rechtbank acht bewezen dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezitten van kinderporno. Volgens de verdachte gaat het slechts om ongewenste bijvangst bij het fotomateriaal dat hij verzamelde in het kader van zijn hobby fotografie, maar die verklaring wordt gelogenstraft door het bewijs. Aan de hand van bestanden van het virusprogramma op de computer die de verdachte in gebruik had, is gereconstrueerd hoe de verdachte regelmatig op internet zocht naar afbeeldingen en video’s, voornamelijk gericht op seks met jongens, met zoektermen die betrekking hadden op jongens, in leeftijd variërend van “very young boy” tot “video’s gay tiener jongens neuken 14, 15, 16 jaar”. De gebruikte zoektermen en de namen van bestanden en sites laten niets te raden over en de verdachte kan dan ook niet per ongeluk op kinderporno zijn gestuit. Dit zoeken naar en downloaden van bestanden met kinderporno speelde zich af tussen 28 april 2016 en 23 mei 2017, de dag waarop de verdachte gestopt is met het bezoeken van kinderpornosites. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte Feit 2 primair in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door met zijn verdachtes hand(
- en)de (blote) penis, en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] te betasten en met één of meer van zijn verdachtes vingers en/of diens penis althans met een voorwerp de anus van die [slachtoffer] te penetreren of binnen te dringen, Feit 3 primair in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden, zulks terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad Feit 4 in de periode van 28 april 2016 tot en met 22 mei 2017 in de gemeente [woonplaats 3] , een gegevensdrager, te weten een Packard Bell PC, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt een foto, nr. 1, met bestandsnaam: [bestandsnaam 1] en een foto, nr. 2, met bestandsnaam: [bestandsnaam 2] en een foto, nr. 5, met bestandsnaam: [bestandsnaam 3] en een foto, nr. 6, met bestandsnaam: [bestandsnaam 4] en een foto, nr. 9, met bestandsnaam: [bestandsnaam 5] en een foto, nr. 10, met bestandsnaam: [bestandsnaam 6] en een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] en het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt een foto, nr. 3, met bestandsnaam: [bestandsnaam 8] en een foto, nr. 4, met bestandsnaam: [bestandsnaam 9] en het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of op (in de uitsnede van) de foto's/film(
- s)nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht wordt en (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] en/of een foto, nr. 8, met bestandsnaam: [bestandsnaam 10] en spuiten van en/of het zichtbaar maken van een op sperma gelijkende substantie op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in een bijlage bij het vonnis (Bijlage II). 5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: Feit 2 primair met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam Feit 3 primair opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft Feit 4 een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 6De strafbaarheid van de verdachte De vraag die hier centraal staat, is of de bewezen verklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Elke dader kan in principe verantwoordelijk gehouden worden voor het door hem gepleegde strafbare feit. Dat is het uitgangspunt. Zijn er in dit geval nu redenen om van dat uitgangspunt af te wijken? Daarnaar heeft het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) onderzoek gedaan en vervolgens heeft het PBC op 31 mei 2019 een rapport uitgebracht. Volgens het PBC-rapport kan gesproken worden van een man die vanaf jonge leeftijd kampt met pedofiele gevoelens, waarvoor hij zelf een zekere angst koestert, wetend dat deze gevoelens sociaal onaanvaardbaar zijn. Hij voldoet aan de kenmerken voor pedofilie volgens de classificatie van DSM-5. Het rapport spreekt van een consistente seksuele oriëntatie op kinderen, met name jongens in de leeftijd van 10 tot 12 jaar. Voor andere stoornissen of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zijn geen aanwijzingen gevonden. Een advies over het toerekenen van de feiten, wanneer deze bewezen worden verklaard, heeft het PBC niet kunnen geven, omdat het onderzoek niet uitputtend is geweest door de weigering van de verdachte mee te werken aan het onderzoek. In het rapport, een schriftelijke aanvulling op het rapport en ter terechtzitting hebben de gedragsdeskundigen van het PBC uitgelegd dat de omstandigheid dat de verdachte lijdt aan de stoornis pedofilie wel een inhoudelijke rol speelt, maar niet automatisch betekent dat zijn keuzevrijheid beperkt is geweest ten tijde van de delicten, waaruit dan zou kunnen volgen dat de feiten hem niet (geheel) kunnen worden toegerekend. Pedofilie leidt namelijk niet zonder meer tot pedoseksuele delicten, zoals een heteroseksuele of homoseksuele geaardheid ook niet zonder meer tot seksuele delicten leidt. Andere factoren moeten dan onderzocht en beoordeeld kunnen worden, wat in deze zaak niet is gelukt. Dat de verdachte in de jaren ’80 en in 1998 tekort is geschoten in het onder controle houden van zijn seksuele impulsen, leidt bij de onderzoekers niet tot een andere conclusie. Het op statistiek gebaseerde algemene recidive-risico wordt door het PBC als matig ingeschat. Een uitspraak over het risico op herhaling door deze verdachte van een soortgelijk delict als ten laste is gelegd in deze zaak kunnen de onderzoekers niet doen. De verdachte heeft immers niet meegewerkt aan het onderzoek. Wel is het volgens de deskundigen van belang om de omstandigheid mee te wegen dat er een lange periode is geweest na 1998 waarin geen sprake lijkt te zijn geweest van nieuwe delicten. Uit de uitgebrachte rapportage en de toelichting daarop van de gedragsdeskundigen van het PBC is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de verdachte door de vastgestelde stoornis pedofilie zodanig in zijn keuzevrijheid is beperkt, dat de bewezenverklaarde feiten hem niet of in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte volgens de hoofdregel volledig verantwoordelijk is voor de bewezenverklaarde feiten. Uit het rapport van het PBC blijkt niet van contra-indicaties voor een volledige toerekening. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de officieren van justitie, dat de feiten de verdachte niet volledig kunnen worden toegerekend, niet volgt. De verdachte is volledig toerekeningsvatbaar. Andere strafuitsluitingsgronden? Ook voor het overige is niet gebleken dat er een reden is af te zien van de oplegging van een straf. 7De straf en/of de maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officieren van justitie hebben een gevangenisstraf geëist van 15 jaar, op grond van de delicten die zij bewezen achten. Daarnaast moet aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd met verpleging van overheidswege (TBS met dwangverpleging). Wanneer de rechtbank niet beslist tot het opleggen van die maatregel, moet de straf worden verhoogd tot 18 jaar. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de strafmaat, omdat zij van oordeel is dat de verdachte volledig moet worden vrijgesproken. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer] is voor altijd 11 jaar gebleven, omdat een volwassen man zich aan hem heeft vergrepen. [moeder slachtoffer] , zijn moeder, heeft het zo samengevat. [slachtoffer] , een jongen zoals zoveel anderen, uit een gelukkig en veilig gezin, die van het leven genoot en alleen kinderzorgen had, is in handen gekomen van de verdachte, die hem misbruikt heeft en levenloos heeft achtergelaten in een dennenperceel. Zijn zus, [zus slachtoffer] , heeft zich in haar slachtofferverklaring indringend afgevraagd hoe het [slachtoffer] is vergaan tijdens de laatste uren van zijn leven. Zou hij bang zijn geweest? Heeft hij om zijn ouders en zus geschreeuwd? Het is voor de rechtbank duidelijk dat de verdachte op deze vragen een antwoord kan geven. Na zijn arrestatie in Spanje op 26 augustus 2018 heeft de verdachte echter meer dan twee jaren lang gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Hij heeft gezwegen terwijl hij wel keer op keer minst genomen de suggestie heeft gewekt dat hij antwoorden zou kúnnen geven. Als de tijd rijp was, zou de verdachte eventueel willen verklaren; als alles volledig begrepen was. Hij had zelfs een verklaring op papier gezet, maar wil tot op heden geen openheid van zaken geven over de inhoud daarvan. Een verklaring hield hij al die tijd, naar eigen zeggen als: “een troefkaart” achter de hand. Dat moet voor de nabestaanden onverdraaglijk zijn geweest. De nabestaanden wachtten op het moment van aanhouding van de verdachte immers al 20 jaar op antwoord op de vraag wat er met [slachtoffer] is gebeurd in de laatste dagen en uren van zijn leven. Pas bij de inhoudelijke behandeling zei de verdachte dat hij ook vond dat de ouders recht hadden op antwoorden, terwijl hij al wist dat hij die antwoorden helemaal niet zou gaan geven. Dat is een wel heel bittere troefkaart om te spelen. Een verdachte mag aan zijn eigen belang denken, maar de kwetsende manier waarop deze verdachte dat heeft gedaan neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. Geen enkele straf kan opwegen tegen het verdriet dat de nabestaanden is aangedaan en dat door hen tijdens al die zittingen zo waardig is gedragen. Geen enkele straf geeft antwoord op hun vragen. Geen enkele straf brengt [slachtoffer] terug. Toch, en dat moge duidelijk zijn, zal een straf moeten volgen. Dit soort feiten kunnen en mogen niet onbestraft blijven. Maar wat moet die straf dan zijn? Hiervoor is al uiteengezet dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de, naar strafwaardigheid, zwaarste ten laste gelegde feiten. Niet bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer] met opzet heeft gedood met het oogmerk om zijn misbruik te verhullen. De strafeis van de officieren van justitie, 15 of 18 jaar gevangenisstraf, is echter vooral gebaseerd op een bewezenverklaring van dat verwijt. Alleen al vanwege de vrijspraak van die gekwalificeerde doodslag zal de rechtbank de officieren van justitie niet in die eis volgen. Aan de verdachte zal dus geen 15 of 18 jaren gevangenisstraf worden opgelegd. Maar hoeveel jaren dan wel? De rechtbank acht bewezen dat de verdachte [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt door hem te betasten en te penetreren. Hij heeft daarbij [slachtoffer] tegen zijn wil in zijn macht en onder fysieke controle gehouden en dat zodanig dat [slachtoffer] geen adem kon halen en door zuurstoftekort is overleden. De rechtbank heeft geen bewijs dat de verdachte uit is geweest op de dood van [slachtoffer] , maar het is wel een gevolg dat hem kan worden toegerekend. Een vreselijk gevolg dat alleen al de oplegging van een lange gevangenisstraf rechtvaardigt. Zeker, wanneer daarbij nog in aanmerking wordt genomen hoe het [slachtoffer] moet zijn vergaan. Hoe angstig hij moet zijn geweest, overgeleverd aan een voor hem onbekende die zich bovendien aan hem vergreep. De verdachte heeft met zijn handelen ook veel verdriet en leed bij anderen aangericht. Vanzelfsprekend bij de directe nabestaanden, vader, moeder en zus. Maar ook bij de familie, bij de vriendjes en klasgenootjes. Door het handelen van de verdachte is een dorp verdeeld geraakt, zijn banden verbroken en zijn gevoelens van onveiligheid bij ouders van jonge kinderen aangewakkerd. Van de verdachte weten we dat hij eerder in de jaren ‘80 met justitie in aanraking is gekomen voor zedenfeiten met jonge kinderen, maar deze feiten zijn door de officier van justitie niet aan de rechter voorgelegd. Ze zijn voorwaardelijk geseponeerd. De zaak [slachtoffer] is de eerste zedenzaak die aan de strafrechter wordt voorgelegd. In het onderzoek naar deze zaak is naar voren gekomen dat de verdachte in de jaren 2016 en 2017 op internet op zoek was naar foto’s en video’s van seks met jonge kinderen. De rechtbank zal hierna nog ingaan op de vraag welke straf voor dit feit passend is. Er is geen reden om de straf te matigen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, waarin een strafzaak in eerste aanleg in beginsel moet zijn afgerond. Bij een gedetineerde verdachte bedraagt die termijn 16 maanden. De aanhouding van de verdachte is op het moment dat de rechtbank vonnis wijst bijna 32 maanden geleden. De redelijke termijn is daarmee met 16 maanden overschreden. Dat is echter een aanvaardbare en verklaarbare overschrijding die niet tot strafvermindering leidt, gelet op de omvang van het dossier en het toewijzen van verzoeken/vorderingen van de kant van het openbaar ministerie en de verdediging, waaronder het houden van een schouw en het horen van getuigen en deskundigen bij de rechter-commissaris. Deze zaak is uniek. De rechtbank heeft geen vergelijkbare zaken kunnen vinden waarin een verdachte een jong kind seksueel heeft misbruikt en daarbij in bedwang heeft gehouden, met de dood van dat kind tot gevolg. Veel ernstige zedenzaken kenmerken zich, anders dan in deze zaak, door meerdere slachtoffers, door een lange duur van seksueel misbruik of door vormen van ernstig geweld. In deze zaak is niet te bewijzen dat de verdachte de dood van [slachtoffer] opzettelijk teweeg heeft gebracht. Het kan ook het ongewilde of onbedoelde gevolg zijn geweest van het in bedwang houden van [slachtoffer] bij het seksueel misbruik. De oriëntatiepunten die worden gebruikt in de strafrechtspraak in Nederland bieden ook geen aanknopingspunten voor de strafmaat van deze zaak. Dit betekent dat de rechtbank deze zaak moet beoordelen aan de hand van de ernst van de feiten, de omstandigheden zoals hiervoor genoemd en de opstelling van de verdachte in dit proces. Dit resulteert in oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren voor de feiten die hij ten aanzien van [slachtoffer] heeft gepleegd. De verdachte heeft daarnaast een gewoonte gemaakt van het bezit van kinderporno. Bij de vervaardiging van kinderporno worden kinderen seksueel misbruikt en geëxploiteerd. De verdachte is mede verantwoordelijk te houden voor dat misbruik omdat hij door de kinderporno te verzamelen heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS. Voor het gewoonte maken van het bezit van kinderporno wordt 12 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt vermeld. De rechtbank zal, gelet op het, afgezet tegen andere zaken, beperkte aantal afbeeldingen, aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 6 maanden. Kortom, aan de verdachte wordt voor alle bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf opgelegd van 12 jaren en 6 maanden. TBS? De officieren van justitie vorderen de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging. Zij vinden de verdachte een gevaar voor de veiligheid en gezondheid van personen en hij mag niet de vruchten plukken van zijn weigering mee te werken aan het gedragskundig onderzoek. Het gebrek aan informatie om het herhalingsgevaar goed in te kunnen schatten mag niet voor risico komen van de maatschappij. De maatschappij moet beschermd worden niet alleen door de strafoplegging, maar ook door TBS met dwangverpleging, aldus de officieren van justitie. De rechtbank volgt deze redenering niet. Aan de minimale voorwaarde voor het opleggen van de maatregel, de aanwezigheid van een stoornis, is voldaan. De vraag waar het om gaat is of bij deze verdachte sprake is van zo’n groot gevaar op herhaling, dat het uiterste middel van TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd. Het standpunt van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op algemene statistische informatie over het recidivegevaar bij misbruikplegers en op het zoekgedrag van de verdachte op internet naar kinderporno met jongens. De seksuele voorkeur en het kijken naar porno maken iemand echter niet per definitie delictgevaarlijk. De rechtbank verwijst hierbij nogmaals naar hetgeen de deskundigen van het PBC op de terechtzitting van 7 oktober 2020 hebben opgemerkt: namelijk dat pedofilie niet zonder meer leidt tot pedoseksuele delicten. Dit betekent niet dat de rechtbank denkt dat er geen enkele kans is op recidive. In geen enkele zaak valt te voorspellen wat het gedrag van een verdachte in de toekomst is. Wel is gebleken dat er geen signaal is verkregen dat de verdachte zich na 1998 op wat voor manier dan ook heeft opgedrongen aan jongens. Dit is opmerkelijk. Er hebben zich geen andere slachtoffers gemeld, ondanks de enorme media-aandacht van de afgelopen twee jaren en ondanks het feit dat de verdachte zich na 1998 nog geruime tijd heeft bewogen in het jeugd- en jongerenwerk. Evenmin zijn nieuwe matches gevonden met het DNA-profiel van de verdachte, dat sinds 2008 in de databank is opgenomen, waardoor ook andere Europese landen eventuele daders kunnen opsporen van in die landen gepleegde delicten. Er is – kort gezegd – in de afgelopen 20 jaren tot aan de aanhouding van de verdachte geen sprake geweest van (geregistreerde) recidive. TBS is een zeer ingrijpende maatregel en geldt als uiterste middel ter ondervanging van recidivegevaar. Het belang van veroordeelde moet worden meegewogen, ook als hij een zeer ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en onvoldoende inzicht heeft gegeven op het gebied van zijn impulscontrole. Afzien van opleggen van TBS mag geen beloning zijn voor niet meewerken, maar opleggen van TBS mag ook geen straf opleveren voor niet meewerken. Uiteindelijk ziet de rechtbank onvoldoende grond om uit te gaan van een mate van recidivegevaar die een zo vergaande maatregel rechtvaardigt. 8De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De nabestaanden van [slachtoffer] vorderen een schadevergoeding van € 4.631,43. Dit betreft de kosten van de uitvaart en grafrechten. Daarnaast wordt een vergoeding gevorderd van € 1.443,37 voor gemaakte reiskosten. Verder worden reiskosten gevorderd die nog niet zijn gemaakt voor het geval de zaak in hoger beroep zal worden behandeld, zij het dat de advocaat heeft aangevoerd dat de vordering op dat punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging is van mening dat de vordering gelet op het vrijspraakverweer moet worden afgewezen, maar heeft de vordering inhoudelijk niet betwist. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering toewijzen, maar zal een andere berekening maken van de reiskosten. Nu de rechtbank de feiten 2 en 3 bewezen acht en de vordering daar mede op is gebaseerd, kan de materiele schade bij gebrek aan betwisting worden toegewezen. De reiskosten zal de rechtbank uitsplitsen in kosten die als rechtstreekse materiele schade moeten worden aangemerkt en reiskosten die als proceskosten moeten worden beschouwd. Proceskosten kunnen rechtens niet door de staat worden geïnd in het kader van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en moeten apart vermeld worden. De rechtbank maakt een andere verdeling tussen reiskosten en proceskosten dan de advocaat van de nabestaanden: alleen de reiskosten die gemaakt zijn om de schouw en de behandelingen van de zaak bij de rechtbank in Maastricht bij te wonen zijn proceskosten. Daarnaast heeft de rechtbank een rekenfout hersteld (6870 km x € 0,235 = € 1.614,45 in plaats de in de vordering genoemde € 1.164,45). De rechtbank berekent die proceskosten op basis van 16 zittingsdagen waarop de nabestaanden aanwezig zijn geweest en de schouw. Dat levert een totaal aantal gereden kilometers op van 2510 kilometer, wat een kostenpost oplevert van € 589,85 (€ 0,235 per kilometer). De overige gemaakte reiskosten, in totaal € 2.467,97, merkt de rechtbank als rechtstreekse materiële schade aan. De kosten die gevorderd zijn, maar nog in te toekomst liggen, zal de rechtbank niet toewijzen. Het gaat dan om een bedrag van € 450,--. De benadeelde partij wordt op dit punt, conform haar verzoek, niet-ontvankelijk verklaard. Het totale schadebedrag dat door de verdachte moet worden vergoed is € 5.934,95. De rechtbank acht deze schade het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde onder de feiten 2 en 3 en de verdachte is aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, opdat de staat de vordering kan innen wanneer de verdachte die niet uit zichzelf betaalt. Ook moet het te vergoeden bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 589,85. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 57, 240b, 244 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10De voorlopige hechtenis De verdediging heeft, gelet op haar bewijsstandpunt verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Omdat de rechtbank de verdachte een lange vrijheidsstraf oplegt, wijst zij dat verzoek af. 11De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 12 jaren en 6 maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest en overleveringsdetentie is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] en [vader slachtoffer] (nabestaanden van [slachtoffer] ), wonende te [woonplaats 2] , toe ter zake van het bewezen verklaarde onder feit 2 en feit 3 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen € 5.934,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2019 tot aan de dag van volledige voldoening; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 589,85; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde onder feit 2 en feit 3 van € 5.934,95,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 64 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 september 2019 tot aan de dag van volledige voldoening; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen; De voorlopige hechtenis - wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 november 2020. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat 1. hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die [slachtoffer] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten het plegen van een of meer ontuchtige handelingen, met voornoemde [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), die al dan niet mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van diens lichaam en/of het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven en/of het onttrekken aan het wettig gezag van die [slachtoffer] en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door verstikking door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/of smorend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam van die [slachtoffer] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2. hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ) die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(
- en)heeft gepleegd, die bestond(
- en)uit of mede bestond(
- en)uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door met zijn verdachtes hand(
- en)de (blote) penis en/of anus althans de schaamstreek en/of de billen van die [slachtoffer] te betasten en/of met één of meer zijn verdachtes vingers althans diens penis althans met een hard voorwerp de anus van die [slachtoffer] te penetreren of binnen te dringen, subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door met zijn verdachtes hand(
- en)de (blote) penis en/of anus althans schaamstreek en/of de billen van die [slachtoffer] te betasten, (Artikel 247 Wetboek van Strafrecht) (en verder zowel ten aanzien van feit 2 primair als feit 2 subsidiair, indien en voor zover de onder 1 ten laste gelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring) zulks terwijl voornoemd(
- e)onder feit 2 primair en subsidiair omschreven misdrijven/misdrijf de dood van die [slachtoffer] tot gevolg hebben/heeft gehad; (Artikel 248 lid 2 oud Wetboek van Strafrecht) 3. hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] (op enig moment) tegen diens vrije wil mee te nemen en/of weg te voeren naar een andere plek of plaats dan het tentenkamp op [naam recreatieterrein] en/of die [slachtoffer] gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden, (artikel 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht) (en verder voor zover de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet hebben geleid tot een bewezenverklaring en de onder feit 2 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid 'zulks terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad' evenmin bewezen is verklaard) zulks terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; (artikel 282 lid 3 Wetboek van Strafrecht) subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij in of omstreeks de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(
- n)Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, zulks terwijl deze [slachtoffer] beneden de twaalf jaren oud was; (artikel 279 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht) 4. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 1 juli 2018 in de gemeente [woonplaats 3] , in elk geval in Nederland en/of in Frankrijk, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en/of films en/of video's - en/of gegevensdragers (te weten een Packard Bell PC en/of een of meer (externe) harde schijven) , bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een penis oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met een voorwerp (te weten een dildo) anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (een foto, nr. 1, met bestandsnaam: [bestandsnaam 1] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 2, met bestandsnaam: [bestandsnaam 2] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 5, met bestandsnaam: [bestandsnaam 3] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 6, met bestandsnaam: [bestandsnaam 4] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 9, met bestandsnaam: [bestandsnaam 5] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 10, met bestandsnaam: [bestandsnaam 6] , p. 6 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] , p. 5 pv beschrijving kipo) en/of het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de/een vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (een foto, nr. 3, met bestandsnaam: [bestandsnaam 8] , p. 4 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 4, met bestandsnaam: [bestandsnaam 9] , p. 4 en 5 pv beschrijving kipo) en/of het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(
- s)nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] , p. 5 pv beschrijving kipo en/of een foto, nr. 8, met bestandsnaam: [bestandsnaam 10] , p. 6 pv beschrijving kipo) en/of spuiten van en/of zichtbaar maken van een op sperma gelijkende substantie op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (een foto, nr. 7, met bestandsnaam: [bestandsnaam 7] , p. 5 pv beschrijving kipo) en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. (art. 240b lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht) BIJLAGE II: de bewijsmiddelen De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De bewijsmiddelen bestaan uit in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en deskundigenrapportages en zijn -voor zover niet anders vermeld- opgenomen in het dossier, dat 30 mappen bevat, voorzien van een doornummering. Map 16 p. 5769 en 5770 Proces-verbaal relaas van onderzoek, proces-verbaal nr. 98069003-13, relaas van onderzoek inzake: vermissing persoon lijkvinding onnatuurlijke dood, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Ik, [verbalisant 1] , verklaar het volgende. Op dinsdag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, bevond ik mij op de Schinvelderweg gelegen in de Brunssummerheide in de gemeente Landgraaf. Verbalisant was samen met een groot aantal personen op zoek naar een vermiste 11-jarige jongen, genaamd [slachtoffer] . Er werd in linie gezocht vanaf de Recreatieweg te Brunssum in de richting van Nieuwenhagen, gemeente Landgraaf. Dit doorzochte gebied van de Brunssummerheide is gelegen in de gemeenten Brunssum en Landgraaf. Omstreeks 21.06 uur gaf [naam opperwachtmeester] , opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, werkzaam bij de brigade Heerlen mondeling door dat hij hem (doelende op [slachtoffer] ) vermoedelijk gevonden had. Ik zag dat [naam opperwachtmeester] bij een perceel sparren stond, dat omheind was middels een draadafrastering. Map 16 p. 5573 Het proces-verbaal met betrekking tot de aanherkenning slachtoffer [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 98069003, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op 13 augustus 1998 werd door ons, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , gehoord een persoon die opgaf te zijn: [oom slachtoffer] , oom van het slachtoffer. [oom slachtoffer] verklaarde dat hij op 11 augustus 1998 samen met politie en andere mensen aan het zoeken was naar [slachtoffer] , het kind van zijn broer. Omstreeks 21:00 uur vernam hij dat er iemand liggend in een perceeltje met kerstbomen was aangetroffen. [oom slachtoffer] ging vervolgens naar de vindplaats en zag dat zijn neefje [slachtoffer] , liggend op zijn rug, tussen de kerstbomen lag. [oom slachtoffer] verklaarde dat hij op dat moment onmiddellijk zijn neefje [slachtoffer] herkende. [oom slachtoffer] verklaarde dat hij zijn neefje herkende aan de kleding en dat hij zijn gezicht kon zien. Map 12, p. 4348 tot en met 4351 Het proces-verbaal Verhoor getuige, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op 1 februari 2001 werd door mij, [verbalisant 4] , gehoord: [getuige 1] . Getuige verklaarde: We kwamen uit bij een korenveld en vervolgens een aardappelveld en toen liep ik tegen de afrastering aan van het sparrebosje. Ter hoogte van die afrastering is ook halt geroepen door de commandant van de ploeg om opnieuw de linie te herstellen. Terwijl ik voor de afrastering stond, keek ik wat rond en ik zag iets liggen achter de omheining. Ik zei tegen [naam 1] dat ik wat zag liggen. Ik zei dat het wel een been kon zijn. Ik riep toen de commandant. Het proces-verbaal van het op 27 augustus 2019 achter gesloten deuren gehouden deel van de terechtzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in bovengenoemde rechtbank, niet opgenomen in de mappen/doornummering, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: p. 43 De afstand van de bosrand tot aan het kerstbomenperceel wordt door [naam 2] geschat op zo’n 30 meter. Het bospad dat parallel loopt aan de bosrand, ligt op zo’n 7 a 8 meter van de bosrand. De afstand vanaf het bospad tot aan de vindplaats van [slachtoffer] is dan zo’n 40 meter. p. 47 De voorzitter schat de afstand tussen het begin van het kerstbomenperceel (aan de Schinvelderweg) tot aan de vindplaats van [slachtoffer] op zo’n 150 tot 200 meter. Map 2 p. 13 tot en met 147 Het Stamproces-verbaal relaterende het sporenonderzoek naar aanleiding van de moord c.q. doodslag op [slachtoffer] , proces-verbaalnummer 98069003 TR-1, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op 11 augustus 1998, te 22.45 uur, heeft de GGD arts. [naam arts] de dood geconstateerd van het slachtoffer [slachtoffer] Map 2 p. 156 tot en met 159 Proces-verbaal sporenonderzoek op en rond de plaats waar het slachtoffer [slachtoffer] werd aangetroffen [PD1], inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: SPORENONDERZOEK PLAATS DELICT: Ligplaats slachtoffer: Het slachtoffer werd aangetroffen in het dennebosje. De ligplaats van het slachtoffer bevond zich in het dennebosje, op een afstand van ongeveer 25.2 meter gemeten vanaf de noordelijke zijde van het dennebosje en op een afstand van ongeveer 4.1 meter gemeten vanaf de draadafrastering aan de oostzijde van het dennebosje. Ligging slachtoffer: Het slachtoffer lag op zijn rug. Het hoofd lag met de rechterzijde nagenoeg op de grond kort naast de stam van een denneboom. De beide benen waren vrijwel geheel gestrekt, waarbij het rechterbeen tegen en deels op het linkerbeen lag. De beide voeten lagen op de linkerkant kort naast elkaar. Op die plaats was de begroeiing verschoven en was de aarde onder zijn hakken iets verschoven. De linkerarm lag geheel gestrekt in het verlengde van zijn linkerschouder. De rechterarm lag naast het lichaam waarbij zijn rechterhand en rechterpols onder zijn zitvlak lagen. Positie kleding en sporen in kleding: Het slachtoffer droeg uitsluitend een rode stoffen trainingsbroek. Onder deze trainingsbroek droeg hij een donkerblauwe onderbroek. Beide broeken waren binnenste buiten gekeerd. Het etiket in de onderbroek was duidelijk zichtbaar. Uitgaande van de positie waarin het slachtoffer lag, bevonden zich de achterzijden van de beide broeken aan de voorzijde. Bemonstering slachtoffer: microsporen borst [spoor S-09] Map 2 p. 171 Het proces-verbaal relaterende de inbeslagneming van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , de overbrenging hiervan naar een mortuarium, de vrijgave van het stoffelijk overschot, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op maandag 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, werd door ons, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in beslag genomen. Map 2 p. 176 Het proces-verbaal relaterende de gerechtelijke sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op woensdag 13 augustus 1998 heeft de patholoog-anatoom Dr. G. van Ingen, verbonden aan het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie, in aanwezigheid van mij, verbalisant [verbalisant 5] , in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] Voor aanvang van de sectie werden van het slachtoffer de navolgende sporen veiliggesteld: een rode trainingsbroek [spoor S-12] een donkerblauwe slip [spoor S-13] Map 2 p. 210 Het Proces-verbaal relaterende de sporenafhandeling, inzake de moord c.q. doodslag op [slachtoffer] , inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Wij, verbalisanten [verbalisant 6] , [verbalisant 5] , [verbalisant 7] , [verbalisant 8] , hebben tijdens de ingestelde onderzoeken sporen c.q. sporendragers aangetroffen. Die Stukken Van Overtuiging (SVO) hebben wij op de daartoe geëigende/vereiste wijze veiliggesteld. De SVO zijn verwerkt in een sporenoverzicht. Identiteitszegel ABR029 Identiteitszegel ABR034 Identiteitszegel ABR035 Een afschrift van dit proces-verbaal, met originele DNA-identiteitszegels, werd naar het Gerechtelijk Laboratorium verzonden. Map 4 p. 690 tot en met 695 Het Pro Justitia verslag d.d. 21 december 1998, opgemaakt door G. van Ingen, verbonden aan het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Op 13 augustus 1998 heeft ondergetekende, Gerrit van Ingen, arts en patholoog, als beëdigd deskundige, in samenwerking met A. Maes, de uit- en inwendige schouwing verricht van: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , dood aangetroffen op de Brunssumerheide te Brunssum op 11 augustus 1998. Op het lijk bevonden zich een rode pyjamabroek, binnenste buiten gekeerd, en een blauwe onderbroek, binnenste buiten en achterstevoren. De kleding werd aan de politie overhandigd. 35. Het beenderstel was gaaf; bij röntgendoorlichting werden geen fracturen gezien. Definitieve bevindingen: A1. Op 12 uur en op 6 uur in de anaalring oppervlakkige slijmvliesbeschadiging met kleine bloedinkjes. B. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de door konden verklaren. C. Toxicologisch onderzoek werd verricht. In de lijkdelen werden geen geneesmiddelen en/of drugs aangetoond. Bij sectie werden verspreid over het lichaam kleine huidbeschadigingen en bruine verkleuringen gevonden, waarvan een deel mogelijk postmortaal kan zijn ontstaan. Deze afwijkingen zijn waarschijnlijk voor het intreden van de dood niet van betekenis geweest. Er waren geen ziekelijke orgaanveranderingen aanwijsbaar die de dood zouden kunnen verklaren. Er werd behalve een zeer geringe hoeveelheid alcohol geen lichaamsvreemde stof in het lichaam aangetoond. Gezien het bovenstaande was bij het postmortale onderzoek geen doodsoorzaak aanwijsbaar. Mede gezien de postmortale verandering sluit dit bepaalde doodsoorzaken (b.v. belemmering van de ademhaling) echter niet uit. Er was voorts een extreem wijde anus met kleine beschadigingen en bloedingen in het anale slijmvlies. De anus kan postmortaal zijn verwijd; de slijmvliesbeschadigingen en bloedingen kunnen niet postmortaal zijn ontstaan: zij wijzen op anale penetratie. Map 4 p. 711 De brief d.d. 30 januari 2001 van G. van Ingen, verbonden aan het NFI, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Verstikking kan, maar hoeft niet postmortaal tekenen te geven. In een aantal gevallen zijn na verstikking, postmortaal, noch macroscopisch, noch microscopisch, tekenen van verstikking aanwijsbaar. Zuurstofnood kan in deze gevallen niet worden aangetoond. Dit was ook in het onderhavige geval van toepassing. Uit het bovenstaande volgt ook dat het niet vinden van tekenen van verstikking, verstikking niet uitsluit. Map 4 p. 764 tot en met 769 Het rapport d.d. 13 september 2001, opgemaakt door Dr. K.J. Lusthof en Drs. B.E. Smink, met onderwerp: Aanvullend toxicologisch en vergelijkend grondonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot te Brunssum op 11 augustus 1998, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Resultaten In de extracten van het bloed en de pyjamabroek van het slachtoffer [slachtoffer] werden geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van flunitrazepam, omzettingsproducten van flunitrazepam, oxazepam of temazepam. In het bloed van het slachtoffer [slachtoffer] werd geen aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van een schadelijke hoeveelheid koolmonoxide. Map 4 p. 773 tot en met 788 Het deskundigenrapport, zijnde het verslag d.d. 4 april 2001 van R.A.C. Bilo, vertrouwensarts, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Omdat iedere aanwijzing voor een overlijdensoorzaak ontbreekt in het rapport van de patholoog, kan er alleen op basis van uitsluiting van andere oorzaken een mogelijke oorzaak worden benoemd. Bruut geweld kan uitgesloten worden geacht. Vergiftiging lijkt uitgesloten, gezien het ontbreken van positieve resultaten bij toxicologische screening. Vecht- of vluchtreactie is onwaarschijnlijk, maar niet uitgesloten. Subtiel smoren kan niet uitgesloten worden. Ook lichamelijk lijden kan niet worden uitgesloten. Ook combinaties van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress lijdend tot een lichamelijke reactie bij een reeds bestaande lichamelijke aandoening, kan niet uitgesloten worden. Hierbij behoeft op zich de lichamelijke reactie niet tot overlijden aanleiding te geven. Het overlijden is het gevolg van het niet zoeken van medische hulp. De in de uitsnede met de witte pijlen aangewezen donkere verkleuring in de anale ring is vermoedelijk de door de patholoog aangegeven slijmvliesbeschadiging/bloeding op 6 uur. De aard van de lesie(
- s)kan met behulp van de foto’s niet worden vastgesteld. Indien er sprake is van afwijkingen die voor het overlijden zijn ontstaan, dan zijn deze afwijkingen het gevolg van het feit dat een ‘groot voorwerp’ de anusring is gepasseerd. De afwijkingen lijken oppervlakkig. Oppervlakkige afwijkingen in de anogenitaal streek herstellen in het algemeen snel. Soms zijn de (bij een levend kind) binnen 24 uur al weer verdwenen. Map 4 p. 834 tot en met 848 Het deskundigenrapport van het NFI d.d. 10 februari 2015, opgemaakt door Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en forensisch patholoog, forensisch kinderpatholoog, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Het overlijden kan op toxicologische gronden niet worden verklaard. Er zijn mogelijke doodsoorzaken die geen objectiveerbare letsels/verschijnselen hoeven achter te laten aan een lichaam en dus niet aantoonbaar zijn bij een sectie. Deze mogelijke doodsoorzaken kunnen niet worden uitgesloten in het onderhavige geval. Ze zijn als volgt: Verstikking door smoren (belemmeren van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfysie). Wel wordt opgemerkt dat de praktijk leert dat een kind van die leeftijd bij een normaal bewustzijn zich doorgaans niet laat smoren zonder daar weerstand tegen te bieden en daardoor letsels aan de mond/neus te ontwikkelen (tenzij er door bijvoorbeeld fixatie geen weerstand mogelijk was). Dit sluit smoren echter niet uit. Fatale hartritmestoornissen door een cardio-genetische afwijking. Deze aandoeningen hoeven niet gepaard te gaan met een pathologisch substraat en hoeven dus bij sectie niet te worden gediagnosticeerd. Bovendien is het met het aantonen van een cardio-genetische afwijking niet vanzelfsprekend dat een persoon daaraan is overleden. Er is op 7 februari 2001 een cardioloog geconsulteerd met betrekking tot het onderhavige geval om bij de ouders een hartfilmpje te vervaardigen om eventuele hartafwijkingen te diagnosticeren. Volgens de rapportage van deze cardioloog toonden de hartfilmpjes van de ouders van [slachtoffer] geen afwijkingen, met name geen afwijkingen voor een verlengd QT-interval. Aangezien er bij [slachtoffer] en zijn ouders geen medisch belaste voorgeschiedenis was ten aanzien van cardio-genetische afwijkingen (voor zover bekend) is het ondoenlijk om cardio-genetisch onderzoek in te zetten omdat men niet weet waar men naar op zoek moet gaan. Bovendien, ook al zou een gericht cardio-genetisch onderzoek afwijkingen opleveren, is het maar de vraag of iemand daaraan overleden is. Er zijn enkele ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie, astma) die kunnen leiden tot een kritieke toestand met plotse dood tot gevolg. Er wordt opgemerkt dat uit de informatie van het proces-verbaal blijkt dat er volgens de ouders geen bijzonderheden waren ten aanzien van de gezondheid van [slachtoffer] , welke van betekenis zouden kunnen zijn bij het intreden van de dood. Daardoor zijn deze mogelijkheden op ziekelijke gronden niet waarschijnlijk. Bij een recente herbeoordeling van het radiologisch onderzoek zijn geen grove radiologische afwijkingen aangetoond. Er zijn grofweg geen breuken aan het beenderstelsel aangetoond die een rol van betekenis kunnen hebben gespeeld bij het overlijden of een aanwijzing kunnen vormen voor gebruikt geweld. Dat betekent niet dat er geen geweld ingewerkt kan zijn op het lichaam. Uitdrogingsverschijnselen kunnen bij sectie waarneembaar zijn als ingezakte oogbollen, een verlaagde huidturgor. Deze (aspecifieke) verschijnselen zijn bij sectie niet gebleken. Ook bij bestudering van de sectiefoto’s worden deze (voor zover op foto’s kan worden beoordeeld) niet gezien. Mogelijk kan aanvullende informatie van de personen die [slachtoffer] de laatste dag of dagen voor vermissing hebben meegemaakt, ook relevante informatie geven omtrent de inname van vocht. Als hij gedronken heeft lijkt uitdroging zeer onwaarschijnlijk, mede gezien het ontbreken van bevindingen passend bij uitdroging. Map 4 p. 950 tot en met 984 Het deskundigenrapport d.d. 14 juli 2016, opgemaakt door Prof. Dr. med. W. Van de Voorde, arts-specialist in de pathologische anatomie en de gerechtelijke geneeskunde, buitengewoon hoogleraar gerechtelijke geneeskunde en criminalistiek aan de KULeuven, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Beantwoording vragen Op grond van de beschikbare medicolegale bevindingen is er geen doodsoorzaak aanwijsbaar. [slachtoffer] was slechts 11 jaar oud, zijn medische voorgeschiedenis was zonder bijzonderheden, er waren geen aanwijzingen voor genetische ziekten en er waren tevens geen voorafbestaande patholoog-anatomische afwijkingen met doodsoorzakelijke relevantie. Er zijn met name geen objectieve (morfologische) aanwijzingen voor een overlijden als gevolg van genetische hartproblemen, astmatisch lijden of epilepsie (zoals eerder genoemd als mogelijke doodsoorzaken). Ook zijn er geen objectieve aanwijzingen (of een plausibele hypothese) voor het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden. Gezien de omstandigheden (plotse verdwijning, vindplaats en ligging/houding lichaam, leeftijd) en de afwezigheid van enige aanwijzing voor een natuurlijke dood moet derhalve in de eerste plaats worden uitgegaan van een niet-natuurlijk overlijden. Hiertoe kunnen bijvoorbeeld een afsluiting van de ademhalingswegen (smoring) en/of belemmering van de ademhalingsbewegingen in aanmerking komen, hetgeen geen sporen (letsels) hoeft achter te laten. Ook dodelijke geweldpleging tegen de hals (wurging) hoeft niet noodzakelijkerwijs letsel tot gevolg te hebben. Geen aanwijzingen die kunnen duiden op een natuurlijk overlijden. Bij röntgenologische doorlichting van het skelet werden geen botbreuken gezien. Bovendien werden bij de inwendige lijkschouwing geen inwendige traumatische afwijkingen met doodsoorzakelijk relevantie vastgesteld. Er zijn derhalve geen objectieve aanwijzingen dat de verhaalde vechtpartij het overlijden heeft veroorzaakt of hieraan heeft bijgedragen. Bovendien werden bij de uitwendige lijkschouwingen geen kneuzingen opgemerkt in het gelaat. In casu zijn er geen aanwijzingen voor uitdroging als doodsoorzaak en lijkt dit tevens uitermate onwaarschijnlijk. De mogelijkheid dat betrokkene verdwaald is geweest is onwaarschijnlijk gezien de geringe grootte van het natuurgebied en de talrijke paden en wegen welke het natuurgebied doorkruisen. Bovendien werd betrokkene aangetroffen in een (nota bene omheind!) langwerpig perceel (dennenbosje) welke uitsluitend toegankelijk was via een open veld. Ook de tijdsduur tussen verdwijning en vermoedelijke tijdstip van overlijden (maximum een 24-tal uren) is te kort om, zelfs bij volledige onthouding van drank, tot een fatale uitdroging te kunnen leiden. Vraag 1.9. Kan onderkoeling een doodsoorzaak zijn geweest of kan dit hebben bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] ? Antwoord. Zeer onwaarschijnlijk. Blijkens de temperatuurgegevens van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (zoals gemeten in het weerstation Maastricht) bedroeg de laagst gemeten temperatuur in de nacht van 10 op 11 augustus 1998 17,9 °C (meting om 04:00 uur). Gedurende de rest van de nacht schommelde de temperatuur rond de 20 °C. Er zijn hoegenaamd geen aanwijzingen (uit de omstandigheden en medicolegale bevindingen) voor een ongeval of voor zelfdoding: de middelen daartoe ontbreken volledig. Ook zijn er geen objectieve medicolegale noch medische (blanco medische voorgeschiedenis, jonge leeftijd) aanwijzingen voor een natuurlijke dood. Op de fotodocumentatie van de uit- en inwendige lijkschouwing is een dilatatie zichtbaar van de anus. De genoemde slijmvliesbeschadiging van de anus op twaalf uur kan niet worden weerhouden. Op zes uur is een gering donker vlekje ter hoogte van de huid juist boven de linea dentata. Ondergetekende onderschrijft de conclusie van R. Bilo: “Indien de beschrijving van de patholoog van de afwijkingen in de anusring correct is, namelijk dat het slijmvliesbeschadigingen en bloedinkjes betreft die voor het overlijden ontstaan zijn, dan zijn deze vermoedelijk het gevolg van het feit dat een voorwerp de anus gepasseerd is. De kans is klein dat harde ontlasting bij een kind van deze leeftijd schade veroorzaakt (...). Letsels in de anogenitaal streek neigen tot snelle genezing. Dus indien het letsels zijn, zijn deze kort voor het overlijden ontstaan.” Derhalve kan anaal misbruik niet met zekerheid worden bevestigd noch worden uitgesloten. Volledigheidshalve dient hier nog te worden opgemerkt dat niet-traumatische penetratie tevens tot de mogelijkheden behoort. Zoals reeds betoogd zijn er behoudens de waarneming van de patholoog tijdens de uit- en inwendige lijkschouwing geen objectieve medicolegale aanwijzingen voor seksueel misbruik. Er dient terdege rekening te worden gehouden met de verscheidenheid aan mogelijke seksuele handelingen, zowel passief als actief. Buiten het ondergaan van al dan niet traumatische penetratie (anus, mond) zijn er ook andere seksuele handelingen zoals aanrakingen ondergaan of zelf als slachtoffer (onder dwang) uitvoeren bij de dader mogelijk zonder nalaten van sporen. Met andere woorden afwezigheid van zaadvocht en/of letsel (aan de erogene zones) sluit seksuele handelingen niet uit; niet alle seksuele handelingen zijn aantoonbaar of achterhaalbaar. Besluit Bij medicolegaal onderzoek kon geen aanwijsbare doodsoorzaak worden vastgesteld. Gezien de omstandigheden van aantreffen en de afwezigheid van enige aanwijzing voor een natuurlijke dood, ongeval of zelfdoding moet derhalve in de eerste plaats worden uitgegaan van een niet-natuurlijk overlijden (zoals een afsluiting van de ademhalingswegen) in de zin van doding door onbekend (niet nader bepaald) middel. Bij de uit- en inwendige lijkschouwing werden door de forensisch patholoog oppervlakkige slijmvliesbeschadigingen met kleine bloedingen vastgesteld ter hoogte van de anus. Het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris d.d. 6 juli 2020 van de deskundige W.M.A. van de Voorde, forensisch patholoog, niet opgenomen in mappen/doornummering, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Welke elementen heb ik meegenomen? Als je puur kijkt naar het overlijden van een 11 jarig kind, dan is dat een zeer zeldzaam feit. En als kinderen op die leeftijd overlijden dan is het meestal een natuurlijk overlijden door een gekende ziekte, meestal een kankerproces of een infectie. Er is hier geen ziekte vast te stellen, er is naar het medisch dossier gekeken, er is geen familiale geschiedenis, binnen de medische voorgeschiedenis van het kind is geen enkele aanwijzing te vinden dat het kind aan een of andere aandoening leed. Een belangrijk gegeven is dus dat er geen enkel argument is dat sprake is van natuurlijk overlijden. Voor een ongeval is geen enkel argument. Intoxicatie is uitgesloten. Evenals een accident, dat gaat altijd gepaard met een trauma. Er is geen doodsoorzakelijk relevant trauma. Bovendien is zelfdoding op de leeftijd van 11 jaar bijna onbestaande. Dan hou je alleen nog doding over. In de praktijk komen plotse overlijdens die mogelijk te maken hebben met een cardio-genetische stoornis (een gendefect) vooral voor vanaf de adolescentenleeftijd tot op jongvolwassen leeftijd met sportbeoefening of tijdens een activiteit. Mocht [slachtoffer] dit gendefect hebben, dan is dat voor mij geen verklaring voor zijn overlijden, op basis van de omstandigheden, de vind-situatie en de houding van het lichaam. Map 4 p. 705 tot en met 708 Het deskundigenrapport d.d. 21 februari 2001, (de rechtbank: met opschrift Getuigenverklaring), opgemaakt door Professor M.A. Green, geregistreerd forensisch patholoog, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, Zowel anterieur als posterieur van de middellijn zijn schaafwonden goed zichtbaar (op 12 en op 6 uur). Posterieur is niet alleen sprake van schaafwonden, maar lijkt er ook een fissuur te zijn en, in verband hiermee, is er een vage bloeduitstorting met een diameter van ongeveer 5 mm. Het is zeker geen postmortaal verschijnsel. De verschijnselen komen overeen met de een of andere vorm van anale penetratie kort voor overlijden. Map 4 p. 985 tot en met 997 De schriftelijke beantwoording van vragen d.d. 3 oktober 2017 door de deskundige M. Green, emeritus hoogleraar Forensische pathologie, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Dr. van Ingen vestigt de aandacht op ‘oppervlakkige schade en bloeding in de slijmvliezen onderaan en bovenaan (6 en 12 uur)’. Die verwondingen heb ik beschreven als ‘ontvelde plekken’. Een beoordeling aan de hand van foto’s is altijd moeilijk, maar naar mijn mening komt het uiterlijke van deze gebieden overeen met een ontstaan binnen 24 uur voor overlijden. Concluderend kan ik niet met zekerheid zeggen dat anaal misbruik in deze zaak ‘onomstotelijk kan worden aangetoond.’ Ik zou in een procedure volhouden dat seksueel misbruik zeer waarschijnlijk de oorzaak van de verschijningsvormen was. Map 4 p. 826 tot en met 833 Het deskundigenrapport van het NFI d.d. 9 februari 2015, opgemaakt door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Juist buiten de overgang huid – darmslijmvlies, aan de rugzijde (met een klokprojectie tussen half 12 en 12 uur), is een kleine donkere verkleuring zichtbaar, met aan de rechterzijde een lijnvormige rode huidverkleuring. Mocht het zichtbare onderhuidse bloed zich niet in, maar buiten de bloedvaten bevinden, dan kan de bloeduitstorting een gevolg zijn van stomp botsend en/of samendrukkend geweld op of tegen de huid, zoals bijvoorbeeld kan optreden bij de passage van ontlasting of bij penetratie met of door een voorwerp anderszins (al dan niet in het kader van seksueel misbruik). Map 5 p. 1091 tot en met 1183 Het deskundigenrapport d.d. 11 augustus 2008 van het NFI, opgemaakt door Ing. P.E. de Vreede en dr. A.B. Raggers-Schroeijers, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Onderzoeksmateriaal TR-nummer DNA-identiteitszegel Omschrijving S-12 ABR034 rode trainingsbroek c.q. pyjamabroek van het slachtoffer [slachtoffer] S-13 ABR035 donkerblauwe slip van het slachtoffer [slachtoffer] Onderzoeksmateriaal dat op het NFI geconserveerd is en betrokken is bij het onderzoek naar biologische sporen in aanvraag 022; S-09 ABR029 een folie met (micro)sporen van de borst van het slachtoffer [slachtoffer] ; Onderzoek 2008 In het kader van biologische sporen en het DNA-onderzoek van 2008 heeft dr. A.B. Raggers-Schroeijers in juli 2008 verzocht om het haaronderzoek te inventariseren en te onderzoeken of anno 2008 aanvullend haaronderzoek mogelijk is. In deze inventarisatie zijn alle haarsporen betrokken, welke afkomstig zijn van het volgende onderzoeksmateriaal: S-09 ABR029 folie met (micro)sporen van de borst van het slachtoffer [slachtoffer] ; S-12 ABR034 rode pyjamabroek van het slachtoffer [slachtoffer] ; S-13 ABR035 donkerblauwe slip van het slachtoffer [slachtoffer] ; Naar aanleiding van de inventarisatie is een aanvullend vergelijkend haaronderzoek uitgevoerd. In dit deskundigenrapport zijn de resultaten en conclusies vermeld van alle onderzoeken die naar aanleiding van onderstaande vraagstellingen zijn uitgevoerd. Vraagstelling (3.1) Bij de Forensische Intakegesprekken is besproken om aanvullend DNA-onderzoek te verrichten aan eerder veiliggestelde sporen waarvan tot dan toe geen resultaten/DNA-profielen waren verkregen en waar met de huidige DNA-technieken mogelijk een DNA-profiel kan worden verkregen dat geschikt is voor vergelijkend DNA-onderzoek en mogelijk geschikt is voor vergelijking met c.q. opname in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Vraagstellig (3.3) Verzocht is om het volgende, reeds eerder onderzochte, onderzoeksmateriaal te onderwerpen aan een aanvullend onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek: S-09 ABR029 folie met (micro)sporen van de borst van het slachtoffer [slachtoffer] ; S-12 ABR034 rode pyjamabroek van het slachtoffer [slachtoffer] ; S-13 ABR035 donkerblauwe slip van het slachtoffer [slachtoffer] ; 2. Haaronderzoek Tabel 1: Inventarisatie haaronderzoek Pyjamabroek van het slachtoffer [ABR034] Haarcodering: e2 Type haar: een lichaamshaar Haarcodering: x Type haar: een lichaamshaardeel Slip van het slachtoffer [ABR035} Haarcodering: f Type haar: een lichaamshaar Mogelijkheden aanvullend onderzoek Wanneer referentiemonsters hoofd- en /of lichaamshaar van nieuwe betrokkenen en/of verdachten beschikbaar worden gesteld kunnen de volgende morfologische haaronderzoeken worden uitgevoerd. De lichaamsharen e2),
- f)en
- x)kunnen worden vergeleken met referentiemonsters lichaamshaar van deze betrokkene(
- n)en/of verdachte(n). 3. Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek Rode pyjamabroek [ABR034] van het slachtoffer [slachtoffer] Onderzoek naar biologische sporen 2006 - Voor een weergave van de locaties van de hierna genoemde veiliggestelde sporen/bemonsteringen van de pyjamabroek wordt verwezen naar de foto’s in de fotobijlage. Rode pyjamabroek [ABR034] van het slachtoffer [slachtoffer] Onderzoek naar biologische sporen 2008 In juni 2008 zijn alle DNA-extracten van de sporen, die n.a.v. het onderzoek van 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Ook het resterende deel van het spoor [ABR034]#93, dat bij het onderzoek van 2006 nog niet was verbruikt, is in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Resultaten en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek 2006 & 2008 De resultaten en conclusies van het vergelijkend DNA-onderzoek uit 2006 en 2008 staan vermeld in tabel 2. In tabel 2 staat vermeld welk type DNA-profiel bij de verschillende DNA-onderzoeken is verkregen en van wie het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Het betreft hier de DNA-profielen van de volgende (onbekende) personen: De onbekende mannelijke celdonor (man 2) in onderhavig deskundigenrapport gekoppeld aan o.a. het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de slip van het slachtoffer. Tabel 2 (vervolg) Pyjamabroek [ABR034] Sporenmateriaal Resultaten en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek (2006 & 2008) Bemonstering pyjamabroek 2008: [ABR034]#93 onvolledig DNA-mengprofiel slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten, geen aanwijzing op een 3e persoon Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer [slachtoffer] Onderzoek naar biologische sporen 2006 Voor een weergave van de locaties van de hierna genoemde 52 veiliggestelde sporen/bemonsteringen van de broek wordt verwezen naar de foto’s in de fotobijlage. Biologische contactsporen Van de slip zijn 31 bemonsteringen genomen die gericht zijn op het veiligstellen van eventueel aanwezig celmateriaal. Voor het nemen van 30 van deze 31 bemonsteringen zijn de binnen- en buitenzijde van de slip in zones verdeeld. De 31 zones zijn met de zogenaamde stubmethode bemonsterd. Hierbij wordt (een deel van) het onderzoeksmateriaal met een voor dit doeleinde geprepareerd stukje zelfklevende tape afgeplakt. Dit stukje tape (i.e. de stub) wordt vervolgens veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Al deze 30 bemonsteringen [ABR035]#5 tot en met [ABR035]#19 en [ABR035]#21 tot en met [ABR035]#35 zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Het gebied rondom bloedspoor [ABR035]#1, de tailleband, de randen en het kruis van de slip zijn bij de indeling in zones als afzonderlijke zones beschouwd, omdat dit plaatsen zijn waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen. Voor 1 van deze 31 bemonsteringen is de stubmethode niet gebruikt. Dit betreft het label in de tailleband van de slip, welke in het geheel is uitgeknipt en als [ABR035]#20 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De zones beslaan vrijwel de gehele slip. Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer [slachtoffer] Onderzoek naar biologische sporen 2008 Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer [slachtoffer] DNA-onderzoek 2006 Alle bovengenoemde
(52)sporen (i.e. [ABR035]#1, #2, #3, #5 tot en met #53, die bij het onderzoek van 2006 van de slip zijn veiliggesteld, zijn onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen, zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-Plus DNA-analysesysteem en LCN-techniek. Dit betreft 8 van de 52 sporen: [ABR035]#2, [ABR035]#8, [ABR035]#11, [ABR035]#20, [ABR035]#23, [ABR035]#36, [ABR035]#38 en [ABR035]#45. Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer [slachtoffer] DNA-onderzoek 2008 In juni 2008 zijn alle
(52)sporen, die n.a.v. het onderzoek van 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van ‘real time PCR’DNA-kwantificering. Voor 12 sporen [ABR035]#5 tot en met #9, #11, #12, #14, #16, #18, #24 en #45 zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van de 11 sporen [ABR035]#36, #38, #
- #41, #44 tot en met #50, die bij het onderzoek in 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Donkerblauwe slip [ABR035] van het slachtoffer [slachtoffer] Resultaten en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek 2006&2008 De resultaten en conclusies van het vergelijkend DNA-onderzoek uit 2006 en 2008 staan vermeld in tabel
- In tabel 3 staat vermeld welk type DNA-profiel bij de verschillende DNA-onderzoeken is verkregen en van wie het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Het betreft hier de DNA-profielen van de volgende (onbekende) personen: - De onbekende mannelijke celdonor (man 2), in onderhavig deskundigenrapport gekoppeld aan o.a. het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de slip van het slachtoffer. Tabel 3 Slip [ABR035] Sporenmateriaal Resultaten en conclusies vergelijkend DNA-onderzoek (2006 & 2008) Bemonstering slip [ABR035]#5 2008: DNA-mengprofiel, match slachtoffer en onbekende man 2 en nog een onbekende persoon; geen aanwijzingen op een 4e persoon; Bemonstering slip [ABR035]#6 2008: onvolledig DNA-mengprofiel, match slachtoffer en onbekende man 2 en nog een onbekende persoon; aanwezigheid derde persoon niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#7 2008: onvolledig DNA-mengprofiel, tenminste 2 personen; Bemonstering slip [ABR035]#8 2008: DNA-mengprofiel, hoofdprofiel match slachtoffer, nevenprofiel match onbekende man 2; aanwezigheid tweede onbekende in nevenprofiel niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#9 2008: onvolledig DNA-mengprofiel ten minste 2 personen; Bemonstering slip [ABR035]#11 2006: reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel match onbekende man 2; slachtoffer niet uitgesloten, geen aanwijzingen op een 3e persoon 2008: DNA-mengprofiel, onvolledig hoofdprofiel match onbekende man 2, nevenprofiel match slachtoffer, nevenprofiel geen aanwijzingen op een 2e persoon; Bemonstering slip [ABR035]#12 2008: onvolledig DNA-mengprofiel, onvolledig hoofdprofiel match onbekende man 2, nevenprofiel ten minste 2 personen; Bemonstering slip [ABR035]#14 2008: DNA-mengprofiel ten minste 3 personen, onbekende man 2 niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#16 2008: onvolledig DNA-mengprofiel ten minste 2 personen; Bemonstering slip [ABR035]#18 2008: DNA-mengprofiel, match slachtoffer en onbekende man 2 en nog een onbekende persoon; geen aanwijzingen op een 3e persoon; Bemonstering slip [ABR035]#20 2006: reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten, geen aanwijzingen op een 3e persoon; Bemonstering slip [ABR035]#23 2006: reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2; Bemonstering slip [ABR035]#24 2008: onvolledig DNA-mengprofiel, ten minste 3 personen, match slachtoffer en onbekende man 2; Bemonstering slip [ABR035]#36 2006: reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel match slachtoffer; onbekende man 2 niet uitgesloten, geen aanwijzingen op een 3e persoon; Bemonstering slip (resterend deel spoor) [ABR035]#36 2008: DNA-mengprofiel, ten minste 3 personen; slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#38 2008: reproduceerbare DNA-kenmerken onvolledig DNA-mengprofiel match slachtoffer; onbekende man 2 niet uitgesloten, geen aanwijzingen op een 3e persoon; Bemonstering slip (resterend deel spoor) [ABR035]#38 2008: DNA-mengprofiel, hoofdprofiel match slachtoffer, nevenprofiel onbekende man 2 niet uitgesloten; aanwezigheid tweede onbekende in nevenprofiel niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#39 2008: onvolledig DNA-mengprofiel, ten minste 2 personen, slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten; Bemonstering slip [ABR035]#45 2006 LCN: reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2 2008: onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2; Bemonstering slip (resterend deel spoor) [ABR035]#45 2008: onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2; Bemonstering slip (resterend deel spoor) [ABR035]#47 2008: DNA-mengprofiel ten minste 2 personen, slachtoffer en onbekende man 2 niet uitgesloten; Samenvatting Vergelijkend DNA-onderzoek met DNA-profiel van onbekende man 2 (dit deskundigenrapport) Van het celmateriaal in de bemonstering [ABR035]#11 van de slip is een SGM-Plus DNA-hoofdprofiel verkregen van een onbekende man (onbekende man 2). De berekende frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van deze onbekende man 2 is vergeleken met alle DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen in deze zaak. Hierbij is gevonden dat nog 17 sporen van de slip van het slachtoffer en één spoor van de pyjamabroek van het slachtoffer celmateriaal van de onbekende man 2 kunnen bevatten. Het betreft de sporen: van de slip [ABR035]#5, #6, #8, #12, #14, #18, #20, #23, #24, #36, resterend deel spoor #36, #38, resterend deel spoor #38, resterend deel spoor #39, #45, resterend deel spoor #45, resterend deel spoor #47 en van de pyjamabroek [ABR034]#
- Voor de weergave van de locatie van de genoemde sporen wordt verwezen naar de foto’s in de bijlage. Hieruit blijkt dat het celmateriaal van de onbekende man 2 met name op de tailleband en het voorpand binnenzijde van de slip is aangetroffen. In een aantal DNA-profielen van de bemonsteringen van de slip en de pyjamabroek van het slachtoffer zijn één of enkele DNA-kenmerken van onbekende personen aanwezig. Dit betekent dat er in deze bemonsteringen een geringe hoeveelheid celmateriaal aanwezig is van nog een andere onbekende persoon c.q. personen. Hoewel het aantal en de intensiteit van de extra DNA-kenmerken in de DNA-profielen gering is, en een aantal van deze extra DNA-kenmerken ook achtergrondsignaal kan betreffen, is onderzocht of de aanwezigheid van deze DNA-kenmerken in de DNA-profielen van de verschillende bemonsteringen kan wijzen op de aanwezigheid van celmateriaal van één en dezelfde onbekende(n). Als een bepaalde combinatie van extra DNA-kenmerken wordt waargenomen in de DNA-profielen van verschillende bemonsteringen kan dit namelijk wijzen op de aanwezigheid van celmateriaal van dezelfde donor. Onderlinge vergelijking van de extra DNA-kenmerken heeft evenwel geen aanwijzingen gegeven op de aanwezigheid van een combinatie van DNA-kenmerken die in verschillende bemonsteringen eenduidig terugkomt. Map 5 p. 1202 tot en met 1207 Het deskundigenrapport d.d. 2 maart 2015 van het NFI, opgemaakt door Ing. P.E. de Vreede, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: In deze zaak is het volgende verzocht: inventarisatie van de haarsporen aangetroffen op/bij het slachtoffer [slachtoffer] ; de haarsporen te onderzoeken op geschiktheid voor een autosomaal DNA-onderzoek; Haren van pyjamabroek van het slachtoffer ABR034 De humane haren gecodeerd e2) en x) zijn niet te classificeren. De haren hebben een lengte van respectievelijk 0.9 en 0.8 cm. De humane haren gecodeerd e2) en x) zijn niet geschikt voor een autosomaal DNA-onderzoek. Haren van de slip van het slachtoffer ABR035 De humane haar gecodeerd f) is niet te classificeren. De haar gecodeerd f) heeft een lengte van circa 0.8 cm. De humane haar is niet geschikt voor een autosomaal DNA-onderzoek. De haarcodering van de haarsporen is overeenkomend met de haarcodering zoals gebruikt in het NFI-deskundigenrapport van 11 augustus
- De haarsporen zijn in 2015 voorzien van een SIN. Herkomst haren Codering haarsporen SIN Pyjamabroek ABR034 van het slachtoffer e2, x AAHK4706NL Slip ABR035 van het slachtoffer f AAHK4707NL Map 5 p. 1208 tot en met 1210 Het deskundigenrapport d.d. 17 juli 2015 van het NFI, opgemaakt door Dr. B. Kokshoorn, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: In de aanvraag is verzocht om de bemonsteringen ABR035#45, #46 en #47 van de onderbroek van slachtoffer [slachtoffer] te onderwerpen aan een aanvullend DNA-onderzoek. Dit met als doel meer genetische informatie te verkrijgen van onbekende man
- Op grond van het resultaat van het standaard DNA-onderzoek is bemonstering ABR035#45 onderworpen aan een Low Copy Number DNA-onderzoek. Resultaten, interpretatie en conclusie De DNA-profielen van de volgende personen zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek: ABR035#11 het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering ABR035#11 van de slip van het slachtoffer (gekoppeld aan onbekende man 2) Van het DNA in de bemonstering ABR035#45 is een onvolledig DNA-profiel verkregen van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel ABR035#11, gekoppeld aan onbekende man
- De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Map 5 p. 1215 tot en met 1218 Het deskundigenrapport van het NFI d.d. 17 september 2015, opgemaakt door dr. J.H.A. Nagel, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: In deze zaak is een autosomaal en een mitochondriaal DNA-onderzoek uitgevoerd aan de daarvoor geschikte haren. DNA-onderzoek Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een autosomaal en een mitochondriaal onderzoek: AAHU3889NL#02 een humane haar vanaf trainingsbroek/pyjamabroek ABR034 (haar e2, 0.9 cm AAHK4706NL) AAHU3889NL#03 een humaan haardeel vanaf trainingsbroek/pyjamabroek ABR034 haar x, 0.8 cm AAHK4706NL) ABR035#55 een humane haar vanaf slip (haar f, 0.8cm) Om technische reden is een nieuw SIN toegekend aan haarsporen vanaf trainingsbroek/pyjamabroek AAHK4706NL, namelijk AAHU3889NL, zodat een DNA-onderzoek uitgevoerd kon worden. Resultaten, interpretatie en conclusie Mitochondriaal DNA-onderzoek Van de haarsporen AAHU3889NL#02 en #03 en ABR035#55 en van de bemonstering ABR035#45 zijn mtDNA-profielen verkregen die met elkaar en met het eerder verkregen mtDNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] zijn vergeleken. Vergelijkend mtDNA-onderzoek De verkregen mtDNA-profielen van haarsporen AAHU3889NL#02 en #03 en ABR035#55 en van de bemonstering ABR035#45 matchen met elkaar maar matchen niet met het mtDNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] . Dit betekent dat deze haarsporen en het celmateriaal in de bemonstering ABR035#45 niet afkomstig zijn van het slachtoffer maar afkomstig zijn van een onbekende persoon (man of vrouw, in dit rapport aangeduid als mito-A). Map 5 p. 1222 tot en met 1240 Het deskundigenrapport van het NFI d.d. 19 februari 2016, opgemaakt door dr. S. van Soest, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd: Tabel 1 Overzicht te onder