vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/244963 / HA ZA 18-16 Vonnis van 5 februari 2020 in de zaak van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] , wonende te [woonplaats 1] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. J.P.C.M. van Riet, tegen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. V.C.C. Luijten (toevoeging). Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 10 de conclusie van antwoord en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 9 de conclusie van antwoord in reconventie het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2018 de rolbeslissing van 24 oktober 2018 het formulier B16 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] van 6 februari 2019 met productie 10 de conclusie van repliek van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] met producties 1 tot en met 4 (hierna doorgenummerd als producties 11 tot en met 14) - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] met producties 11 tot en met 17 - de conclusie van dupliek in reconventie van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] met producties 1 en 2 (hierna: doorgenummerd als producties 15 en 16). 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] zijn op 17 augustus 1966 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden (waaraan gehecht een Staat van aanbrengsten) hebben [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] de rechtsgevolgen van hun huwelijk ten aanzien van hun vermogen – voor zover thans relevant – als volgt geregeld: “(...) Artikel 1. De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen. Ook de gemeenschap van winst en verlies en de gemeenschap van vruchten en inkomsten zijn uitdrukkelijk uitgesloten. Artikel 2. Ingeval geen van beide echtgenoten kan bewijzen, dat enig goed hem toebehoort, geldt het vermoeden, dat dit goed aan ieder der echtgenoten voor de helft toebehoort. (...) Artikel 4. Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomens over dat jaar onverteerd is (...) Artikel 5. Bij het einde van het huwelijk, (...), zal tussen partijen (...) worden afgerekend, alsof partijen in gemeenschap van vruchten en inkomsten waren gehuwd. (...)” 2.2. Op 19 september 2006 is een verzoekschrift tot het uitspreken van de echtscheiding tussen [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] bij de rechtbank Maastricht ingediend. 2.3. Bij beschikking van 31 oktober 2007 (zaaknummer: 113700 / S RK 06-1069) heeft de rechtbank Maastricht de echtscheiding tussen [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uitgesproken. 2.4. Op 21 november 2007 is de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade ingeschreven. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren: gedaagde te veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de op voornoemde gronden verschuldigde som ad € 55.242,50, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van deze dagvaarding tot aan de datum der algehele voldoening; te gelasten dat de verdeling van de in het lichaam van deze dagvaarding omschreven onverdeeldheid als navolgend dient plaats te vinden: dat de woning aan de [adres 1] te [woonplaats 2] zal worden verkocht aan een derde; onder aanwijzing van een door de Rechtbank aan te wijzen makelaarskantoor die voor die verkoop zal zorgdragen; dat gedaagde zich zal conformeren aan de door die makelaar vastgestelde vraag- en laatprijs; dat gedaagde haar medewerking aan de totstandkoming van de opdrachtovereenkomst van de makelaar zal verlenen, evenals haar medewerking aan de totstandkoming van een voorlopige koopovereenkomst met betrekking tot die woning, evenals haar medewerking aan het verlijden van de notariële akte van levering, alles onder de last van een dwangsom ten laste van gedaagde ten bedrage ad € 500,00 per dag met een maximum van € 125.000,00 indien gedaagde in gebreke blijft aan die bepalingen te voldoen; dat de makelaar- en notariskosten ten laste komen van de bovenomschreven gemeenschap; 3. te bepalen dat het aandeel van eiser in de opbrengst van het verkochte registergoed bedraagt € 116.000,00, als zijn vordering op de gemeenschap dan wel dat uit de netto-opbrengst, na betaling van de makelaar- en notariskosten toekomt aan eiser, althans tot een bedrag ad € 116.000,00, en dat het mogelijke merendeel c.q. meer opbrengst, na betaling van de voormelde kosten en vordering, bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. 4. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding e.e.a. uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vordert, na vermindering van eis bij conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, primair tot (hypotheekvrije) toedeling van het appartement [adres 1] te [woonplaats 2] aan de vrouw, met veroordeling van de man om aan de vrouw een bedrag te voldoen van minimaal € 52.032,28, subsidiair tot (hypotheekvrije) toedeling van het appartement [adres 1] te [woonplaats 2] aan de vrouw en te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag verschuldigd is van maximaal € 5.67,72 (de rechtbank leest en begrijpt: € 5.967,72), kosten rechtens. 3.5. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze in het onderstaande in onderling verband beoordelen. 4.2. Partijen hebben, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, nagelaten een aantal verificatoire stukken in te dienen, met name ter zake de polissen en het appartement aan de [adres 1] te [woonplaats 2] . De rechtbank heeft als uitgangspunt gehanteerd al hetgeen tussen partijen vaststaat. overeenstemming ter comparitie 4.3. Ter comparitie van 26 juni 2018 is gebleken dat tussen partijen over het volgende overeenstemming bestaat: - het toepasselijk recht is het recht van vóór 1 januari 1970, nu alle wetswijzigingen van die datum en daarna eerbiedigende werking hadden met betrekking tot de voordien overeengekomen huwelijkse voorwaarden, - als peildatum wordt ingevolge art. 5 van de huwelijkse voorwaarden gehanteerd 21 november 2007, zijnde de datum waarop het huwelijk is ontbonden (de echtscheiding van partijen is op die datum in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen), - de huwelijksvoorwaarden verplichten enkel tot een verrekening op de peildatum. De vermogensaanwas van beide partijen gedurende het huwelijk moet bij helfte worden gedeeld onder aftrek van de aanbrengsten en de gedurende het huwelijk aan partijen toegevallen erfenissen en verkregen schenkingen. Zaaksvervanging is van toepassing, - voor zover één van partijen gelden uit de hem/haar toegevallen erfenissen in gemeenschappelijke goederen/huishouding heeft geïnvesteerd, heeft die partij in beginsel een reprise ter grootte van het geïnvesteerde bedrag, - de nalatenschappen van de ouders van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] zijn geheel vervat in het onroerend goed aan de [adres 2] te [woonplaats 1] , welk pand tot het privévermogen van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] behoort. Ten tijde van de verkrijging van dit pand door [eiser in conventie, verweerde in reconventie] rustte er een hypothecaire lening op van f 75.000,00, waarvan rente en aflossing uit de te verrekenen gemeenschappelijke gelden zijn voldaan. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de vervanging van de boeiboorden van dit pand uit haar privévermogen betaald, zij heeft voor dat bedrag een vergoedingsrecht op [eiser in conventie, verweerde in reconventie] , - de naast de echtelijke woning gelegen grond is in 1989 door [eiser in conventie, verweerde in reconventie] aangekocht met te verrekenen gelden en behoort tot de te verrekenen vermogensaanwas. Deze grond was mede begrepen in de verkoopprijs van het pand, waarvan de levering waarschijnlijk in het najaar van 2018 zal plaatsvinden, - de nalatenschappen die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft ontvangen ( [eiser in conventie, verweerde in reconventie] heeft in elk geval een bedrag van f 127.027,88 als zodanig erkend) behoren tot het privévermogen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , - partijen zijn beiden voor de onverdeelde helft eigenaar van het onroerend goed aan de [adres 1] te [woonplaats 2] . [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wil hier graag blijven wonen en [eiser in conventie, verweerde in reconventie] voelt het als een verplichting van moraal en fatsoen dat dit kan worden gerealiseerd. De rechtbank neemt dit als vaststaand aan en zal in het navolgende zoveel als mogelijk in overeenstemming hiermee beslissen. lijst van aanbrengsten voorafgaand aan het huwelijk 4.4. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft de stelling van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij conclusie van repliek in conventie niet betwist dat de waarde van haar lijst van aanbrengsten voorafgaand aan het huwelijk bedroeg € 4.086,00 en die van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] € 4.546,00, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. De man stelt terecht – zo begrijpt de rechtbank – dat deze aanbrengsten in hun reprisevorderingen ten laste van de verrekenbare gemeenschap moeten worden begrepen. De rechtbank zal dit hierna tot uitgangspunt nemen. erfenissen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vaststaand 4.5. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] heeft bij conclusie van repliek in conventie erkend dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] gedurende het huwelijk (in ieder geval) uit erfenis heeft ontvangen een bedrag van € 57.740,00. Hij heeft hierbij verwezen naar productie 8 van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] , waar een bedrag van hfl 127.028,00 is vermeld (hetgeen overigens, zo stelt de rechtbank vast, omgerekend uitkomt op een bedrag van € 57.642,79). De rechtbank neemt echter het door [eiser in conventie, verweerde in reconventie] erkende en in zijn verdere berekeningen gehanteerde bedrag van € 57.740,00 als vaststaand aan. 4.6. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft erkend een bedrag van € 14.990,00 van de gemeenschappelijke Rabobankrekening te hebben opgenomen dat – zo begrijpt de rechtbank – haar uit hoofde van de ontvangen erfenissen toekwam nadat die op de gemeenschappelijke Rabobank-rekening waren gestort (waarvoor zij aandelen Robeco heeft gekocht en verkocht). De rechtbank neemt dit als vaststaand aan. 4.7. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] heeft vervolgens erkend dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] (in ieder geval) uit hoofde van de door haar verkregen erfenissen die zij ten behoeve van de gemeenschap heeft aangewend een recht tot terugneming (reprise) op de gemeenschap heeft ten bedrage van (€ 57.740,00 – € 14.990,00 = ) € 42.750,00. De rechtbank neemt ook dit als vaststaand aan. 4.8. De rechtbank zal hieronder de tussen partijen nog in geschil zijnde posten die betrekking hebben op (besteding van gelden uit) de erfenissen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] afzonderlijk beoordelen. een bedrag van € 17.252,65 (zijnde hfl 38.019,83 ) 4.9.0. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft bij conclusie van antwoord in conventie (sub 10) gesteld dat haar moeder in 1995 was overleden en “een flink deel van het erfdeel van de vrouw in die nalatenschap (Hfl. 38.019,83) heeft zij in 2000 laten overmaken naar de gezamenlijke girorekening van partijen om het huishouden te kunnen bekostigen (zie productie 1). 11. Het totale erfdeel van de vrouw in de nalatenschap van haar moeder bedroeg Hfl. 165.047,65 (zie productie 1 en productie 2). Steeds moest de vrouw de gezamenlijke rekening van partijen met haar erfenisgelden bijspekken om het hoofd boven water te houden.” Zonder die bijdragen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hadden partijen het huis aan de [adres 2] te [woonplaats 1] moeten “opeten”, terwijl die woning bedoeld was als pensioenvoorziening voor beide partijen, aldus [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] . Sub 31-D7 en sub 43 heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] – kort gezegd – gesteld dat zij hfl 165.047,65 (te weten hfl 38.019,83 + hfl 127.027,82, zijnde € 74.895,36) aan erfenisgelden heeft ontvangen, dat het overgrote deel van deze gelden is opgegaan in de gezamenlijke huishouding van partijen, de onderneming Ervo B.V. en de verbouwing van de echtelijke woning en dat een klein deel (circa hfl 25.000,00) is belegd in aandelen. Sub 51 heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] (nogmaals) gesteld dat zij haar erfenisgelden heeft geïnvesteerd in het huishouden, de echtelijke woning en de onderneming van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] . Zij vervolgt: “Voorzover de gelden aan de huishouding en de onderneming van de man zijn besteed, kan de vrouw geen vordering instellen, omdat die gelden verbruikt zijn en niet meer traceerbaar. De man erkent, dat de vrouw recht heeft op een vergoeding van € 31.781,=. Hoe de man aan dat bedrag komt, is de vrouw een raadsel, maar zij neemt dat in dezen voorshands voor juist aan”. 4.9.1. Bij conclusie van dupliek in conventie (sub 7 en 8) heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] vervolgens gesteld dat zij in totaal hfl 163.966,07 (= € 74.404,56, inclusief het bedrag van hfl 38.019,83) tijdens het huwelijk heeft ingebracht dan wel besteed dan wel deels geïnvesteerd in de onderneming van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] dan wel deels heeft besteed aan renovatie van de woning [adres 2] te [woonplaats 1] dan wel aan de huishouding dan wel aan aankoop van aandelen Robeco (hfl 25.000,00). Zij heeft hierbij (wederom) verwezen naar het al bij conclusie van antwoord als productie 1 eerder overgelegde bankafschrift. Vervolgens concludeert [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] dat haar ten laste van de gemeenschap een reprisevordering toekomt van € 59.414,56 (te weten € 74.404,56 - € 14.990,00 opname Rabobank). 4.10.0. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie (p. 2) erkend “dat de deelgerechtigden in de nalatenschap [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in 1995 overgaan tot verdeling op grond waarvan de vrouw ontvangt een bedrag ad € 38.019,83 (productie 1 conclusie van antwoord, de rechtbank leest en begrijpt hier hfl in plaats van €) op de gemeenschappelijke rekening van partijen evenals in 1997 een bedrag ad fl. 23.596,43 op grond waarvan de vrouw uiteindelijk een totale erfenis heeft ontvangen ad fl. 127.027,82. Vervolgens vermengt de vrouw dit bedrag door in twee jaar tijd te storten op gezamenlijke rekeningen. En daarvan voor een bedrag ad € 25.037,71 aandelen Robeco aan te kopen, uitsluitend op haar naam, en die zij, na verbreking van de samenwoning, ook weer verkoopt.”. 4.10.1. Bij conclusie van repliek in conventie (p. 3) heeft [eiser in conventie, verweerde in reconventie] – kort gezegd – aangevoerd dat uit de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] als productie 1 en 2 bij conclusie van antwoord in conventie overgelegde stukken niet valt op te maken wat de hoogte van de nalatenschap is geweest dan wel dat daarmee het door haar gestelde bedrag van hfl 165.047,00 niet wordt onderbouwd. Volgens [eiser in conventie, verweerde in reconventie] geeft productie 8 van de conclusie van antwoord in conventie meer duidelijkheid: “De berekening leert dat de vrouw in totaliteit aan erfenis c.q. op haar naam staande gelden een bedrag van fl. 127.028,00 heeft overgeboekt naar de gemeenschappelijke rekening oftewel een bedrag ad € 57.740,00.” (zie ook rov. 4.5.). 4.10.2. Bij conclusie van dupliek in reconventie (sub 4) heeft [eiser in conventie, verweerde in reconventie] ten slotte het volgende aangevoerd: “In afwijking van hetgeen de vrouw in deze procedure eerder heeft aangevoerd (productie 8 conclusie van antwoord en van eis in reconventie) dat zij uit erfenisgelden heeft ontvangen een bedrag ad fl. 44.000,00, fl. 58.349,81 en fl. 23.596,43 een saldo ad fl. 127.027,82 “totale erfenisbedrag”. Zij noteert (handgeschreven) op die productie 8 achter die zin: “(excl. fl. 38.019,83).” Thans voert de vrouw op dat dit bedrag wel weer behoort tot de erfenis en overlegt een kopie van een gemeenschappelijke girorekening per datum 17 januari 2000, voor de onderbouwing ervan. De man persisteert hij eerder in deze procedure dienaangaande heeft uiteengezet. De vrouw onderbouwt niet dat dit laatste bedrag afkomstig is uit de nalatenschap van haar ouders. Het bedrag is afkomstig uit: “aandeel verkoop huis d.d. 7.1.2000”, terwijl de vrouw, in de boven aangegeven lijst dit bedrag afzondert van de door haar verkregen erfenis.” 4.11. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij conclusie van antwoord in reconventie al heeft erkend dat het bedrag van hfl 38.019,83 (= € 17.252,65) óók deel uitmaakt van de erfenis die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft ontvangen uit de nalatenschap van haar ouders. Vervolgens heeft [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij conclusie van repliek in conventie erkend dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] € 57.740,00 uit erfenis verkregen gelden heeft aangewend voor gemeenschappelijk gebruik. Gelet hierop gaat de rechtbank dan ook voorbij aan al hetgeen [eiser in conventie, verweerde in reconventie] vervolgens nog heeft aangevoerd om de hoogte van de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] ontvangen erfenisgelden te betwisten die zij op welke manier dan ook in de gemeenschap heeft geïnvesteerd. Aldus dient ervan te worden uitgegaan dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in totaliteit een bedrag van (€ 17.252,65 + € 57.740,00 =) € 74.992,65 uit de nalatenschappen van haar ouders heeft ontvangen uit hoofde waarvan zij een reprisevordering heeft op de gemeenschap. Nu [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] hiervan al een bedrag van € 14.990,00 heeft opgenomen, resteert derhalve een totale reprisevordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op de gemeenschap van (€ 74.992.65 - € 14.990,00 =) € 60.002,65. Hiervan dient (ter voorkoming van dubbeltelling) te worden afgetrokken een bedrag van € 5.455,00 (boeiboorden, zie hieronder), een bedrag van € 5.841,00 (grond 1989, zie hieronder) en een bedrag van € 6.692,00 (aflossing hypotheekschuld, zie hieronder), zodat resteert een reprisevordering op de gemeenschap van in totaal € 42.014,65. boeiboorden 4.12. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] een bedrag van € 5.455,00 afkomstig uit de door haar ontvangen erfenis heeft besteed aan de vervanging van boeiboorden in de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] , die eigendom van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] is. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op grond van de beleggingsleer het door haar geïnvesteerde bedrag dient terug te krijgen. De rechtbank neemt het voorgaande als vaststaand aan. 4.13. Partijen verschillen echter van mening of die waarde dient te worden berekend aan de hand van de waarde op het verdeelmoment (datum vonnis althans waarde 2018/2019 althans waarde ten tijde van verkoop zijnde € 5.286,00) zoals [eiser in conventie, verweerde in reconventie] primair heeft gesteld, dan wel aan de hand van de waarde op 21 november 2007 zoals [eiser in conventie, verweerde in reconventie] subsidiair heeft gesteld en waarvan ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uitgaat (zijnde € 6.748,00). 4.14. Gelet op hetgeen partijen ter comparitiezitting zijn overeengekomen (zie rov. 4.2., tweede en derde streepje), gaat de rechtbank ervan uit dat partijen hebben bedoeld de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen te berekenen op de peildatum 21 november 2007. In zoverre gaat de rechtbank dan ook voorbij aan het door [eiser in conventie, verweerde in reconventie] dienaangaande primair gestelde. De rechtbank zal [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij eindvonnis veroordelen een bedrag van € 6.748,00 ter zake de boeiboorden aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te voldoen. grond 1989 4.15. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uit (erfenis)gelden een bedrag van € 5.841,00 heeft geïnvesteerd in de aankoop van grond in 1989, die eigendom van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] is. Tussen partijen is evenmin in geschil dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op grond van de beleggingsleer het door haar geïnvesteerde bedrag dient terug te krijgen. Onder verwijzing naar hetgeen partijen gelijkluidend, maar met andere bedragen, als onder 4.13. staat, hebben gesteld en naar hetgeen is overwogen onder rov. 4.14. zal de rechtbank [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij eindvonnis veroordelen een bedrag van € 13.744,00 ter zake haar aandeel in de aankoop van de grond uit 1989 aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te voldoen. aflossing hypotheekschuld [adres 2] te [woonplaats 1] 4.16. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] uit (erfenis)gelden een bedrag van € 6.692,00 heeft bijgedragen aan de aflossing van de hypotheekschuld rustend op de woning die eigendom is van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] . Tussen partijen is evenmin in geschil dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] op grond van de beleggingsleer het door haar geïnvesteerde bedrag dient terug te krijgen. Onder verwijzing naar hetgeen partijen gelijkluidend, maar met andere bedragen, als onder 4.13. staat, hebben gesteld en naar hetgeen is overwogen onder rov. 4.14. zal de rechtbank [eiser in conventie, verweerde in reconventie] bij eindvonnis veroordelen een bedrag van € 10.827,00 ter zake haar aandeel in de aflossing van de hypotheekschuld rustend op de woning [adres 2] te [woonplaats 1] aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] te voldoen. resumerend 4.17. Uit het vooroverwogene volgt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] recht heeft op een reprise ten laste van het te verrekenen vermogen wegens aanwending van haar nalatenschap ten behoeve van eigendommen van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] en de kosten van de huishouding tot een bedrag van € 73.333,65 (te weten: € 42.014,65 + € 6.748,00 + € 13.744,00 + € 10.827,00). erfenis(sen) [eiser in conventie, verweerde in reconventie] 4.18. Tussen partijen is niet in geschil dat de nalatenschappen van de ouders van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] geheel zijn vervat in het onroerend goed aan de [adres 2] te [woonplaats 1] , welk pand tot het privévermogen van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] behoort. Hierover hoeft dan ook niet te worden beslist. de omvang van de reprisevorderingen wegens aanbrengsten ten huwelijk 4.19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] wegens aanbrengsten ten huwelijk een reprisevordering ten laste van het te verrekenen vermogen toe van (€ 4.086,00 + € 73.333,65 =) € 77.419,00. Aan [eiser in conventie, verweerde in reconventie] komt wegens aanbrengsten een reprisevordering toe van € 4.546,00. 4.20. De rechtbank stelt vast dat partijen – hoewel zij daartoe de gelegenheid hebben gehad – onvoldoende gegevens in het geding hebben gebracht om te kunnen vaststellen of het op 21 november 2007 te verrekenen vermogen toereikend is om deze vorderingen uit te kunnen voldoen. Mocht het te verrekenen vermogen niet toereikend zijn voor het voldoen van die vorderingen dan hebben zij ieder het recht de helft van hetgeen zij niet op de gemeenschap hebben kunnen verhalen, te verhalen op het privévermogen van de wederpartij (zie: HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2385). vermogensaanwas gedurende het huwelijk polissen Fortis/ABC Spaarplan, AXA en Hooge Huys 4.21. [eiser in conventie, verweerde in reconventie] heeft – kort gezegd – gesteld dat de aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] in 2006 en begin 2007 uitgekeerde polissen (Fortis/ABC Spaarplan: € 88.172,00 en AXA: € 34.320,00) voortkomen uit gedurende het huwelijk opgebouwd vermogen, waarvan hem de helft toekomt. 4.22. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] heeft – kort gezegd – aangevoerd dat na liquidatie van de onderneming Ervo B.V. gelden zijn afgestort in polissen ten behoeve van hun beider pensioenvoorzieningen (polissen Fortis/ABC Spaarplan en AXA ten name van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] en polis Hooge Huys ten name van [eiser in conventie, verweerde in reconventie] ). Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] behoort de waarde van deze polissen niet tot het te verrekenen vermogen. De Fortis/ABC Spaarplan-polis liep op 31 december 2006 af. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie] erkent begin 2007 uit hoofde van de Fortis-polis een bedrag van € 88.172,00 te hebben ontvangen. Het geld heeft zij besteed aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.