← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2020:9277

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 8433022 \ CV EXPL 20-1413 Vonnis van de kantonrechter van 25 november 2020 in de zaak van: de naamloze vennootschap ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Utrecht, eisende partij, gemachtigde GGN Mastering Credit B.V., tegen: [gedaagde] , wonend [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. T.P. Boer. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie houdende oproeping in vrijwaring de conclusie van antwoord in het incident het eindvonnis in het incident van 29 juli 2020 de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  3. Gedaagde partij heeft bij eisende partij een zorgverzekering afgesloten. Er is een betalingsachterstand van € 1.218,
  4. 3Het geschil 3.
  5. Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 1.267,39, vermeerderd met rente en kosten. 3.
  6. Gedaagde partij voert verweer. 3.
  7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  8. Eisende partij vordert betaling van een bedrag van € 1.267,
  9. Dit bedrag is opgebouwd uit € 1.218,80 aan hoofdsom, € 147,95 aan incassokosten inclusief btw en € 14,11 aan rente. Hierop is een totaalbedrag van € 128,88 aan reeds gedane betalingen in mindering gebracht. 4.
  10. Gedaagde partij voert tegen de vordering aan dat zij samenwoont met de heer [naam partner] en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. De heer [naam partner] ontvangt een wao-uitkering die onlangs is weggevallen. Ter zake loopt een gerechtelijke procedure. Door het wegvallen van die uitkering is er onvoldoende inkomen om de vaste lasten waaronder de lasten voor de ziektekostenverzekering te voldoen. Gedaagde partij beroept zich op overmacht als bedoeld in artikel 6:75 BW. 4.
  11. De kantonrechter overweegt het volgende. Gedaagde partij heeft een achterstand in de betaling van de premie laten ontstaan. De door eisende partij gestelde hoogte daarvan betwist gedaagde partij niet, zodat deze vast staat. Deze achterstand levert een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst aan de kant van gedaagde partij op. Gedaagde partij beroept zich echter op overmacht. 4.
  12. Volgens artikel 6:75 BW kan een tekortkoming de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. De kantonrechter is van oordeel dat financiële onmacht ontstaan door het wegvallen van de uitkering van de partner van gedaagde partij geen geslaagd beroep op overmacht oplevert. Er is immers niet aangetoond dat de tekortkoming gedaagde partij persoonlijk niet kan worden verweten. De financiering van de financiële verplichtingen valt binnen de risicosfeer van de schuldenaar en het wegvallen ervan komt dan ook voor haar rekening. Hoewel de kantonrechter oog heeft voor de (financiële) omstandigheden van gedaagde partij, leidt dit er niet tot dat zij van haar betalingsverplichting wordt ontheven. Het verweer van gedaagde partij wordt daarom verworpen en de vordering van eisende partij, waarvan de hoogte niet wordt betwist, wordt toegewezen. Ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. Hiertegen is immers niet op aparte gronden verweer gevoerd. 4.
  13. De kantonrechter ziet geen aanleiding gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering. 4.
  14. Gedaagde partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 105,09 griffierecht 499,00 salaris gemachtigde 360,00 (2 x tarief € 180,00) totaal € 964,09 4.
  15. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
  16. De beslissing De kantonrechter 5.
  17. veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.267,39, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.218,80 vanaf 20 maart 2020 tot de dag van volledige betaling, 5.
  18. veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 964,09, 5.
  19. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
  20. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken. type: PLG coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.