RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8534622 CV EXPL 20-2284 Vonnis van de kantonrechter van 9 december 2020 in de zaak van: de besloten vennootschap ADC ARCHEOLOGISCHE OPGRAVINGEN B.V. gevestigd te ’s-Gravenhage, kantoor houdend te Rotterdam, eisende partij, gemachtigde: mr. L.D. Ridderbroek, tegen de besloten vennootschap HOTEL HUSTINX B.V. gevestigd en kantoor houdend te Maastricht, gedaagde partij, gemachtigde: mr. R.H.M. Wagemans. Partijen zullen hierna ADC en Hustinx worden genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 13 mei 2020 met producties de conclusie van antwoord met producties de conclusie van repliek met productie de conclusie van dupliek 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. In het kader van een door Hustinx te vestigen hotel aan het Vrijthof 20 te Maastricht hebben partijen op 7 december 2018 een schriftelijke overeenkomst gesloten tot het verrichten van archeologische opgravingswerkzaamheden op de betreffende locatie door ADC tegen een totaal door Hustinx te betalen (deels nog verrekenbaar) bedrag van € 14.180,00 exclusief BTW (€ 17.157,80 inclusief BTW). 2.2. De overeenkomst bevat – voor zover van belang – de volgende bepalingen: ‘ De kosten van de opgraving bedragen € 14.180,00 exclusief BTW en exclusief specialistisch onderzoek. … Bij het berekenen van het veldwerk is uitgegaan van vijf veldwerkdagen, …. De doorlooptijd van vijf dagen is een inschatting; de kosten voor het veldwerk zijn, naar aanleiding van overleg ter plaatse, als een verrekenbare post in de kostenraming opgenomen. Meer – en/of minderwerk worden op basis van dagtarief na afloop van het veldwerk verrekend.’ 2.3. Bijlage 2 behorende bij de tussen partijen gesloten overeenkomst bevat enkele algemene bepalingen waaronder: ‘ ADC ArcheoProjecten doet het volgende betalingsvoorstel: 40% bij aanvang voorbereiding 50% bij afronding veldwerk Specialistische uitwerking bij aanvang uitwerking en rapportage 10% bij levering concept Betalingen worden door de opdrachtnemer binnen 30 kalenderdagen overgemaakt op bankrekening … ’ 2.4. Op 13 december 2018 heeft ADC een Plan van Aanpak Opgraving (OS01) opgesteld en naar Hustinx gestuurd. 2.5. Op 17 december 2018 en 25 januari 2019 hebben medewerkers van ADC veldwerkzaamheden verricht op de locatie Vrijthof 20 te Maastricht. Van de werkzaamheden op 17 december 2018 is door ADC een dagrapport opgesteld. 2.6. ADC heeft op 10 januari 2019 een factuur voor € 5.672,00 exclusief BTW (€ 6.863,12 inclusief BTW), zijnde 40% van het overeengekomen totaalbedrag, naar Hustinx gestuurd. 2.7. Hustinx heeft de factuur van ADC van 10 januari 2019 niet betaald. 2.8. ADC heeft Hustinx per brieven van 27 september 2019, 24 maart 2020 en 20 april 2020 gesommeerd over te gaan tot betaling van de factuur van 10 januari 2019. 2.9. De gemachtigde van Hustinx heeft op 30 september 2019 per e-mail een ontbindingsverklaring naar de gemachtigde ADC gestuurd. 2.10. De gemachtigde van ADC heeft op 20 april 2020 een ontbindingsverklaring naar de gemachtigde van Hustinx gestuurd. 3Het geschil 3.1. ADC vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van - een bedrag van € 17.157,80; - primair: een bedrag van € 655,71 aan de wettelijke handelsrente tot 28 april 2020, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 6.863,12 vanaf 28 april 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; - subsidiair: de wettelijke rente over € 17.157,80 vanaf 20 april 2020 tot de dag van algehele voldoening; - een bedrag van € 946,58 aan buitengerechtelijke incassokosten; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover. 3.2. Hustinx voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. ADC stelt - samengevat - dat Hustinx door het onbetaald laten van de factuur van 10 januari 2019 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Om die reden heeft ADC eerst haar werkzaamheden opgeschort en vervolgens bij brief van 20 april 2020 aan de gemachtigde van Hustinx de overeenkomst ontbonden. In deze procedure vordert ADC van Hustinx schadevergoeding, waaronder het positief contractsbelang. 4.2. Hustinx stelt zich - samengevat - op het standpunt dat ADC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst omdat Hustinx na de tweede velddag op 25 januari 2019 niets meer van ADC heeft vernomen en ADC het minderwerk niet heeft verrekend. Vanwege de wanprestatie van ADC en vanwege het feit dat het bouwproject van Hustinx inmiddels was gerealiseerd (waardoor de werkzaamheden van ADC feitelijk onmogelijk waren geworden), heeft Hustinx op 30 september 2019 per e-mail de overeenkomst ontbonden. Schadevergoeding van een reeds ontbonden overeenkomst is volgens Hustinx niet mogelijk. Verder betwist Hustinx dat ADC enige schade uit een positief contractsbelang heeft geleden omdat ADC kosten dient af te trekken en bovendien haar medewerkers op andere projecten had kunnen inzetten. Ontbinding van de overeenkomst 4.3. Vaststaat dat tussen partijen een wederkerige overeenkomst is gesloten (artikel 6:261 BW) en dat ADC is gestart met de archeologische onderzoekswerkzaamheden waartoe Hustinx opdracht heeft gegeven. Conform bijlage 2 bij de overeenkomst van 17 december 2018 heeft ADC op 10 januari 2019 haar eerste factuur van 40% van het totaal geoffreerde bedrag naar Hustinx gestuurd. De vervaldatum voor deze factuur was 9 februari 2019. Hustinx heeft de betalingstermijn zonder te betalen voorbij laten gaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is Hustinx daarmee toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en was ADC gerechtigd haar verdere werkzaamheden op te schorten (artikel 6:262 lid 1 BW). Aan de stelling van Hustinx dat ADC na twee velddagen klaar was met haar werkzaamheden en het minderwerk al had moeten verrekenen komt de kantonrechter in dit kader niet toe. 4.4. Aangezien ADC de nakoming van haar verplichtingen had opgeschort, kon er geen sprake zijn van verzuim aan haar kant en had Hustinx geen recht op ontbinding van de overeenkomst. De ontbindingsverklaring van Hustinx van 30 september 2019 was dan ook - naar het oordeel van de kantonrechter - ongerechtvaardigd. 4.5. Hustinx is ondanks diverse sommaties in gebreke gebleven met de betaling van de factuur van ADC van 10 januari 2019. Op grond daarvan was ADC naar het oordeel van de kantonrechter wel gerechtigd de overeenkomst te ontbinden, hetgeen zij heeft gedaan bij brief van 20 april 2020. Schadevergoeding 4.6. Op grond van artikel 6:277 BW heeft ADC na de gerechtvaardigde ontbinding van de overeenkomst recht op schadevergoeding. ADC vordert vergoeding van het positief contractsbelang, volgens haar bestaande uit het geoffreerde bedrag inclusief BTW, in totaal € 17.157,80 (€ 14.180,00 exclusief BTW). 4.7. Hustinx betwist de hoogte van het gevorderde bedrag en stelt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.