RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8856808 \ CV EXPL 20-5504 Vonnis van de kantonrechter van 9 december 2020 in de zaak van: de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ DSW ZORGVERZEKERAAR U.A., gevestigd te Schiedam, eisende partij, gemachtigde GGN Mastering Credit B.V., tegen: [gedaagde] , wonende op een geheim adres in de gemeente [woonplaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
- Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet. 2.
- Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’). 2.
- De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden. 2.
- Eisende partij vordert – samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 790,66, te vermeerderen met rente en kosten. 2.
- Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan. Eisende partij heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens eisende partij € 500,
- Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente tot 14 oktober 2020 op € 108,
- Voorts stelt zij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 181,50 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. 2.
- De vordering ten aanzien van de hoofdsom en de wettelijke rente staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen. 2.
- Eisende partij heeft omtrent de aan de procedure voorafgegane incasso(pogingen) onvoldoende (gespecificeerd en gemotiveerd) gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat de door eisende partij bedoelde werkzaamheden en kosten verder strekten dan de verrichtingen en kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv. een voorziening geven. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. 2.
- Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 105,09 griffierecht € 499,00 salaris gemachtigde € 120,00 (1 x tarief € 120,00) totaal € 724,09 3De beslissing De kantonrechter 3.
- veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 609,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,50 vanaf 14 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 724,09, 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken. type: JEC