RECHTBANK LIMBURG Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/284573 / JE RK 20-2336 Datum uitspraak: 19 november 2020 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [belanghebbende] , hierna te noemen: de moeder, wonend te [woonplaats] , de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd te Roermond, hierna te noemen: de GI. 1Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek met bijlagen van de raad van 4 november 2020, ingekomen bij de griffie op 5 november 2020. Op 19 november 2020 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren, samen (maar niet gevoegd) met zaaknummer C/03/284572 / JE RK 20-2335, behandeld. Verschenen zijn:- de moeder; - twee vertegenwoordigers van de GI;- een vertegenwoordigster van de raad. 2 2. De feiten Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] woont bij haar moeder, maar zij verblijft momenteel in een crisispleeggezin. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 augustus 2020 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 november 2020 en is ook een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken tot 14 september 2020 in een crisispleeggezin, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Bij beschikking van 10 september 2020 is het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de resterende duur van de voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen. Bij beschikking van 20 oktober 2020 is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken, aldus tot 17 november 2020, in een crisispleeggezin. Bij beschikking van 30 oktober 2020 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 17 november 2020 tot 30 november 2020 in een crisispleeggezin. 3Het verzoek 3.1. De raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt de uithuisplaatsing verzocht van [minderjarige] voor de duur van zes maanden in een pleeggezin met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ter onderbouwing van het verzochte stelt de raad dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn erin gelegen dat [minderjarige] opgroeit in een instabiele, wisselende en onvoorspelbare leefsituatie met een moeder die bekend is met stemmingswisselingen, cannabis- en cocaïnegebruik, ouders met eigen problematiek en een vader die uitgebreid bekend is bij de politie, verward overkomt en waarmee vrijwel geen gesprek mogelijk is, waardoor de ouders onvoldoende in staat zijn keuzes te maken die in het belang zijn van [minderjarige] , die hierdoor genoodzaakt is mee te bewegen op de grillen van de moeder. Het is noodzakelijk dat de ouders aan de slag gaan met hun persoonlijke- en verslavingsproblematiek, alvorens zij voor [minderjarige] weer veilige en betrouwbare opvoeders kunnen zijn en de zorg weer op zich kunnen nemen, zeker nu is gebleken dat de moeder positief getest is op cocaïne. De ouders voldoen niet aan de door de GI gestelde bodemeisen die nodig zijn om [minderjarige] thuis te kunnen laten wonen. De moeder wordt hierin overvraagd. De thuissituatie is momenteel onvoldoende veilig en stabiel voor [minderjarige] . Daarom is de uithuisplaatsing noodzakelijk. 3.2. De raad heeft aanvullend ter zitting verklaard dat het voor de moeder ontzettend belangrijk is dat zij aan zichzelf gaat werken. Het is goed dat de moeder zich laat opnemen bij Mondriaan voor de detox en hopelijk gaat zij dat volhouden. Als het goed gaat met de moeder kan vervolgens gekeken worden of de moeder samen met de kinderen naar de Brijderkliniek kan voor een behandeltraject. De moeder zal flink aan de slag moeten en dan kan worden gekeken of al binnen de zes maanden uithuisplaatsing kan worden toegewerkt naar thuisplaatsing. 4Het standpunt van de belanghebbenden 4.1. De moeder heeft ter zitting geen verweer gevoerd tegen de verzoeken, maar zij heeft wel de wens uitgesproken dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin kan plaatsvinden en dat, zodra het weer goed gaat met de moeder, de machtiging korter van kracht is. Het gaat niet goed met de moeder sinds [minderjarige] uit huis was geplaatst en daarna was verdwenen. Het ging bergafwaarts met de moeder en zij verviel weer in drugsgebruik. De moeder was verbaasd dat zij werd opgepakt. Haar voorlopige hechtenis zal worden geschorst zodra er een plek bij Mondriaan is. In de tussentijd valt het de moeder erg zwaar om al vier dagen op deze wijze te moeten ontwennen. De moeder heeft benadrukt dat zij te zijner tijd haar kinderen mee zou willen nemen naar de Brijderkliniek. 4.2. De GI heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] , niet in Turkije, maar in België is aangetroffen. Zij is inmiddels door de politie teruggebracht naar Nederland. Het gaat nu goed met [minderjarige] , maar ze had wel last van de spanningen, hetgeen zich uitte in overstrekkingen. De GI begrijpt de wens van de moeder om [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te plaatsen, maar gelet op alle onrust voor [minderjarige] vindt de GI vooralsnog niet dat [minderjarige] alweer naar een ander pleeggezin moet worden overgeplaatst. De GI wil graag dat de moeder de detox-behandeling gaat doen. Als de moeder naar de Brijderkliniek zou kunnen, wordt gekeken of de kinderen mee kunnen. Het uitgangspunt is wel dat [minderjarige] weer naar de moeder teruggaat zodra het weer goed gaat met de moeder. 4.3. De raad heeft zich ter zitting aangesloten bij de visie van de GI. 5De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.