← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2021:1640

beschikking RECHTBANK LIMBURG Familie en jeugd Zittingsplaats: Maastricht Zaakgegevens : C/03/287169 / JE RK 21-46 en C/03/287170 / JE RK 21-47 datum uitspraak: 17 februari 2021 verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in de zaken van de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, hierna te noemen de GI, gevestigd te Roermond, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonend te [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonend te [woonplaats 2] , advocaat mr. B.H.S. Brinkman, kantoorhoudend te Heerlen. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de verzoeken met bijlagen van de GI van 22 december 2020 en 6 januari 2021, ingekomen bij de rechtbank op 8 januari 2021; - de brief van de moeder, die door de GI ter zitting is overgelegd. Op 26 januari 2021 heeft de kinderrechter de zaken ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de minderjarige [minderjarige] , die apart is gehoord, - mr. Brinkman, advocaat van de vader,- mevrouw [naam begeleidster] , begeleidster van [minderjarige] , als informant, - een vertegenwoordigster van de GI. Op 27 januari 2021 is het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de raad, van 22 januari 2021 bij de rechtbank binnengekomen. De feiten Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] woont bij de moeder. Bij beschikking van 10 februari 2011 van de kinderrechter te Maastricht is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 4 maart 2020 van rechtbank Limburg met ingang van 8 maart 2020 tot 8 maart

  1. Bij deze beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 8 maart
  2. Het verzoek en het verweer De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarnaast verzoekt de GI machtiging te verlenen tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs voor de duur van een jaar. De GI stelt hiertoe dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat hulp in het gedwongen kader nog steeds noodzakelijk is. De lichamelijke ontwikkeling en psychiatrische problematiek van [minderjarige] heeft nog aandacht nodig. [minderjarige] houdt zich niet aan de korte slaapmomenten die zij overdag nodig heeft. Zij kan hiervoor medicatie krijgen, maar de vader geeft daar geen toestemming voor. [minderjarige] zou een onderzoek bij Kempenhaeghe krijgen, maar daar is zij niet naar toe gegaan. De zorg voor haar psychiatrisch welbevinden en de invloed vanuit haar diagnoses karaplexie en narcolepsie dienen gevolgd te worden. [minderjarige] heeft tot voor kort bij de pleegmoeder/oma gewoond die haar structuur en duidelijkheid bood. De pleegmoeder heeft op 3 november 2020 laten weten aan de GI en de pleegzorginstantie de zorg voor [minderjarige] niet langer meer op zich te willen nemen. De GI heeft, na raadpleging met de raad, [minderjarige] bij de moeder geplaatst in afwachting van een plaatsing in een groep met doorstroom naar zelfstandigheid. Sinds [minderjarige] bij de moeder woont, is weer sprake van schoolverzuim. [minderjarige] en de moeder zijn niet bereikbaar voor school. Daarnaast heeft [minderjarige] aangegeven dat zij zichzelf gesneden heeft in haar bovenbeen omdat ze niet lekker in haar vel zat. Ze rookt wiet ter ontspanning. Er zal nu gekeken moeten worden naar een goede woonplek voor [minderjarige] . Bij Tobas heeft een intake plaatsgevonden, maar vervolgens heeft Tobas aangegeven dat [minderjarige] daar niet geplaatst kan worden. [minderjarige] heeft een buddy vanuit Columbus, met wie ze dingen bespreekt. Gezien wordt dat de zorgen rondom trauma, gevoelens en emoties steeds groter worden en dat [minderjarige] haar ziekte niet serieus neemt. De GI gaat met de behandelend arts bespreken of medicatie mogelijk is. Er wordt nu gekeken wat ze verder nodig heeft om te groeien tot een evenwichtige volwassene. Ter zitting handhaaft de GI het verzoek. Het is belangrijk dat [minderjarige] onderzocht wordt voor haar problematiek. Eerder was een afspraak gepland bij Kempenhaeghe, maar deze is niet doorgegaan omdat de moeder niet wilde dat [minderjarige] daar een nacht zou blijven. Ook dient zij voor onderzoek naar het MUMC te gaan, maar het is nog niet gelukt om afspraken te maken, ook omdat Kempenhaeghe en het MUMC naar elkaar blijven wijzen. Desgevraagd erkent de GI dat zij in deze het initiatief moet nemen en dat nog niet heeft gedaan. De huidige Covid-19 pandamie speelt daarin mede een rol. Ook zal [minderjarige] gesprekken gaan krijgen bij Zuyderland of Mondriaan in verband met het krassen. Voor de gezinsvoogdijwerkster is het heel lastig in contact te komen met [minderjarige] . De gezinsvoogdijwerkster weet dat [minderjarige] wiet gebruikt en dat zij dit krijgt van vrienden, maar [minderjarige] heeft niet verteld dat de dealers in huis komen. Zorgelijk is dat [minderjarige] niet meer naar school gaat. Er is een afspraak met school gemaakt om te bezien wat nog mogelijk is op school en om te voorkomen dat ze volgend jaar moet starten op MBO entree. Een plaatsing bij Tobas is niet gelukt en er wordt nu, na overleg met de gedragswetenschapper, gekeken of Levanto haar wil opnemen. De moeder heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek. Zij refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder wil dat [minderjarige] kort bij huis geplaatst wordt. De advocaat heeft zich namens de vader gerefereerd. De vader vindt de situatie waarin [minderjarige] verkeert geen goede situatie en hij is van mening dat het alleen maar slechter zal gaan. De vader zal meewerken als [minderjarige] medicatie nodig heeft. De begeleidster van [minderjarige] , mevrouw [naam begeleidster] , heeft een tot twee keer per week gesprekken met [minderjarige] . Zij is met [minderjarige] op 5 december 2018 naar het MUMC geweest, maar een vervolgafspraak bij de neuroloog is niet doorgegaan omdat [minderjarige] niet naar Kempenhaeghe is geweest. Deze begeleidster heeft contact met de GI en heeft erop aangedrongen dat [minderjarige] meer hulp krijgt op psychiatrisch vlak, maar de hulp stagneert. De mening van [minderjarige] De minderjarige [minderjarige] is door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is, op haar verzoek in aanwezigheid van de begeleidster van Columbus, apart gehoord. Ter zitting heeft de kinderrechter een kort verslag van het gesprek met [minderjarige] aan de aanwezigen voorgehouden waarop een ieder heeft kunnen reageren. verblijft nu bij haar moeder, omdat haar oma niet meer voor haar kon zorgen. Oma had veel zorgen om [minderjarige] , maar kon vanwege haar werk niet ervoor zorgen dat [minderjarige] naar school ging. Ze mist oma en haar zus, die wel nog bij oma woont. vindt het goed om ergens anders te gaan wonen, als het maar niet te ver weg van de moeder is. [minderjarige] gaat nog steeds niet naar school. Ze droomt veel waardoor ze niet goed kan slapen. Ze gebruikt nu wiet wat een beetje helpt om beter te kunnen slapen. De wiet koopt [minderjarige] bij dealers die in huis komen voor haar broer. [minderjarige] weet dat dit niet goed voor haar is, maar volgens haar kan ze daar gewoon mee stoppen. [minderjarige] staat niet meer onder behandeling van een arts voor haar narcolepsie en kataplexie. Volgens [minderjarige] is zij niet naar Kempenhaeghe geweest, omdat er geen vervoer was. De beoordeling Verlenging ondertoezichtstelling Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan. Uit artikel 1:255 lid 1 BW volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders of ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, omdat: [minderjarige] aan narcolepsie en kataplexie lijdt. Zij heeft hiervoor behandeling nodig, maar die komt niet van de grond. Zij heeft al heel lang geen medische zorg hiervoor en er is daarom geen zicht op de gezondheid van [minderjarige] ; [minderjarige] al geruime tijd niet of nauwelijks naar school gaat. Kennelijk lukt het niemand om [minderjarige] hiervoor te motiveren. Uit de stukken blijkt dat zij de nodige capaciteiten heeft en meer aankan dan zij tot op heden laat zien, maar dat zij vanwege ernstig schoolverzuim waarschijnlijk haar diploma niet haalt en volgend schooljaar op een nog lager niveau, namelijk MBO entree, moet starten. [minderjarige] regelmatig wiet gebruikt. Zij heeft, kennelijk via haar broer, contacten met dealers die bij haar thuis aan de deur komen. [minderjarige] bekrast zichzelf. Vast staat dat de ouders niet op eigen kracht en zelfstandig de noodzakelijke hulp voor [minderjarige] kunnen organiseren. Dat zou betekenen dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Echter, de kinderrechter overweegt het volgende: Uit de stukken blijkt dat de GI en de raad van mening zijn dat wonen bij de ouders niet haalbaar is. Gebleken is ook dat door de GI niet wordt ingezet op thuisplaatsing. Daarom is de verwachting niet gerechtvaardigd dat de gezaghebbende ouders van [minderjarige] in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Daarmee wordt dus niet voldaan aan artikel 1:255, lid 1 en onder b BW. Het belang van [minderjarige] verzet zich op dit moment echter tegen een beëindiging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt dat het dringend noodzakelijk is dat door de GI op zeer korte termijn stappen worden gezet om de nodige medische hulp in te schakelen. Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat [minderjarige] het afgelopen jaar geen medische zorg heeft gehad. In de beschikking van 4 maart 2020 valt te lezen dat een afspraak nodig is bij onderzoekscentrum Kempenhaeghe te Heeze en dat medicatie nodig is zodat [minderjarige] kan functioneren en niet in slaap valt, maar daarvan is niets terecht gekomen. Sterker nog, de GI heeft in dat kader niets gedaan. Daarnaast is gebleken dat de in voormelde beschikking door de GI benoemde zorgen over de schoolprestaties en schoolgang van [minderjarige] flink zijn toegenomen. Het lijkt erop dat de GI niet doortastend handelt en accepteert dat [minderjarige] naar een lager niveau wordt gezet, terwijl zij zeker capaciteiten heeft. Onduidelijk is gebleven wat de GI nu werkelijk heeft ondernomen in het kader van de tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling om te komen tot verbetering van de situatie van [minderjarige] , zulks terwijl de begeleidster van Columbus toch duidelijk aan de bel heeft getrokken en bij de GI erop heeft aangedrongen ook psychologische hulp voor [minderjarige] in te schakelen. Dit leidt tot het oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling nu noodzakelijk is. De vraag is echter voor welke termijn: de kinderrechter wil de vinger aan de pols houden en erop toezien dat de GI haast maakt met het inzetten van noodzakelijke medische en psychologische hulp voor [minderjarige] en met het bevorderen van de schoolgang van [minderjarige] ; de ondertoezichtstelling van [minderjarige] duurt, vanaf 2007 met een onderbreking van een jaar, al meer dan twaalf jaar en het is de vraag of een ondertoezichtstelling nog recht doet aan de situatie van [minderjarige] en aan haar behoeften of dat een verderstrekkende maatregel noodzakelijk is. Dit alles leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor een periode van zes maanden, onder aanhouding van de beslissing ten aanzien van de resterende termijn. In deze periode dient de GI in de eerste plaats voormelde hulp voor [minderjarige] in te schakelen en het nodige te doen ter bevordering van de schoolgang van [minderjarige] . Op de tweede plaats dient de GI voortvarend stappen te ondernemen in het beoordelen van de vraag of een verder strekkende maatregel noodzakelijk is. Machtiging uithuisplaatsing Op grond van artikel 1 :265b BW kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Gelet op de hiervoor vermelde ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding nu zij niet meer bij de oma woont en duidelijk is dat haar verblijf bij de moeder niet in haar belang is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van de beslissing ten aanzien van de resterende termijn. Er zal binnen voormelde termijn een nieuwe mondelinge behandeling worden bepaald, waarvoor de belanghebbenden zullen worden opgeroepen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij een schriftelijk verslag van de voortgang van de hulp aan [minderjarige] overlegt uiterlijk twee weken voor deze mondelinge behandeling. De beslissing De kinderrechter: verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , met ingang van 8 maart 2021 tot 8 september 2021; verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voornoemd in een accommodatie zorgaanbieder 24 uurs met ingang van 8 maart 2021 tot 8 september 2021; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 februari
  3. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof's-Hertogenbosch

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.