RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB/ROE 20/1962, AWB/ROE 20/1963, AWB/ROE 20/3242 en AWB/ROE 20/3243 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen 1 [naam BV 1] ., 2. [naam BV 2] , 3. [naam BV 3] , 4. [naam BV 4] ., allen gevestigd te Roermond, (afzonderlijk te noemen eiseres: 1, 2, 3 of 4, allen te samen te noemen: eiseressen) (gemachtigde: mr. F.J.H.M. Berndsen), en de Burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder (gemachtigde: mr. M.G.G. van Nisselroij). Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2020 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de door eiseres 1 aangevraagde exploitatievergunning ten behoeve van de exploitatie van saunaclub [naam saunaclub] geweigerd. Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard en de bezwaren van eiseressen 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft verweerder de motivering aangevuld. Bij besluit van 19 februari 2020 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de eerder op 9 december 2015 aan eiseres 2 verleende exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning ten behoeve van de exploitatie van saunaclub [naam saunaclub] ingetrokken. Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 2 tegen dit primaire besluit ongegrond verklaard en de bezwaren van eiseressen 1, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft, achter gesloten deuren, plaatsgevonden op 7 januari 2021. Namens eiseressen zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde en mr. M. Van Helmond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. Verburg. Overwegingen Waar gaat deze uitspraak over? 1. Naar aanleiding van een zogenoemd Bibob advies (en een aanvulling hierop) opgesteld door het Landelijk Bureau Bibob (LBB) heeft verweerder besloten een aanvraag van eiseres 1 ter verkrijging van een exploitatievergunning te weigeren. Tevens heeft verweerder op grond hiervan besloten de eerder aan eiseres 2 verleende exploitatie- en drank en horecavergunningen in te trekken. Eiseressen zijn het hier niet mee eens en hebben daarom beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening. 2. Na afloop van de zitting inzake de voorlopige voorziening is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken in beroep. De voorzieningenrechter doet in de huidige uitspraak daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen. 3. De voorzieningenrechter merkt in dit kader nog op dat eiseressen bij monde van hun gemachtigde hebben verzocht in de uitspraak geen gegevens op te nemen die afkomstig zijn uit de Bibob adviezen. Ter zitting is besproken dat dit onmogelijk is, aangezien dit, gelet op de beroepsgronden, zou leiden tot een onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde uitspraak. De voorzieningenrechter zal gelet op het bepaalde in artikel 28 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) echter zo veel mogelijk terughoudendheid betrachten bij het weergeven van deze gegevens. Feiten en omstandigheden 4.Saunaclub [naam saunaclub] is gevestigd op een landgoed, gelegen aan de [adres] . Dit landgoed is eigendom van eiseres 3. Eiseres 3 is tevens de overkoepelende B.V. van de overige eiseressen. Eiseres 1 exploiteert de relaxkamers die zich in de club bevinden. Eiseres 2 exploiteert het horecagedeelte en eiseres 4 het saunagedeelte. 5. Aan eiseres 1 was een exploitatievergunning verleend van 16 maart 2016 tot 16 maart 2018. Op 29 september 2017 heeft eiseres 1 een nieuwe exploitatievergunning aangevraagd. Naar aanleiding van de op dat moment ter beschikking staande gegevens heeft verweerder op 1 mei 2018 advies gevraagd bij het LBB. Op 11 oktober 2018 heeft het LBB advies uitgebracht. Op 25 oktober 2019 heeft verweerder om een aanvullend advies aan het LBB gevraagd. Op 24 december 2019 heeft het LBB dit advies gegeven. Deze adviezen hebben geleid tot weigering van de gevraagde vergunning. 6. De exploitatie- en drank en horecavergunningen ten behoeve van eiseres 2 zijn op 9 december 2015 verleend. Gelet op de inhoud van het aanvullend advies van 24 december 2019 van het LBB heeft verweerder hierin aanleiding gezien de bestaande vergunningen in te trekken. Standpunten partijen 7. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag voor een exploitatievergunning van eiseres 1 afgewezen, onder verwijzing naar de adviezen van het LLB, omdat het LBB tot het oordeel is gekomen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b (de zogenoemde b-grond) van de Wet Bibob. 7.1. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd, met dien verstande dat als subsidiaire afwijzingsgrond is opgevoerd dat eiseres 1 niet voldoet aan alle gedragseisen zoals vastgelegd in artikel 3:5 van de APV van de gemeente Roermond. 8. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder, eveneens onder verwijzing naar de adviezen van het LBB, besloten de eerder aan eiseres 2 verleende exploitatie- en drank en horecavergunningen in te trekken, omdat uit het advies van 24 december 2019 volgt dat er sprake is van een samenwerking tussen (de bestuurder van) eiseres 2 en de (indirect) bestuurder van eiseres 1 bij de exploitatie van de saunaclub. Hieruit wordt afgeleid dat er een ernstig gevaar bestaat dat ook de aan eiseres 2 verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 8.1. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen 1, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft verweerder ook hier zijn standpunt gehandhaafd. 9. Eiseressen zijn het hier niet mee eens. Zij menen om te beginnen dat alle eiseressen in beide procedures als belanghebbenden aangemerkt moeten worden. 9.1. Daarnaast hebben zij (kort samengevat) aangevoerd dat de inhoud van de Bibob adviezen feitelijk onjuist is, omdat hierin ten onrechte wordt geconcludeerd dat er strafbare feiten / opzetdelicten zijn gepleegd door de (indirecte) bestuurders van eiseres 1 en 2. Door toch van de adviezen uit te gaan heeft verweerder zijn vergewisplicht geschonden. Dit klemt te meer nu verweerder volgens eiseressen een verzwaarde vergewisplicht heeft, omdat de bestuurders niet strafrechtelijk zijn veroordeeld. Volgens eiseressen is ook niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. Eiseressen hebben in dit kader gewezen op de door eiseressen 1 en 2 uitgevoerde “compliance maatregelen” en het tijdsverloop tussen de beweerdelijke strafbare feiten en de datum van de besluiten. Ook menen zij dat uit de door het LBB geciteerde passages uit de processen-verbaal (met name uit een daarin uitgeschreven telefoontap) blijkt dat geen sprake was van opzet bij [naam 2] en/of [naam 1] . Zij hebben slechts te goeder trouw een langdurige zakenrelatie geholpen. 9.2. Ten aanzien van het bestreden besluit 1 (de weigering) hebben eiseressen nog aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluiten ten onrechte artikel 3.5, derde en vijfde lid van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Roermond als aanvullende weigeringsgronden heeft opgevoerd. Beoordeling beroepsgronden Belanghebbendheid 10. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief, actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 11. In de onderhavige zaken gaat het in beide procedures om persoonsgebonden vergunningen. Dit betekent dat eiseres 1 zonder meer als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de procedure inzake de weigering en eiseres 2 zonder meer bij de procedure inzake de intrekkingen. 12. Ten aanzien van de vraag of ook de overige eiseressen in de respectievelijke procedures als zodanig kunnen worden aangemerkt, overweegt de voorzieningenrechter dat uit de “conclusie van Widdershoven” van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3474) waar eiseressen naar hebben verwezen, volgt dat onder bepaalde omstandigheden ook diegene die als gevolg van een besluit wordt geraakt in een zakelijk recht als belanghebbende kan worden aangemerkt. 13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseressen 1, 2 en 4 geen zakelijke recht hebben, zoals door Widdershoven bedoeld. Eiseressen exploiteren allemaal ondernemingen in hetzelfde pand. Hierdoor is het niet onaannemelijk dat zij financieel nadeel ondervinden door teruglopende klandizie als eiseres 1 en 2 geen activiteiten meer kunnen ontplooien door het ontbreken van een vergunning. Het proberen te voorkomen / beperken van financieel nadeel door teruglopende omzet door minder klanten bij “de buren”, is echter geen zakelijk recht als hier bedoeld. 14. Ten aanzien van eiseres 3 is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij -als eigenaresse/verhuurster van het pand waarin de ondernemingen van eiseres 1 en 2 zijn gevestigd- wel een zakelijk recht heeft. Gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:269) is een zakelijk recht van een verhuurder echter niet voldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt, als dit niet rechtsreeks tot gevolg heeft dat het pand niet meer verhuurd kan worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres 3 niet heeft aangetoond dat zij het pand niet langer kan verhuren. De enkele stelling dat het pand/perceel volledig is ingericht voor verhuur als saunaclub en daardoor moeilijk aan anderen of voor iets anders is te verhuren, is daartoe onvoldoende. 15. Op grond van voorgaande overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder: - bij het bestreden besluit 1 de bezwaren van eiseressen 2, 3 en 4 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard; - bij het bestreden besluit 2 de bezwaren van eiseressen 1, 3 en 4, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De inhoudelijke beroepsgronden 16. Waar in het onderstaande over “eiseressen” wordt gesproken, wordt gelet op rechtsoverweging 15 alleen nog bedoeld: eiseres 1 en 2. Toetsingskader 17. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het volgende toetsingskader van belang: 18. In artikel 3, eerste lid, van Wet Bibob -zoals die luidde ten tijde van de bestreden besluiten- is bepaald dat voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de zogenoemde a-grond), of b. strafbare feiten te plegen (de zogenoemde b-grond). 18.1. In de onderhavige zaken is (alleen) de b-grond opgevoerd. Op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 3, van de Web Bibob wordt ten aanzien van de b-grond de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. 18.2. In het vierde lid van artikel 3, van de Wet Bibob is -voor zover van belang- bepaald dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. 18.3. In het vijfde lid is bepaald dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. 19. Op grond van vaste jurisprudentie (zie onder andere ECLI:NL:RVS:2010:BO4230) mag verweerder bij de beoordeling of sprake is van de b-grond afgaan op de expertise van het LBB. Dit neemt niet weg dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2045). De (juistheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.