RECHTBANK LIMBURG Familie en jeugd Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/287302 / JE RK 21-73 Datum uitspraak: 27 januari 2021 Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van: de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad, betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , wonend in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de raad van 14 januari 2021, ingekomen bij de griffie op 14 januari 2021; een brief van de raad van 20 januari 2021, ingekomen bij de griffie op 21 januari 2021 met als bijlage het verleningsbesluit van [minderjarige] van de gemeente Maastricht van 14 januari 2021. Op de zitting van 27 januari 2021 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld, waar zijn verschenen: - de moeder, bijgestaan door een tolk in de Turkse taal; een vertegenwoordiger van de raad; twee vertegenwoordigsters van de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ( hierna te noemen de GI). 2De feiten 2.1 De moeder oefent van rechtswege eenhoofdig het gezag over [minderjarige] uit. 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 oktober 2020 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van drie maanden. De voorlopige voogdij is van rechtswege afgelopen op 15 januari 2021. Sinds 15 oktober 2020 verblijft [minderjarige] in een crisispleeggezin. 3De verzoeken en het verweer 3.1 De raad heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te spreken voor een periode van een jaar en de GI een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden. Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de raad het navolgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. [minderjarige] is slechts een paar maanden oud is. Er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Ze groeit op bij een moeder met psychische problemen. Er zijn vermoedens van huiselijk geweld en drugsgebruik door de moeder en haar partner, de heer [de biologische vader] (hierna te noemen: de biologische vader). Ook zou sprake zijn van onderdrukking van de moeder door de biologische vader en (gedwongen) prostitutiewerk en financiële uitbuiting van de moeder. De moeder heeft meerdere malen aan verschillende instanties aangegeven onderdrukt te worden, geslagen te worden en gedwongen te werken in sekshuizen. De moeder laat ambivalent en tegenstrijdig gedrag zien door op andere momenten aan te geven dat de door haar eerder geuite verhalen niet kloppen. Moeder doet uitspraken over een verhuizing met [minderjarige] naar Bulgarije, maar komt door later op terug en woont inmiddels weer bij de biologische vader. De raad vreest dat de moeder vanwege haar kwetsbaarheid onvoldoende in staat is om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen op momenten van toenemende stress en/of in onvoorspelbare situaties. Ook heeft de moeder [minderjarige] niet kunnen beschermen tegen huiselijk geweld door de biologische vader. Daarnaast lijkt zij nog onvoldoende in staat om aan te kunnen sluiten op de behoeften van [minderjarige] . De moeder herkent de zorgen niet van de raad. Ze toont onvoldoende bereidheid en weerstand om mee te werken aan de noodzakelijk geachte hulpverlening. Hoewel de moeder een eerste stap heeft gezet en contact heeft opgenomen met Mondriaan, toont de moeder nog onvoldoende bereidheid om openheid te geven over haar problematiek en drugsgebruik. Ook bestaat er nog onvoldoende zicht op haar opvoedvaardigheden. De raad acht het daarnaast noodzakelijk dat er zicht gaat komen op de positie van de biologische vader in relatie tot de moeder en [minderjarige] , over zijn eigen emotieregulatie problematiek, zijn middelengebruik en zijn invloed op het leven van de moeder Voorts acht de raad moeder onvoldoende in staat is om in de zorg voor [minderjarige] te voorzien. Zij maakt niet de keuze om voor haar eigen veiligheid en die van [minderjarige] te kiezen. Er dient binnen redelijke termijn duidelijkheid te komen over het perspectief van [minderjarige] en de mogelijkheden van de moeder om in de zorg van [minderjarige] te voorzien. Door de onveilige thuissituatie en opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de moeder dient [minderjarige] uit huis te worden geplaatst. 3.3 De moeder gaat niet akkoord met de verzoeken van de raad. Zij ontkent het drugsgebruik (door beide ouders), het huiselijk geweld en dat de moeder zich zou moeten prostitueren. De moeder is van mening dat zij en de biologische vader goed in staat zijn om zelf voor [minderjarige] te zorgen. De moeder geeft desgevraagd aan dat de verhalen van de raad niet kloppen en dat deze door de hulpverleners zijn verzonnen. Ze is gelukkig met de biologische vader en wil weer samen met hem voor [minderjarige] gaan zorgen. 3.4 De GI geeft als informant het volgende aan. De moeder doet haar best in de contacten met [minderjarige] maar ze moet meer met [minderjarige] bezig zijn en tijdens de contacten met haar niet met haar verzet tegen de raad en de instanties. We kijken in de contacten ook goed naar de leerbaarheid van de moeder. We zijn ook een keer bij de ouders thuis geweest: de vader was in het contact met ons netjes en wilde een goed beeld presenteren. 4De beoordeling De rechtsmacht en het toepasselijke recht Aangezien de moeder en [minderjarige] de Bulgaarse nationaliteit hebben, dient de kinderrechter, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te kunnen komen, eerst de vraag te beantwoorden of hij als Nederlandse rechter in internationale zin bevoegd is kennis te nemen van de door de raad ingediende verzoeken en zo ja, welk rechtsstelsel alsdan op de verzoeken van toepassing is. De kinderrechter overweegt als volgt. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in deze zaak verzochte ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Op grond van artikel 8, lid 1 Brussel II-bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij het gerecht. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, zoals uit het onderzoek van de raad naar voren komt en ook uit de verklaring van de moeder, acht de kinderrechter zich bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen. Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, zal de kinderrechter als Nederlandse rechter het Nederlandse recht toepassen op de beoordeling van de verzoeken. Het verzoek tot ondertoezichtstelling Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.