RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/287032 / JE RK 21-12 Datum uitspraak: 22 januari 2021 Beschikking ondertoezichtstelling in de zaak van: DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost-Nederland, gevestigd te Maastricht, hierna te noemen: de raad betreffende [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] , en [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 4] , en [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 5] , en [minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum 6] in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen: [minderjarige 6] , hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, beiden wonend in [woonplaats] , samen hierna ook te noemen: de ouders, advocaat: mr. J.G. van Ek, kantoorhoudend in Heerlen. 1Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek met bijlagen van de raad van 4 januari 2021, ingekomen bij de griffie op 6 januari 2021; - de wijziging van het verzoek van de raad van 12 januari 2021 ten aanzien van de GI, ingekomen op de griffie op 13 januari 2021. Op 22 januari 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaat; een tolk voor de ouders; een vertegenwoordigster van de raad; Wel opgeroepen maar niet verschenen zijn: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] . 2De feiten 2.1. Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] wonen bij hun ouders. 3Het verzoek en het verweer 3.1. De raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] voor de duur van twaalf maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Op dit moment groeien de minderjarigen zodanig op dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van een verwaarlozende opvoedsituatie waarin de ouders vanuit hun eigen beperkingen onmachtig zijn om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. De kinderen worden niet adequaat gestimuleerd in hun ontwikkeling omdat de ouders hen niet aanmoedigen en begeleiden. De kinderen worstelen mogelijk met het opgroeien in twee verschillende culturen. Ondanks dat de ouders het beste voor hebben met de kinderen, worden de ouders in beslag genomen door volwassenenproblematiek en hebben zij last van de culturele verschillen tussen hun land van herkomst en Nederland. Op dit moment loopt er een ontruimingsprocedure en dreigt er een uithuiszetting omdat het gezin voor overlast zorgt in de buurt en zij zich niet houden aan de afspraken met de woningbouwvereniging. De ouders lijken voorts niet in staat om basale taken in hun leven geregeld te krijgen. De moeder heeft last van een psychiatrische aandoening en de vader wordt overvraagd. Er zijn signalen dat er sprake is van huiselijk geweld tussen de ouders onderling en van de ouders naar de kinderen. Verder is de woonsituatie van het gezin onhygiënisch en chaotisch en onder de maat om kinderen in te laten opgroeien. De kinderen hebben weinig contact met andere kinderen, omdat ze vanuit hun omgeving negatieve reacties krijgen op hun uiterlijke verzorging. De kinderen laten voorts ieder op zichzelf staande bedreiging in hun ontwikkeling zien die mogelijk te herleiden is tot kindeigen problematiek. De zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van die bedreiging wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De ouders zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zij erkennen de problematiek niet en geven om die reden ook geen inzicht in de opvoedsituatie. Ouders ervaren juist de betrokken hulpverlening als het probleem waardoor ze hen letterlijk niet binnenlaten als het over de ontwikkeling van de kinderen gaat. Ze ervaren alleen maar last van de instanties die hen proberen te helpen. Alle tot nu ingezette en gespecialiseerde hulp heeft geen effect. Ouders zeggen geen probleem te hebben, benoemen alleen de praktische problemen, waarbij verdere ondersteuning ter ontwikkeling wordt afgewezen. Gezien de vele reeds ingezette hulpverlening dient er een ondertoezichtstelling te komen die de regie gaat voeren. 3.2. De ouders ontkennen de door de raad geuite problematiek. De ouders doen hun best maar doen dat vanuit hun Somalische achtergrond en maatstaven die voor hen normaal zijn. Er is sprake van een hecht gezin. Voor de ouders is (de veiligheid van) het gezin het allerbelangrijkste. De ouders staan wel open voor hulpverlening maar vinden dat er nu teveel hulpverleners betrokken zijn bij het gezin. De ouders erkennen dat er sprake is van een ontruimingsprocedure en weten dat de kans bestaat dat zij de woning kwijtraken. Dat zou funest zijn voor het gezin. Ze hopen dat de uitzetting nog voorkomen kan worden. Omdat er nog veel moet gebeuren binnen het gezin gaan de ouders akkoord met het verzoek van de raad. 4De beoordeling 4.1 De rechtsmacht en het toepasselijke recht Aangezien de ouders en de kinderen de Somalische nationaliteit hebben, dient de kinderrechter, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te kunnen komen, eerst de vraag te beantwoorden of zij als Nederlandse rechter in internationale zin bevoegd is kennis te nemen van het door de raad ingediende verzoekschrift en zo ja, welk rechtsstelsel alsdan op het verzoek van toepassing is. De kinderrechter overweegt als volgt. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in deze zaak verzochte ondertoezichtstelling dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Op grond van artikel 8, lid 1 Brussel II-bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij het gerecht. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, zal de kinderrechter als Nederlandse rechter het Nederlandse recht toepassen op de beoordeling van het verzoek. 4.2 De ondertoezichtstelling Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.