RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer: 03/659176-18 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1974, wonende te [adres] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.F.Th.M. Heutink, advocaat kantoorhoudende te Gennep. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 februari
(2013)ook geen sprake van gokproblemen of het plegen van delicten. Er zijn daarmee onvoldoende aanwijzingen voor het bestaan van een verband tussen gebruik van gabapentine en oxycodon en het ten laste gelegde. Concluderend zien onderzoekers geen redenen om het ten laste gelegde niet of verminderd toe te rekenen. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en het daarin vervatte advies tot de conclusie dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. De verdachte was ten tijde van het plegen van het aan hem tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de verdachte strafbaar is. 6De straf en/of de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte en een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Gelet op het maatschappelijk belang, de omvang van de gokverslaving, de hoogte van het verduisterde bedrag en de vertrouwenspositie die verdachte bezat, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde zijn. De officier van justitie zal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf vorderen, nu de verdachte nog steeds nadeel van zijn handelen ondervindt. De reclassering heeft weliswaar gerapporteerd dat een taakstraf niet geïndiceerd is, maar de reclassering is kundig in het vinden van een passend traject voor de verdachte. De officier van justitie heeft, ondanks het feit dat er geen recidivegevaar is, tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, nu sprake is van een ernstig feit en er gezien zijn justitiële documentatie een stok achter de deur dient te zijn om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht aan de verdachte naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een lagere dan wel geen taakstraf op te leggen, gelet op hetgeen de reclassering heeft geadviseerd. De raadsman acht de eis van de officier van justitie niet passend, nu geen sprake is van de strafverzwarende omstandigheid dat de verduistering in persoonlijke dienstbetrekking heeft plaatsgevonden en de richtlijnen van het openbaar ministerie een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden vermelden. De verdachte wil graag iets bijdragen aan de samenleving, maar de taakstraf dient, gelet op het advies van de reclassering, te passen binnen de mogelijkheden van de verdachte. De verdachte kan als ervaringsdeskundige voordrachten houden, en doet dat ook al. Indien de rechtbank de verdachte veroordeelt tot het verrichten van een taakstraf, dient de duur van het voorarrest in mindering te worden gebracht. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het keer op keer verduisteren van geldbedragen die hij als penningmeester van een stichting onder zich had. Het totaalbedrag betrof € 47.037,
- Door zijn handelen heeft de verdachte [benadeelde] financieel fors benadeeld. Bovendien heeft hij zijn positie als penningmeester ernstig misbruikt en het in hem als penningmeester en bestuurslid van [benadeelde] gestelde vertrouwen beschaamd. Kennelijk handelde de verdachte puur uit eigen financieel gewin door het geld aan te wenden om in zijn gokverslaving te voorzien. De verdachte heeft geen rekening en verantwoording afgelegd over de administratie en het beheer over de gelden die hij onder zich had en heeft ook ter terechtzitting niet werkelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij zegt wel ‘dat hij verantwoordelijkheid neemt’ maar hij beroept zich ook op geheugenzwakte waardoor hij zegt zich er maar weinig van te herinneren. Voor de vrijwilligers die nu [benadeelde] draaiende houden en met de gevolgen geconfronteerd worden, is de houding van de verdachte zeer onbevredigend. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het over de verdachte opgemaakt strafblad d.d. 25 november
- Daaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank acht de gevorderde strafmodaliteiten van de officier van justitie passend. Alhoewel de ernst van het feit een gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank – indachtig het advies van de reclassering – geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank heeft bovendien in enige mate rekening gehouden met de beperkingen die de reclassering met betrekking tot de taakstraf in haar advies heeft weergegeven. Gelet hierop en het voorgaande, zal de rechtbank een taakstraf van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren opleggen. De rechtbank acht deze proeftijd passend omdat de verdachte mogelijk weer in de verleiding zal komen om aan zijn gokverslaving toe te geven, met mogelijk nadelige gevolgen voor anderen. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij [naam aangeefster] heeft namens [benadeelde] een schadevergoeding gevorderd van € 60.048,55 ter zake van materiële schade, bestaande uit de posten verduisterde geldbedragen (€ 47.722,81), accountantkosten (€ 4.986,00), uitbetaald vakantiegeld (€ 5.000,00) en diverse aankopen (€ 2.339,47), vermeerderd met de wettelijke rente. Bij toewijzing van enig bedrag verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 53.023,09, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van het bedrag dat verduisterd is van € 47.037,09 en heeft zij rekening gehouden met de accountantskosten van € 4.986,
- Over het uitbetaalde vakantiegeld en de aankopen van diverse goederen heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze kosten geen rechtstreekse schade door het tenlastegelegde feit betreffen. Naar deze kosten is geen onderzoek verricht en niet kan worden vastgesteld dat de goederen bij de verdachte zijn terechtgekomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor het toe te wijzen bedrag. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het is de vraag waarom er onderzoek door een accountant is gedaan, omdat er reeds door de politie onderzoek is gedaan. Ook is er geen enkele onderbouwing voor de aangekochte goederen. Bij de civiele rechter kan bovendien verweer worden gevoerd over de eigen schuld van [benadeelde] , nu het bestuur van [benadeelde] toerekenbaar tekort is geschoten door het optreden van de verdachte als penningmeester jarenlang niet te controleren. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De aan de verdachte ten laste gelegde verduistering van geldbedragen is bewezen verklaard. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van dat bewezenverklaarde strafbare feit materiële schade heeft geleden, namelijk het verduisterde bedrag ad € 47.722,
- Alhoewel de hoogte van dit bedrag afwijkt van hetgeen strafrechtelijk is bewezen, heeft de benadeelde partij de hoogte van dit schadebedrag als gevolg van de verduistering onderbouwd en is de hoogte van dit bedrag niet door of namens de verdachte betwist. Deze schade is het rechtstreeks gevolg van dit strafbare feit. De benadeelde partij is dan ook in zoverre ontvankelijk in haar vordering. Dat mogelijk sprake zou zijn van eigen schuld van [benadeelde] is geenszins aannemelijk geworden, nu alleen de verdachte gelden heeft verduisterd en juist hij verantwoordelijk was voor de rekeningen. Er zijn verder geen feiten gesteld of gebleken die, indien ze vast zouden komen te staan, met zich zouden brengen dat [benadeelde] eigen schuld heeft. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor wat betreft het bedrag dat verduisterd is, zijnde € 47.722,81, kan worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Waar het betreft de kosten van de accountant is namens de verdachte betwist dat de kosten van de accountant (uitsluitend) zien op het onderzoek naar aanleiding van het schadeveroorzakend handelen van de verdachte. Uit de ter terechtzitting overgelegde factuur blijkt niet eenduidig waar de accountantskosten op zien. Daarnaar verder onderzoek doen zou het strafproces onevenredig belasten. Van de overige schadeposten, zoals die betreffende de aanschaf van goederen en het uitkeren van een vergoeding aan bestuurders, is gesteld noch gebleken dat deze rechtstreekse schade betreffen door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 47.722,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 12 augustus
- De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden; bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen; - beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 47.722,81, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 12 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde], van € 47.722,81, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 12 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 273 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen; Voorlopige hechtenis - heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. M.G.J.M. van der Staak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart
- Buiten staat Mrs. R. Verkijk en M.G.J.M. van der Staak zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
- hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 augustus 2016 tot en met 13 april 2018 in de gemeente Venray, telkens opzettelijk, een geldbedrag (tot in totaal ongeveer 47.000 euro), in elk geval telkens enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte als penningmeester van die [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer 2018046119, gesloten d.d. 13 juni 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
- Proces-verbaal van aangifte van [naam aangeefster] namens [benadeelde] d.d. 5 april 2018, pagina 14-
- Proces-verbaal Onderzoek naar PSP’s d.d. 13 juni 2018, pagina 33-
- Proces-verbaal Bankanalyse bankrekeningen [verdachte] d.d. 20 april 2018, pagina
- Proces-verbaal Bankanalyse bankrekeningen [benadeelde] d.d. 8 mei 2018, pagina 41-47.