RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8334547 CV EXPL 20-778 Vonnis van de kantonrechter van 17 maart 2021 in de zaak van: de coöperatie COӦPERATIE BUDGETBEHEER NEDERLAND U.A., gevestigd te Vianen, eisende partij, gemachtigde: I.C.S. Feringa, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, procederend in persoon. Partijen worden Budetbeheer en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord met de overgelegde producties de conclusie van repliek met producties het vonnis van 8 juli 2020 waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 5 augustus 2020 voor dupliek. 1.2 Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen. Ook heeft hij geen uitstel gevraagd. 1.3 Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben op 7 februari 2019 een overeenkomst ondertekend waarbij Budgetbeheer de verplichting op zich heeft genomen om de inkomsten en uitgaven van [gedaagde] te beheren tegen een eenmalige vergoeding van € 429,95 en een (periodieke) vergoeding van € 89,95 per maand, exclusief eventueel meerwerk. 2.
- [gedaagde] heeft een aantal facturen van in totaal € 1.059,60 onbetaald gelaten. [gedaagde] heeft op 22 februari 2019 € 50,- voldaan, waardoor de hoofdsom € 1009,69 bedraagt. 2.
- Bij brief van 23 september 2019 heeft Budgetbeheer de overeenkomst beëindigd omdat [gedaagde] zijn gehele salaris had opgenomen, ondanks het feit dat hij leefgeld ontving. 2.
- Bij brief van 30 september 2019 heeft Budgetbeheer [gedaagde] gesommeerd om € 1.009,60 binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief te voldoen, bij gebreke waarvan [gedaagde] € 151,44 incassokosten in het vooruitzicht werden gesteld. 2.
- Vervolgens is [gedaagde] nog meerdere keren aangemaand te betalen door de gemachtigde van Budgetbeheer. 3Het geschil 3.
- Budgetbeheer vordert [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van: - € 1.177,06 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2020 over € 1.009,60 tot de dag van algehele voldoening - de proceskosten, waaronder begrepen het salaris gemachtigde en verschotten. 3.
- [gedaagde] stelt dat de bij dagvaarding overgelegde facturen waarop staat dat hij binnen veertien dagen moet betalen niet overeenkomen met de facturen die [gedaagde] per e-mail heeft ontvangen en waarop staat dat het bedrag automatisch wordt afgeschreven. [gedaagde] stelt dat hij gebruik maakte van automatische incasso en nooit een melding heeft gekregen dat het bedrag niet kon worden betaald. [gedaagde] begrijpt dat de facturen voldaan moeten worden, maar vindt een betalingstermijn van vijf dagen te kort. 3.
- Budgetbeheer stelt dat voor de factuur van 11 februari 2019 een betalingstermijn is afgesproken van 14 dagen. Op de andere facturen die aan [gedaagde] zijn verzonden staat dat het gefactureerde bedrag automatisch wordt afgeschreven. Dit is volgens Budgetbeheer overeenkomstig de afspraken met [gedaagde] . Budgetbeheer heeft op 24 september 2019 nogmaals de facturen toegezonden met het verzoek deze binnen vijf dagen te betalen. Omdat de overeenkomst toen was beëindigd heeft het boekhoudsysteem - volgens Budgetbeheer - de wijze van betaling met terugwerkende kracht gewijzigd. Daardoor komt dat er op deze facturen (ten onrechte) een betalingstermijn van 14 dagen is vermeld. Desondanks is [gedaagde] in verzuim doordat nadien verschillende betalingsherinneringen zijn verzonden. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter leidt uit de dagvaarding af dat het door Budgetbeheer gevorderde bedrag van € 1.177,06 als volgt kan worden gespecificeerd: Hoofdsom € 1.009,60 Wettelijke rente tot 6 februari 2020 € 16,02 Incassokosten € 151,44 Totaal € 1.177,06 exclusief wettelijke rente 4.
- Bij dagvaarding zijn de volgende facturen overgelegd: Factuurnummer Datum Bedrag 20190507 11-02-2019 € 519,90 20190915 01-04-2019 € 89,95 20190936 02-04-2019 € 89,95 20191199 02-05-2019 € 89,95 20191407 01-07-2019 € 89,95 20191569 02-07-2019 € 89,95 20191852 04-08-2019 € 89,95 Totaal € 1.059,60 4.
- Van dit bedrag heeft [gedaagde] € 50,- betaald, waardoor de hoofdsom € 1.009,50 bedraagt. De kantonrechter stelt allereerst vast dat [gedaagde] niet betwist dat hij de hoofdsom verschuldigd is aan Budgetbeheer. Budgetbeheer heeft in haar conclusie van repliek toegelicht dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. [gedaagde] heeft deze uitleg niet weersproken bij gelegenheid van dupliek. Bovendien blijkt uit producties bij de dagvaarding dat [gedaagde] vele malen is aangemaand. Bij brief van 30 september 2019 is [gedaagde] bijvoorbeeld 15 dagen na ontvangst de gelegenheid geboden om de hoofdsom te voldoen. [gedaagde] is dus in verzuim. De hoofdsom zal dan ook worden toegewezen. 4.
- De vordering tot betaling van € 16,02 zal eveneens worden toegewezen evenals de vordering tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 6 februari
- 4.
- [gedaagde] is bij brief van 30 september 2019 overeenkomstig 6:96 BW de gelegenheid gegeven de hoofdsom te betalen en de hoogte van de incassokosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. 4.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Budgetbeheer worden begroot op: Exploot € 86,85 Griffierecht € 499,- Salaris gemachtigde € 248,- (2 punten van € 124,- per punt) Totaal € 833,85 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Budgetbeheer van € 1.177,06 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.009,60 met ingang van 6 februari 2020 tot de dag der algehele voldoening; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Budgetbeheer tot op heden begroot op € 833,85; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken. BM