vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 8541927 CV EXPL 20-2362 Vonnis van de kantonrechter van 24 maart 2021 in de zaak van de maatschap naar burgerlijk recht [eiseres in hoofdzaak] , gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats] , eisende partij in de hoofdzaak, gemachtigde mr. T.R.L. Houben, tegen [gedaagde in hoofdzaak] , wonend te [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, gemachtigde mr. J. Dekersgieter, advocaat in Brugge (België). Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak] en [gedaagde in hoofdzaak] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Voor wat betreft het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis in het incident van 21 oktober 2020, waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 18 november 2020 voor repliek. 1.2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres in hoofdzaak] heeft op 17 maart 2016 een declaratie (productie 2 bij het exploot) aan [gedaagde in hoofdzaak] verzonden (declaratienummer 20160352) ten bedrage van € 9.875,38. Volgens de daaraan gehechte urenspecificatie heeft die declaratie betrekking op juridische werkzaamheden over de periode 4 november 2015 tot 22 december 2015 in het dossier [gedaagde in hoofdzaak] /GDO BV met dossiernummer 2015.0558. 2.2. [eiseres in hoofdzaak] heeft op diezelfde dag (17 maart 2016) tevens een declaratie (productie 3 bij het exploot) aan [gedaagde in hoofdzaak] verzonden (declaratienummer 20160353) ten bedrage van € 6.926,04. Volgens de daaraan gehechte urenspecificatie heeft die declaratie (eveneens) betrekking op juridische werkzaamheden over de periode 4 november 2015 tot 22 december 2015 in het dossier [gedaagde in hoofdzaak] /GDO BV met dossiernummer 2015.0558. 2.3. [gedaagde in hoofdzaak] heeft op 23 november 2015 € 1.000,00 aan [eiseres in hoofdzaak] betaald, welke bedrag door [eiseres in hoofdzaak] in mindering is gebracht op de declaratie van € 9.875,38. Tevens heeft [gedaagde in hoofdzaak] op 24 november 2015 € 2.000,00 aan [eiseres in hoofdzaak] betaald, welk bedrag door [eiseres in hoofdzaak] in mindering is gebracht op de declaratie van € 6.926,04. In totaal stond daarmee van beide declaraties nog € 13.801,42 open. 2.4. [gedaagde in hoofdzaak] heeft het bedrag van € 13.801,42 tot op heden onbetaald gelaten. 3De vordering en het geschil 3.1. [eiseres in hoofdzaak] vordert (primair) de veroordeling van [gedaagde in hoofdzaak] tot betaling van € 13.801,42 (subsidiair € 8.875,38), te vermeerderen met de wettelijke rente dan wel wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na het opeisbaar worden van de declaraties tot aan de dag van voldoening, alsmede tot betaling van € 913,01 (subsidiair € 818,77), te vermeerderen met de wettelijke rente dan wel wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van voldoening, een en ander onder verwijzing van [gedaagde in hoofdzaak] in de proceskosten en de nakosten met rente vanaf 8 dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening. Verder vordert zij om het certificaat betreffende een beslissing in burgerlijke- en handelszaken af te geven ter executie van dit vonnis in België. 3.2. [eiseres in hoofdzaak] beroept zich erop dat zij van [gedaagde in hoofdzaak] en X NRG B.V. opdracht heeft gekregen tot het verrichten van diensten, bestaande in juridische hulpverlening en dat [gedaagde in hoofdzaak] op grond van art. 7:407 lid 1 BW hoofdelijk aansprakelijk is ten aanzien van de in het kader van die opdracht verrichte werkzaamheden. De onderhavige declaraties zien op in het kader van die opdracht verrichte werkzaamheden. Die werkzaamheden zijn deugdelijk gespecificeerd in de bijlagen bij de betreffende declaraties. [gedaagde in hoofdzaak] heeft nimmer geprotesteerd tegen de declaraties. 3.3. [gedaagde in hoofdzaak] heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In het vonnis in het incident is reeds beslist dat deze kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en onder punt 2.10. van dat vonnis is overwogen dat vertaling van producties in beginsel niet noodzakelijk is als die in de Engelse, Duitse of Franse taal zijn opgesteld. Het wekt daarom enige bevreemding dat bij dupliek wederom (en derhalve tegen beter weten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.