ECLI:NL:RBLIM:2021:2733
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummers: ROE 20/500 en ROE 20/501 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2021 in de zaak tussen [naam 1] , eiser, en de burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder (hierna: de burgemeester) (gemachtigden: mr. J. Dignum en mr. M.J.H. Verburg).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam BV] . (hierna: vergunninghoudster) (gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 26 juni 2019 heeft de burgemeester aan vergunninghoudster een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning verleend.
Bij afzonderlijke besluiten van 19 september 2019 heeft de burgemeester aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het hebben van een gevel- en pleinterras (hierna: de terrasvergunningen).
Bij besluit van 22 januari 2020 (hierna: het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser tegen de hiervoor genoemde vergunningen ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De burgemeester heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is later aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2021. Eiser is verschenen. De burgemeester en vergunninghoudster hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen Waar gaan deze zaken over?
Wat ging aan deze beroepen vooraf?
Had de burgemeester eiser moeten informeren over de aanvragen en de besluiten die hij naar aanleiding daarvan heeft genomen?
9.1.
Artikel 3:40 van de Awb bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt.
Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In deze zaak zijn de aanvragen tot het verlenen van de vergunningen door vergunninghoudster gedaan. De besluiten die naar aanleiding van deze aanvragen zijn genomen, heeft de burgemeester ook aan vergunninghoudster gericht en aan haar toegezonden. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser van mening is dat hij ook een belanghebbende is, omdat hij in hetzelfde pand woont als dat waarin het restaurant wordt gevestigd en de verleende vergunningen betrekking hebben op dat restaurant. Echter, juridisch gezien gaat het niet om de vraag of de besluiten bekend zijn gemaakt aan alle belanghebbenden, maar aan de belanghebbenden aan wie de besluiten zijn gericht. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, is eiser niet een belanghebbende aan wie de de besluiten zijn gericht. De besluiten zijn slechts aan vergunninghoudster gericht. Het toezenden van de besluiten aan (alleen) vergunninghoudster is in overeenstemming met de hiervoor genoemde artikelen van de Awb. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 juni 2006 waarin een soortgelijke situatie is beoordeeld. Dit betekent dat de besluiten in werking zijn getreden.
9.2.
Eiser betoogt voorts dat de burgemeester in het Gemeenteblad kenbaar had moeten maken dat hij de vergunningen aan vergunninghoudster heeft verleend. Door dat niet te doen handelt de burgemeester volgens eiser in strijd met artikel 3:8 van de Awb en is het besluit niet in werking getreden als bedoeld in artikel 3:40 van de Awb. In dit verband wijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015. Dit betoog slaagt niet naar het oordeel van de rechtbank. De burgemeester heeft er namelijk terecht op gewezen dat de zaak waarin de Afdeling op 27 mei 2015 uitspraak heeft gedaan betrekking heeft op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is. In die zaak ging het om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg. Daarnaast ging het in die zaak om artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en niet om artikel 3:8 van de Awb.
9.3.
Ook slaagt het betoog van eiser niet dat de burgemeester in strijd met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb handelt door niet in het Gemeenteblad kenbaar te maken dat hij de vergunningen aan vergunninghoudster heeft verleend. Het genoemde artikel van de Awb bepaalt namelijk dat de bekendmaking alleen op die manier moet plaatsvinden als het gaat om besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht. In dit geval zijn de besluiten waarbij de vergunningen zijn verleend namelijk wel tot een belanghebbende (vergunninghoudster) gericht.
9.4.
Eiser betoogt ook dat de burgemeester in strijd handelt met artikel 4:8 van de Awb door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen over de vergunningen die door vergunninghoudster zijn aangevraagd. Ook dit betoog slaagt niet naar het oordeel van de rechtbank. Voor zover de rechtbank al tot het oordeel zou komen dat eiser in de gelegenheid gesteld had moeten worden zijn zienswijze naar voren te brengen, betekent dit nog niet dat de besluiten van de burgemeester om die reden vernietigd moeten worden door de rechtbank. Eiser heeft zijn standpunt over de verleende vergunningen namelijk in de bezwaarschriftprocedure naar voren kunnen brengen. Volgens vaste rechtspraak is daarmee het eventuele gebrek in de besluitvorming hersteld.
9.5.
Ook het betoog van eiser dat de burgemeester in strijd met het beleid van de gemeente Roermond heeft gehandeld door de besluiten niet te publiceren in (bijvoorbeeld) het elektronisch Gemeenteblad slaagt niet. Eiser heeft gelijk als hij zegt dat op de website van de gemeente Roermond onder het kopje “Bekendmakingen en ruimtelijke plannen” en onder het subkopje “Bekendmakingen” is vermeld dat op officielebekedmakingen.nl alle bekendmakingen van de gemeente Roermond te vinden zijn. Deze bekendmakingen hebben echter betrekking op omgevingsvergunningen die zijn aangevraagd en niet, zoals in deze zaak, op exploitatie- of terrasvergunningen. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, is de burgemeester ook juridisch gezien niet verplicht de besluiten tot het verlenen van de exploitatie- en terrasvergunningen te publiceren. Dat de Nationale Ombudsman heeft geadviseerd om in een geval als deze zaak de omwonenden te adviseren, maakt nog niet dat de burgemeester daartoe ook verplicht was.
9.6.
De burgemeester heeft dan ook juridisch gezien niets verkeerd gedaan. Dat wil overigens niet zeggen dat de informatievoorziening van omwonenden de schoonheidsprijs verdient. Zoals de rechtbank heeft overwogen had het immers voor de hand gelegen dat de burgemeester de omwonenden had geïnformeerd over de aanvragen die vergunninghoudster heeft gedaan, hoewel hij daartoe juridisch gezien niet verplicht was. Het was immers duidelijk dat de aangevraagde vergunningen bij inwilliging een verandering in het woon- en leefklimaat teweeg zouden brengen omdat voorheen een kledingwinkel in het pand was gevestigd, terwijl de aanvragen zien op een restaurant met terrassen. De burgemeester had, door toezending van de aanvragen aan omwonenden in ieder geval kunnen voorkomen dat omwonenden (waaronder eiser) zich niet gehoord of serieus genomen voelen, zoals nu wel het geval is.
9.7.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het niet publiceren van de verleende vergunningen in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad tot gevolg heeft dat bezwaarmakers bij overschrijding van de bezwaartermijn een beroep kunnen doen op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in dergelijke gevallen de termijnoverschrijding verschoonbaar is als het bezwaar wordt ingediend binnen twee weken nadat de belanghebbende alsnog bekend wordt met het besluit. Dat betekent in dit geval dat het bezwaar van [naam 2] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij heeft namelijk haar bezwaar ingediend op 14 augustus 2019, terwijl zij (evenals de andere omwonenden) op 9 augustus 2019 bekend is geworden met de besluiten. [naam 2] heeft echter geen beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, zodat deze constatering geen gevolgen kan hebben voor het bestreden besluit.
9.8.
Samengevat betekent dit dat aan de bekendmaking van de besluiten geen juridische gebreken kleven die zouden maken dat de besluiten niet in werking zijn getreden.
Heeft de burgemeester de vergunningen mogen verlenen?
11.1.
Voorts overweegt de rechtbank dat de burgemeester op grond van artikel 2:28, derde lid, van de APV de exploitatievergunning kan weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daarbij moet de burgemeester rekening houden met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, met de aard van het horecabedrijf en met de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Het niet verlenen van een exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, derde lid, van de APV is een discretionaire bevoegdheid van de burgemeester. Dat betekent dat hij beleidsruimte heeft bij het besluit om de exploitatievergunning al dan niet te weigeren, waarbij ook politieke of beleidsmatige keuzes een rol kunnen spelen. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom op dit punt terughoudend toetsen.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de vergunningen te verlenen. In dit verband overweegt zij dat uit het bestreden besluit volgt dat de burgemeester bij het beoordelen van de aangevraagde exploitatievergunning rekening heeft gehouden met het karakter van de straat en van de wijk. De burgemeester heeft immers overwogen dat de huidige bestemming planologisch al geruime tijd alle soorten horeca rechtstreeks toestaat. Wat betreft de aard van het horecabedrijf heeft de burgemeester overwogen dat een restaurant past binnen het horecacluster dat ter plaatse is gevestigd. Een restaurant past ook in het karakter van de straat en de wijk. Ook heeft de burgemeester overwogen dat hij bij het beoordelen van de aangevraagde exploitatievergunning rekening heeft gehouden met de overlast die eiser stelt te ondervinden door het verlenen van deze vergunning.
De rechtbank kan eiser in zoverre in zijn betoog volgen dat uit deze overweging in het bestreden besluit niet blijkt dat de burgemeester de foto’s en het andere bewijs dat eiser ter onderbouwing van de door hem gestelde overlast heeft overgelegd bij zijn overweging heeft betrokken. Om die reden kan gezegd worden dat in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk is gemotiveerd waarom de geschetste overlast niet ontoelaatbaar is. De burgemeester heeft namelijk enkel overwogen dat de overlast niet zo ernstig is dat hij de vergunning om die reden moet weigeren. Dit betekent echter niet dat de rechtbank van oordeel is dat de burgemeester de exploitatievergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester namelijk aangegeven dat de burgemeester de foto’s en het andere bewijs dat eiser heeft overgelegd, heeft betrokken bij de vraag of de geschetste overlast ontoelaatbaar is. De burgemeester heeft de geschetste overlast echter niet zo ernstig gevonden dat de aangevraagde exploitatievergunning om die reden geweigerd moet worden, aldus zijn gemachtigde. Daarbij heeft de burgemeester - als overwogen - betrokken dat het planologisch gezien is toegestaan om in het pand een horecabedrijf te exploiteren en dat zich ter plaatse meerdere horecabedrijven zijn gevestigd. Met deze ter zitting gegeven uitleg, heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank alsnog voldoende gemotiveerd waarom de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze wordt benadeeld door het verlenen van de vergunningen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser door het geconstateerde motiveringsgebrek niet is benadeeld en ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Wat is de conclusie?
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; draagt verweerder in de zaak ROE 20/500 op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.
Aldus vastgesteld door mr. T. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2021. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 29 maart 2021 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan door een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2006:AX9076.
ECLI:NL:RVS:2015:1657.
Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4156.
Als voorbeeld van deze vaste rechtspraak wijst de rechtbank op de al eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9076.
Zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682 en 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1578.