RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 1 april 2021 Zaaknummer: C/03/276243 / FA RK 20-1160 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake: [de moeder] , verder te noemen: de moeder, wonend te [woonplaats 1] , advocaat mr. A.M. Holmes, kantoor houdend te Maastricht, tegen: [de vader] , verder te noemen: de vader, wonend te [woonplaats 2] , advocaat mr. S.L. Smits-Emons, kantoor houdend te Echt, gemeente Echt-Susteren. Als informant in deze procedure wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Heerlen, hierna te noemen: de GI. Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, verder te noemen: de raad, gevestigd te Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 30 maart 2020; het F9-formulier, met bijlagen, van de moeder van 18 augustus 2020; het F9-formulier, met bijlage, van de vader van 20 augustus 2020; de twee gelijkluidende brieven van de GI van 12 oktober 2020; het F9-formulier, met bijlagen, van de vader van 21 januari 2021; de F9-formulieren, met bijlagen, van de moeder van 21 januari 2021, 15 februari 2021, 17 februari 2021, 18 februari 2021 en 19 februari 2021; het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, van de vader, ingekomen op 19 februari 2021; de F9-formulieren, met bijlagen, van de vader van 22 en 24 februari 2021; de mondelinge behandeling op 25 februari 2021, waarbij de zaak, gezamenlijk met het verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling (onder zaaknummers C/03/280513 / JE RK 20-1600 en C/03/280515 / JE RK 20-1601) en het verzoek van de vader tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing (onder zaaknummer C/03/287660 / JE RK 21-133), met gesloten deuren is behandeld. Verschenen en gehoord zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaten; twee vertegenwoordigsters van de GI; een vertegenwoordigster van de raad; het e-mailbericht, met bijlage, van de vader van 26 februari 2021; het door de moeder op 2 maart 2021 ingediende formulier “V8 Niet geregeld verzoek”. Op 18 februari 2021 is een brief van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel binnengekomen, waarin onder meer wordt vermeld dat [minderjarige 1] “graag zijn mening kenbaar zou willen maken ten aanzien van de gehele situatie zoals die tussen de ouders speelt”. [minderjarige 1] zou graag uitgenodigd willen worden om mondeling zijn situatie toe te lichten. Op 19 februari 2021 is door de griffier telefonisch aan de Kinder- en Jongerenrechtswinkel medegedeeld dat de kinderrechter eerst met de ouders gaat praten op de zitting van 25 februari 2021. 2De feiten 2.1. Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , [minderjarige 2] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 augustus 2020 (onder voornoemde zaaknummers 280513 en 280515) is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de duur van zes maanden, tot 21 maart 2021, onder aanhouding van de resterende termijn. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 maart 2021 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 september 2021. 2.3. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2019 (onder zaaknummer C/03/249487 / FA RK 18-1598) het volgende beslist: bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , en - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] , bij de moeder zal zijn; bepaalt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd als volgt bij de vader kunnen verblijven: - in de oneven weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school, waarbij de vader de kinderen op vrijdag van school haalt, dan wel bij de moeder ophaalt indien er geen school is en de overdracht alsdan plaatsvindt onder begeleiding van Buro One, en de vader hen maandagochtend naar school brengt, dan wel onder begeleiding van Buro One naar de moeder brengt indien er geen school is; in de even jaren gedurende de tweede week van de voorjaarsvakantie, de eerste helft van de herfstvakantie, de tweede week van de Kerstvakantie (waaronder Oud en Nieuw) en week 1, 2 en 4 van de zomervakantie; in de oneven jaren gedurende de eerste week van de voorjaarsvakantie, de tweede helft van de herfstvakantie, de eerste week van de Kerstvakantie (waaronder eerste en tweede Kerstdag) en week 3, 5 en 6 van de zomervakantie; - gedurende de helft van de (overige) vakanties en (overige) feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen; veroordeelt de vader om met ingang van 4 juli 2018 aan de moeder te betalen een bedrag van € 286,- per maand per kind als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen; 2.4. De vader is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan. Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) van 9 juli 2020 is het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator afgewezen en is iedere verdere beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf aangehouden tot (pro forma) 21 januari 2021 in afwachting van bericht van de GI en partijen over de uitkomst van de schottenaanpak. Die schottenaanpak is vervolgens echter niet van de grond gekomen. 2.5. Bij beschikking van 19 november 2020 heeft het hof – voor zover van belang – de beschikking van de rechtbank van 3 april 2019, voor zover deze ziet op de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , bekrachtigd. 2.6. De vader heeft zijn verzoeken bij het hof, waarover het hof nog diende te beslissen, ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ingetrokken naar aanleiding van voornoemde mondelinge behandeling van 25 februari 2021. Dit blijkt uit voornoemd e-mailbericht van de vader van 26 februari 2021, omdat daarbij gevoegd is een door de vader op 26 februari 2021 bij het hof ingediend V4-formulier “Intrekken verzoek”. Blijkens voornoemd V8-formulier heeft de moeder daar geen bezwaren tegen geuit. 3Het geschil 3.1. De moeder heeft verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar de rechtbank begrijpt na wijziging ter zitting: te bepalen dat de moeder voortaan alleen het ouderlijk gezag zal uitoefenen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals bepaald bij beschikking van 3 april 2019, wordt gewijzigd en dat, gedurende een raadsonderzoek naar de (on)mogelijkheden van contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar ook daarna, dit contact onder begeleiding zal plaatsvinden in het kader van een begeleide omgangsregeling (BOR), totdat de raad de rechtbank zal hebben geadviseerd over de (on)mogelijkheden van contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . 3.2. De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken. Hij heeft verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar de rechtbank begrijpt en na intrekking ter zitting van het verzoek inzake de benoeming van een kindercoach: te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen wordt gehandhaafd, subsidiair en geheel voorwaardelijk, in geval het ouderlijk gezag zou worden gewijzigd naar eenhoofdig gezag, te bepalen dat de vader voortaan alleen het gezag zal uitoefenen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; primair het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te bepalen en subsidiair het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader te bepalen en het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder te bepalen of vice versa; inzake co-ouderschap/de zorgregeling: tot 1 april 2021 de huidige zorg- en contactregeling te handhaven en vervolgens (via een opbouw) per 1 september 2021 een zorg- en contactregeling vast te stellen, in die zin dat de kinderen in de ene week van vrijdagmiddag na school door de vader worden opgehaald van school en bij de vader verblijven tot vrijdagochtend, waarbij de vader de kinderen naar school brengt en de kinderen vervolgens van vrijdagmiddag na school tot de daaropvolgende vrijdagochtend bij de moeder verblijven, waarbij de moeder de kinderen naar school brengt; de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen op de wijze (conform het schema) zoals de vader in het verweerschrift heeft aangegeven; te bepalen dat, in afwijking van de beschikking van de rechtbank van 3 april 2019 en de beschikking van het hof van 19 november 2020, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewijzigd en als volgt wordt vastgesteld: - met ingang van 4 juli 2018 een bedrag van € 252,50 per maand per kind; - met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 263,- per maand per kind; - met ingang van 14 februari 2020 het eerder door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 286,- per maand per kind, onder veroordeling van de moeder tot terugbetaling van de bedragen die de moeder in de voorbije periode te veel heeft ontvangen; 6. de proceskosten te compenseren. 3.3. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader. Zij heeft verzocht deze verzoeken af te wijzen. Met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vader inzake de kinderbijdrage heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten, omdat naar haar mening sprake is van nodeloos procederen. 4De beoordeling Gezag, hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 4.1. Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek bepaalt, voor zover van belang: Op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag, (…), beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Het eerste en (…) lid van artikel 251a zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 1:251a, eerste lid, BW luidt: 1. De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Artikel 1:253a BW bepaalt, voor zover van belang: In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; (…) (…) De artikelen 377e en (…) zijn van overeenkomstige toepassing. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank beproeft alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een vergelijk tussen de ouders (…); (…). Artikel 1:377 e, eerste lid, BW bepaalt: 1. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 4.2. Met inachtneming van de hiervoor voornoemde artikelen hebben zowel de moeder als de vader betoogd (de vader subsidiair) waarom er een wijziging in het gezag zou moeten komen, heeft de vader bepleit waarom de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewijzigd zou moeten worden en hebben de moeder en de vader haaks op elkaar staande verzoeken inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedaan. 4.3. De moeder heeft onder meer naar voren gebracht dat de vader zijn gezag op oneigenlijke wijze inzet en misbruikt, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontzettend klem zitten tussen de ouders en de vader de kinderen ook belast met volwassenen- en ex-partnerproblematiek. De kinderen dreigen verloren te raken tussen de ouders. Er zou, na drie jaar strijd tussen de ouders, nu eindelijk eens rust moeten ontstaan, maar de vader blijft over alles discussiëren en in strijd handelen met instructies van de GI en schriftelijke aanwijzingen. Er moet volgens de moeder ingezet worden op kindercoaching voor de kinderen. [minderjarige 2] klaagt over buikpijn en [minderjarige 1] zit klem, terwijl de vader probeert om de moeder emotioneel uit balans te brengen. 4.4. De vader heeft onder meer gesteld dat de moeder ongefundeerde stellingen en feiten (waaronder herhalingen uit 2018) naar voren brengt. Meerdere (professionele) instanties hebben geconstateerd dat het contact tussen de kinderen en de vader goed is, dat het veilig is en dat hij goed bij de kinderen kan aansluiten. Uit de rapporten van de GI blijkt dat sprake is van pedagogische onmacht bij de moeder en dat de moeder haar angst projecteert op de kinderen. Het is juist de moeder die niet (voldoende) meewerkt met ingezette hulpverlening. Indien de vader het gezag wordt afgenomen, zou het volledig de verkeerde kant opgaan. In de praktijk gebeurt het immers nu al dat de moeder de vader niet informeert over de kinderen. Nog geen vier weken geleden vorderde de moeder nakoming van de zorgregeling in kort geding, terwijl zij in de huidige procedure pleit voor een begeleiding van de zorgregeling aan de zijde van de vader. Die handelswijze is niet meer te volgen. De GI heeft bovendien gezien dat er ruimte is voor uitbreiding van het contact tussen de vader en de kinderen, omdat de vader in het traject van het opstellen van het schottencontract van de GI de keuze kreeg voor een 60/40- of een 50/50-zorgregeling. 4.5. Uit de door partijen ingenomen standpunten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel de moeder als de vader proberen om de rechtbank ervan te overtuigen dat beslissingen in hun voordeel (ten nadele van de andere ouder) moeten worden genomen, waarbij zij de andere ouder als slechte ouder weg zetten. De moeder door te stellen dat de vader zijn gezag misbruikt, de kinderen belast, blijft strijden en er door toedoen van de vader geen rust ontstaat, en de vader door te stellen dat de moeder pedagogisch onmachtig is, haar angst voor de vader overbrengt op de kinderen, niet meewerkt aan hulpverlening en hem niet informeert over de kinderen. Dit terwijl de ouders, zoals het hof reeds heeft overwogen in de beschikking van 9 juli 2020, allebei hetzelfde doel nastreven. De rechtbank haalt hier overweging 5.1.5. uit de bedoelde beschikking van het hof aan: “Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is aan beide ouders de vraag gesteld wat voor hen het grootste probleem is en welk gevoel dit hen geeft. De man heeft hierop geantwoord dat voor hem het grootste probleem is dat hij te weinig omgang heeft met zijn kinderen en dat hij zich te veel afhankelijk voelt van zijn ex-partner omdat er geen ouderschapsplan met duidelijke afspraken is. De man voelt zich niet gezien in zijn vaderrol en voelt zich afgewezen. Dit geeft hem veel onrust. De vrouw heeft geantwoord dat voor haar het grootste probleem is dat er geen enkele communicatie mogelijk is met haar ex-partner, waardoor er ook geen enkele flexibiliteit mogelijk is. Zij voelt hierdoor veel onmacht en frustratie. Op de vraag hoe de ouders zich zouden willen voelen, hebben beide ouders geantwoord dat zij zouden willen dat er goede afspraken worden gemaakt en dat die afspraken vervolgens nageleefd worden. Dit zou hen beiden rust geven. Beide ouders hebben vervolgens uitgesproken dat dit de eerste keer is dat zij dit van elkaar horen.” Dat de ouders dit gezamenlijke doel nog altijd voor ogen hebben, blijkt volgens de rechtbank enerzijds uit het feit dat de moeder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft gesteld dat zij graag zou zien dat partijen twee ouders zouden zijn die met elkaar kunnen communiceren (met respect voor elkaars argumenten) en dat het doel is dat de kinderen op een veilige en prettige wijze contact met beide ouders kunnen hebben, en anderzijds uit de stelling van de vader dat hij zich al drie jaar lang inzet voor de totstandkoming van een ouderschapsplan, zodat er niet meer telkens over de zorgregeling gediscussieerd hoeft te worden. 4.6. Om het gemeenschappelijk doel te kunnen bereiken, heeft het hof getracht de ouders op het goede spoor te zetten door de GI – in samenspraak met de ouders – te belasten met de schottenaanpak. Die aanpak is evenwel niet van de grond gekomen. De rechtbank is van oordeel dat dit echter niet maakt dat niet alsnog moet worden geprobeerd om het gezamenlijk doel te verwezenlijken, maar daarbij moeten wel de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed voor ogen worden gehouden. In de huidige (juridische) strijd tussen de ouders over de kinderen, lijken de (belangen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.