ECLI:NL:RBLIM:2021:2966
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/277805 / HA ZA 20-253 Vonnis in verzet van 31 maart 2021 in de zaak van [eiseres, gedaagde in het verzet] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, gedaagde in het verzet, advocaat mr. P.L.M.F. Roosendaal, tegen [gedaagde, eiser in het verzet] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, eiser in het verzet, advocaat mr. C.A.J.E. Habets.
Partijen zullen hierna [eiseres, gedaagde in het verzet] en [gedaagde, eiser in het verzet] genoemd worden.
1De procedure 1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2.
Bij het verstekvonnis van 1 april 2020 zijn de vorderingen van [eiseres, gedaagde in het verzet] (kort gezegd), met uitzondering van het sub 1 en 2 gevorderde, (grotendeels) toegewezen en is [gedaagde, eiser in het verzet] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres, gedaagde in het verzet] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 1.734,96, te vermeerderen met de nakosten.
3De beoordeling in verzet 3.1.
Vooralsnog houdt de rechtbank het ervoor dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld. [gedaagde, eiser in het verzet] heeft onweersproken gesteld dat het verstekvonnis op 8 april 2020 aan hem is betekend. De verzetdagvaarding is betekend op 6 mei 2020, dus binnen vier weken na de dag van betekening. in de hoofdzaak 3.2. [eiseres, gedaagde in het verzet] vordert onder meer dat [gedaagde, eiser in het verzet] wordt veroordeeld om te verstrekken een overzicht van alle bezittingen (de rechtbank begrijpt: van erflaatster) op het moment van overlijden van erflaatster en een overzicht van de inboedel (de rechtbank begrijpt: van erflaatster) met waarden, afschriften van bankrekeningen van erflaatster vanaf 1 juni 2012 tot 2 juli 2019. Beide vorderingen zijn in het verstekvonnis toegewezen. Door de verzetdagvaarding is het partijdebat heropend. In beginsel liggen daarmee alle vorderingen van [eiseres, gedaagde in het verzet] , buiten de art. 29 Fw-vorderingen (zie de rolbeslissing van 29 juli 2020), weer voor beoordeling open.
Dit betekent dat in beginsel voor herbeoordeling open ligt het onder 1 en 2 van het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderde, welke twee vorderingen in het verstekvonnis zijn afgewezen. Het betreft hier de vordering om voor recht te verklaren dat [eiseres, gedaagde in het verzet] erfgename is van erflater en daarmede gerechtigd is tot de (goederen en overige vermogensbestanddelen van de) nalatenschap (petitum sub 1 dagvaarding) en de vordering om voor recht te verklaren dat [eiseres, gedaagde in het verzet] rechthebbende is op een legaat ter grootte van de legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster (petitum sub 2 dagvaarding). Ter zake in elk geval alle hiervoor genoemde vorderingen is van belang dat zij voor alle rechthebbenden op/bij de nalatenschap gelijkluidend worden beoordeeld en dat alle rechthebbenden aan de bij vonnis te geven oordelen zijn gebonden.
Alleen al daarom is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding in deze erfeniszaak. [eiseres, gedaagde in het verzet] wordt dan ook allereerst op de voet van art. 118 Rv in staat gesteld om alle rechthebbenden in de nalatenschap in dit geschil op te roepen. Dat dit moet, heeft ook [eiseres, gedaagde in het verzet] geconstateerd in haar akte uitlaten van 17 juni 2020. Daarin heeft zij immers onder 6 vermeld dat alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding dienen te worden opgeroepen. Dat heeft zij echter nagelaten, zodat de rechtbank haar in staat zal stellen dit alsnog te doen. Voor zover erfgenamen de nalatenschap conform de regels (zie art. 4:191 BW) hebben verworpen, hoeven zij niet te worden opgeroepen, maar moet [eiseres, gedaagde in het verzet] een afschrift van de in art. 4:191 BW genoemde verklaring in het geding brengen.
Vooralsnog betekent dat dat [eiseres, gedaagde in het verzet] ex art. 118 Rv in het geding zal moeten betrekken haar broer, [naam broer] , en moet overleggen verklaringen van verwerping van de nalatenschap van haar oom [naam oom] en van haar tante [naam tante] en moet meedelen wat de gevolgen van die verwerping zijn voor de verdeling van de nalatenschap.
3.3.
Elke andere beslissing zal worden aangehouden.
4De beslissing De rechtbank 4.1. stelt [eiseres, gedaagde in het verzet] in staat om voor de rol van 12 mei 2021 op de voet van art.
118 Rv in het geding te betrekken alle erfgenamen van [erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] en/of om over te leggen verklaringen van erfgenamen waarin zij conform art. 4:191 BW verwerpen de nalatenschap van voornoemde [erflaatster] ;
4.2. stelt de opgeroepen en verschenen erfgenamen in staat om zes weken na 12 mei 2021 een conclusie van antwoord te nemen waarin zij zich in elk geval moeten uitlaten over de vraag of het geschil al dan niet moet worden voortgezet met een mondelinge behandeling;
4.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2021. type: JC