RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 8637246 CV EXPL 20-3281 Vonnis van de kantonrechter van 7 april 2021 in de zaak van [eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam] en in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde] , wonend in [woonplaats] aan de [adres 1] , eisende partij, gemachtigde mr. R.H.L. van de Laar tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], gevestigd en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] , aan de [adres 2] , gedaagde partij, in rechte vertegenwoordigd door [naam] . Partijen worden hierna [eiseres] , [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding d.d. 1 juli 2020 de conclusie van antwoord de rolbeslissing waarbij een mondelinge behandeling is gelast het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 17 november 2020, waar [gedaagde] niet is verschenen en waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 25 november 2020 voor akte vermeerdering van eis de akte vermeerdering van eis de rolbeslissing waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 9 december 2020 voor antwoordakte, van welke gelegenheid [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [naam onderbewindgestelde] is sinds 14 januari 2019 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van [gedaagde] in de functie van chauffeur / medewerker reiniging. 3De vordering en het geschil 3.1. [eiseres] vordert – na eisvermeerdering – de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van: het achterstallige loon over de periode 14 januari 2019 tot en met 31 december 2019 ad € 2.635,06 netto het achterstallige loon over de periode 1 januari 2020 tot en met 31 oktober 2020 ad € 959,36 netto, onder verstrekking van een specificatie over de maand mei 2020; de vakantiebijslag over 2019/2020 ad € 1.110,72, onder verstrekking van een specificatie; de wettelijke verhoging over voornoemde bedragen; de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de vervaldag tot aan de dag van voldoening; de buitengerechtelijke incassokosten ‘conform de staffel WIK’; de proceskosten met rente en de nakosten. Daarnaast vordert [eiseres] de veroordeling van [gedaagde] tot - kort gezegd - het verstrekken van deugdelijke specificaties van ‘het loonbedrag’ op straffe van verbeurte van een dwangsom. Van de vorderingen onder 1 tot en met 5 vordert [eiseres] betaling binnen 48 uur na betekening van dit vonnis. 3.2. [gedaagde] heeft bij antwoord de vordering onder 1 erkend, maar wel verweer gevoerd tegen het bij exploot gevorderde loon over de maand mei 2020 (volgens [gedaagde] had hij dat reeds betaald). Tevens merkt [gedaagde] ten aanzien van de eveneens reeds bij exploot gevorderde vakantiebijslag op dat ‘veel ondernemers uitstel hebben gekregen om het vakantie geld uit te betalen ivm covid 19’. Ten slotte stelt [gedaagde] dat zij over 2020 € 1.020,30 teveel loon heeft betaald, onder verwijzing naar productie 1 bij antwoord. 4De beoordeling 4.1. Nu [gedaagde] het onder 1 gevorderde (het achterstallig loon over 2019) erkent, zal dit onderdeel worden toegewezen. 4.2. Het verweer ten aanzien van het onbetaald gelaten loon over mei 2020 is achterhaald, nu bij eisvermeerdering het geheel aan onbetaald loon over de eerste tien maanden van 2020 gemotiveerd en onderbouwd is gevorderd en [gedaagde] die vordering – hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid te zijn gesteld – daarna onweersproken heeft gelaten. Daar komt nog bij dat de productie 1, waar [gedaagde] in haar antwoord naar verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat zij over 2020 (althans tot op dat moment) € 1.020,30 teveel aan loon heeft betaald, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk voorkomt, nu daarin over de maand februari 2020 geen recht op loon is berekend. Daarmee is de door [eiseres] gestelde betalingsachterstand over de eerste tien maanden van 2020 onvoldoende betwist gebleven, zodat die achterstand in deze procedure tussen partijen vaststaat. Ook dit onderdeel zal derhalve worden toegewezen. De verstrekking van een specificatie van het loon over mei 2020 zal eveneens worden toegewezen. 4.3. De post vakantiebijslag over 2019/2020 is eveneens toewijsbaar nu het onbetaald laten daarvan niet is weersproken en daarmee in deze procedure tussen partijen vaststaat. Dat veel ondernemingen uitstel hebben gekregen om vakantiegeld uit te betalen, wordt door [gedaagde] niet nader onderbouwd (wie heeft dat uitstel dan verleend, volgens [gedaagde] ?), nog daargelaten dat zij niet eens stelt dat zij een van de ondernemers is aan wie daarvoor uitstel is verleend. 4.4. De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over voornoemde posten zijn verder onweersproken gebleven en zullen eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf datum dagvaarding, nu [eiseres] in het midden laat vanaf welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.