ECLI:NL:RBLIM:2021:3493
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 20 / 2989 en ROE 20 / 3115 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [naam 1] , eiser (gemachtigde: mr. J.M.S. Nass), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul, verweerder (gemachtigde: mr. R. Timmers).
Procesverloop Bij besluit van 10 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt..
Bij besluit van 18 september 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en de last onder dwangsom gewijzigd.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 7 juli 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:4883) is eisers beroep tegen het bestreden besluit van 18 september 2019 gegrond verklaard, is dit besluit vernietigd en is verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.
Bij besluit van 29 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder een nieuw besluit genomen op het bezwaar.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen [naam 2] . De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen gelegenheid te geven voor nader overleg over de mogelijkheid om de aan verwijdering van de bouwwerken verbonden kosten te verdelen tussen de betrokken partijen, inclusief verweerder.
Bij brief van 19 februari 2021 heeft verweerder de rechtbank bericht dat verweerder geen mogelijkheden ziet voor verder overleg met (onder andere) eiser. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief met bijlagen van 5 maart 2021.
Omdat partijen niet binnen de door voorzieningenrechter gestelde termijn hebben gereageerd op het voornemen om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de voorzieningenrechter op 30 maart 2021 met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat hervatting van het onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. [naam eigenaresse] (hierna: eigenaresse), dochter van eiser, is eigenaar van het pand met aanhorigheden aan het adres [adres] . Eiser is vruchtgebruiker hiervan (recht van bewoning). De benedenverdieping van het pand is een zelfstandige winkelruimte. Eigenaresse verhuurde deze winkelruimte van 1 september 2010 tot 1 september 2020 aan [naam 2] . Het boven de winkel gelegen woongedeelte van het pand wordt bewoond door eiser.
Eiser overtreedt daardoor ook artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder c, van de Wabo. Volgens het bestreden besluit heeft eiser het feitelijk in zijn macht om deze overtredingen in zoverre te beëindigen dat de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken wordt verminderd met 129 m² (dit is de totale oppervlakte van C en D). Verweerder heeft eiser daarom gelast de overtredingen voor zover deze aan de bouwwerken C en D zijn toe te schrijven, te beëindigen en beëindigd te houden door de bouwwerken C en D te verwijderen. Dit dient te gebeuren binnen acht weken na de verzenddatum van het bestreden besluit. Voldoet eiser niet, niet volledig of niet tijdig aan deze lastgeving, dan verbeurt hij een dwangsom van € 1.000 voor elke week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000.
Procedurele aspecten 9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek (van de zijde van de rechtbank) niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
11.1.
De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 8:42 van de Awb moet het bestuursorgaan binnen vier weken nadat de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zijn verzonden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter sturen en kan het bestuursorgaan een verweerschrift indienen. Zoals eiser zelf reeds in zijn brief van 5 maart 2021 opmerkt is op overschrijding van deze termijn geen wettelijke sanctie gesteld. De voorzieningenrechter ziet niet in dat het feit dat eiser, blijkens het verhandelde ter zitting, pas daags voor de zitting kennis heeft genomen van het verweerschrift, in dit geval in strijd is met een goede procesorde of het beginsel van equality of arms. Verweerder kan immers, indien de bestuursrechter niet om een verweerschrift verzoekt, ook ervoor kiezen zijn verweer pas ter zitting mondeling (al dan niet aan de hand van een pleitnota) in te brengen. Mede gelet op de inhoud van het verweerschrift heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter ter zitting voldoende kunnen reageren op het standpunt van verweerder.
12.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder het primaire besluit ook ambtshalve, dus zonder een voorafgaand handhavingsverzoek, mocht nemen. Op verweerder rust zelfs, mits sprake is van een overtreding en aan een aantal overige vereisten was voldaan, in beginsel de plicht om tot handhaving over te gaan. Verweerder heeft naar aanleiding van de beschikbare informatie daartoe (ambtshalve) besloten. Of die informatie afkomstig is van een belanghebbende is daarvoor niet van belang.
Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 13. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit alleen ziet op de bouwwerken C en D. De voorzieningenrechter moet beoordelen of verweerder het primaire besluit in bezwaar (opnieuw) heeft mogen handhaven ten aanzien van deze bouwwerken. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.
20.1.
Uit het dossier blijkt niet dat eigenaresse toestemming heeft gegeven of anderszins instemt met verwijdering van de bouwwerken door eiser. Wel blijkt dat de eigenaresse zich heeft verzet tegen het aan haar gerichte voornemen tot handhavend optreden. Ook uit de brief van verweerder van 19 februari 2021 blijkt niet van een dergelijke instemming. Dat niet is gebleken dat eigenaresse niet akkoord is of zou zijn met de verwijdering en dat zij in haar zienswijze tegen het voornemen tot handhavend optreden heeft aangegeven dat toepassing van bestuursdwang een optie is, acht de voorzieningenrechter onvoldoende voor het oordeel dat zij dus toestemming geeft voor verwijdering van haar bouwwerken. Dat betekent dat gelet op artikel 3:207 van het BW de bevoegdheid van eiser om over te gaan tot verwijdering van eigendommen van eigenaresse niet vaststaat.
20.2.
Op grond van artikel 3:208, tweede lid, van het BW, is vruchtgebruiker bevoegd om door hem aan de zaak aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te nemen. Verweerder is niet ingegaan op de vraag in hoeverre dit onder de hier aan de orde zijnde omstandigheden en in het kader van de hier te beantwoorden vraag de natrekkingsregel van artikel 5:20, eerste lid, onderdeel e, van het BW (inhoudende, kort gezegd, dat eigendom van grond ook gebouwen en werken omvat die duurzaam met de grond verbonden zijn) opzij zet. De voorzieningenrechter acht bovendien van wezenlijk belang dat, gelet op de verschillende standpunten van de betrokken partijen zoals die blijken uit het dossier, en bij gebrek aan bewijs, niet vaststaat wie de bouwwerken heeft gerealiseerd.
Eiser heeft verklaard dat niet hijzelf, maar [naam 2] de bouwwerken heeft gerealiseerd. Verweerder heeft hierover wisselende standpunten ingenomen. In het zienswijzenrapport stelt verweerder bijvoorbeeld dat eiser heeft verklaard dat hij de bouwwerken heeft gerealiseerd (hetgeen eiser dus ontkent) en ook in het verweerschrift neemt verweerder dit standpunt in, maar in het bestreden besluit staat: “Tot op heden is het voor het college nog steeds niet duidelijk wie de bouwwerken daadwerkelijk heeft gebouwd. Alle partijen (de [naam 1] , [naam eigenaresse] en de [naam 2] ) wijzen naar elkaar”. Dit volgt ook uit het aan het eerdere besluit op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 30 juli 2019 (“noch op basis van de stukken noch op basis van het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld of bezwaarmaker destijds de bouwwerken B t/m D heeft opgericht”).
Het onderzoeksrapport van 6 oktober 2020 gaat niet over de vraag wie de bouwwerken heeft opgericht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat eiser degene is die de bouwwerken heeft opgericht, zodat niet duidelijk is of eiser gerechtigd is deze als aangebrachte toevoeging weer weg te nemen. Als eigenaresse of [naam 2] de bouwwerken heeft opgericht dan ontleent eiser aan zijn recht van vruchtgebruik immers niet of in ieder geval niet zonder meer het recht deze af te breken en kan niet zonder meer worden aangenomen dat eiser beëindiging van de overtreding (zelfstandig) in zijn macht heeft.
20.3.
Dat eigenaresse stelt, zoals blijkt uit haar zienswijze tegen het aan haar gerichte voornemen tot handhavend optreden, weinig tot niets te zeggen te hebben over het pand en dat zij nimmer in staat is geweest illegaal bouwen op het perceel te voorkomen en het vruchtgebruik niet kan doen laten vervallen, en het daarom (feitelijk) niet in haar macht zou hebben om de overtredingen te beëindigen, maakt niet dat eiser gerechtigd is de bouwwerken te verwijderen. Dit betekent immers niet dat eiser het (juridisch) wel in zijn macht heeft de overtredingen te beëindigen. Bovendien is voor de voorzieningenrechter de feitelijke onmacht van eigenaresse en daarmee de (daaruit voortvloeiende) feitelijke macht van eiser niet duidelijk geworden, nu eigenaresse het pand wel deels, kennelijk niet met instemming van eiser als vruchtgebruiker, heeft kunnen verhuren aan [naam 2] en in 2018 nog heeft geprocedeerd tegen [naam 2] vanwege de door haar geconstateerde vervallen staat van het verhuurde.
20.4.
Door het ontbreken van toestemming van eigenaresse tot het verwijderen van de bouwwerken in combinatie met de onduidelijkheid over de vraag wie deze bouwwerken heeft opgericht – eiser, eigenaresse en [naam 2] wijzen immers allemaal naar elkaar – heeft verweerder gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat eiser het in zijn macht heeft de bouwwerken te verwijderen, nu dit juridisch een inbreuk op het eigendomsrecht van eigenaresse inhoudt of kan inhouden. Anders dan in de zaak die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE7213) heeft eiser bovendien van meet af aan aangegeven dat hij beëindiging van de overtreding niet in zijn (juridische) macht heeft.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat vanwege voorgaande (mogelijke maar niet onderzochte) juridische beletselen niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat eiser het feitelijk in zijn macht heeft de bouwwerken af te breken. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2300), waaruit blijkt dat niet beslissend is of de overtreder eigenaar is van het betreffende bouwwerk, maar of hij het feitelijk in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen. In de zaak die in die uitspraak aan de orde was, stond echter vast dat het bouwwerk door of in opdracht van de gestelde overtreder was geplaatst en heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat aannemelijk was dat deze overtreder wel de eigenaar was (of althans dat het tegendeel niet aannemelijk was gemaakt).
20.5.
In het licht van het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom de keuze is gemaakt (enkel) eiser als vruchtgebruiker van het perceel aan te schrijven.
Conclusie 21. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Daarom is het beroep gegrond en kan bestreden besluit niet in stand blijven. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien omdat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet duidelijk is of eiser het wel of niet in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen. Verweerder moet daarom zelf een nieuw besluit nemen.
24.Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht voor het beroep (€ 178,00) vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt (€ 178,00).
Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar; wijst het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden besluit af; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 356,00 aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.637,84.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021. voorzieningenrechter De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 21 april 2021 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien het bestreden besluit staat daartegen geen beroep open.