RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 9218465 CV EXPL 21-2466 Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 14 juni 2021 inzake [eiser] , wonend aan de [adres 1] , [woonplaats] , eiser, gemachtigde mr. M.E. Cuppen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudend aan de [adres 2] , gedaagde, gemachtigde mr. dr. M.E.V. van Krieken-Boersma. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 14, de op voorhand door [gedaagde] toegezonden producties 1 tot en met 13, de pleitnota van [eiser] , de pleitnota van [gedaagde] , de mondelinge behandeling van 7 juni
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
- [eiser] is met ingang van 1 september 2018 in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van internationaal chauffeur tegen een loon van laatstelijk € 2.457,12 bruto per vier weken. (productie 1 bij dagvaarding) 2.
- [eiser] heeft zich op enig moment in januari 2021 ziekgemeld. [gedaagde] heeft nadien het loon tijdelijk stopgezet. Inmiddels zijn de arbeidsverhoudingen verstoord geraakt. Mediation heeft niet tot een oplossing geleid. 2.
- [eiser] vordert kort samengevat veroordeling van [gedaagde] tot betaling van achterstallig loon over de weken 1 tot en met 16 van 2021, vermeerderd met de (maximale) wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, alsmede betaling van de proceskosten en nakosten. 2.
- [gedaagde] heeft verweer gevoerd. 2.
- Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan. 3De beoordeling 3.
- Het is aan [eiser] zijn stellingen richting de kantonrechter en de wederpartij duidelijk te maken en te onderbouwen. In het voortraject heeft [eiser] in de e-mailcorrespondentie geen bedragen genoemd. De conceptdagvaarding bevat knip- en plakwerk; daarin staan bedragen doorgestreept die op een andere zaak betrekking hebben, zijn geen bedragen genoemd die [eiser] in de onderhavige zaak van [gedaagde] wenst te vorderen en wordt zelfs een andere procespartij genoemd. Ook de originele dagvaarding bevat onduidelijkheden. Zo wordt onder randnummer drie van de dagvaarding gesproken over een nettoloon van € 2.457,12 per vier weken terwijl in productie 2 van de dagvaarding waarnaar verwezen wordt dit als bruto bedrag staat vermeld. De ene keer spreekt [eiser] over een betaling van loon per vier weken en de andere keer over de 25ste van de maand. Verder zijn (onder meer) de berekeningen van de door [eiser] genoemde bedragen onbegrijpelijk. 3.
- De door [eiser] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ingenomen stellingen hebben het zicht op de zaak beslist niet verhelderd. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de omstandigheid dat [eiser] niet helder is over hetgeen hij nu precies vordert en de grondslag(en) van zijn vorderingen. [eiser] neemt steeds andere tegenstrijdige standpunten in. Waar [eiser] in de dagvaarding lijkt te stellen dat [gedaagde] geen overuren heeft uitbetaald, wordt bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de stelling ingenomen dat [gedaagde] vijf van de zeven overuren heeft uitbetaald. [eiser] laat vervolgens na hoe twee overuren per week kunnen leiden tot een gevorderde maandelijkse vergoeding van € 558,99 bruto. Na herhaaldelijk door de kantonrechter daarnaar gevraagd te hebben, vermindert [eiser] dienaangaande zijn vordering, maar laat na te vermelden tot welk bedrag. Het is niet aan de kantonrechter om dit uit te rekenen. Verder heeft [eiser] tegenstrijdige stellingen ingenomen over welke periode de betaling is opgeschort. 3.
- Het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] onnavolgbaar zijn, de grondslagen onduidelijk zijn gebleven en niet duidelijk is hoe de berekeningen zijn gemaakt. Nu [eiser] ook tijdens de mondelinge behandeling er niet in geslaagd is zijn stellingen voldoende te verhelderen, zullen zijn vorderingen worden afgewezen. 3.
- [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 747,00 salaris gemachtigde. 4De beslissing De kantonrechter: 4.
- wijst de vorderingen af, 4.
- veroordeelt [eiser] tot betaling van de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, begroot op € 747,
- Dit vonnis is gewezen door mr. K.J.H. Hoofs en is in het openbaar uitgesproken. CJ