← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2021:484

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Rekestnummers : 20/1239 Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift ex artikel 529 jo 530 van het Wetboek van Strafvordering van [verzoeker] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: verzoeker), woonplaats kiezende te 6221 CE Maastricht aan de Alexander Battalaan 40, ten kantore van zijn raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken. 1De inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 4.446,75 (inclusief BTW) voor de kosten van een raadsman in de beklagprocedure met rekestnummer 20/540, alsmede € 550,- voor de kosten van een raadsman voor de indiening en behandeling van dit verzoekschrift. 2De procesgang Het verzoekschrift is op 24 augustus 2020 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft het verzoekschrift op 20 oktober 2020 en 15 december 2020 in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft beide keren gehoord de (waarnemend) raadsman, alsmede de officier van justitie. 3De feiten en de standpunten Inleiding Bij beschikking van 14 juli 2020 is een namens verzoeker ingediend klaagschrift ex artikel 552a Sv met rekestnummer 20/540 gedeeltelijk gegrond verklaard en is de teruggave gelast van drie motorfietsen en één motoronderdeel aan verzoeker. Het beklag is ongegrond verklaard ten aanzien van negen andere – eveneens onder verzoeker inbeslaggenomen motorfietsen en -onderdelen. Het verzoek van de raadsman om een herstelbeschikking te wijzen, omdat het klaagschrift door hem was ingeperkt tot de motor(-onderdelen) waarvan uiteindelijk de teruggave is gelast, is door de rechter afgewezen. Het standpunt van verzoeker Ter onderbouwing van het onderhavige verzoek is aangevoerd dat in het klaagschrift duidelijk was aangegeven dat het ging om drie motorfietsen en drie motorblokken. In een nadien door de raadsman op 26 juni 2020 verstuurde brief is het klaagschrift ingeperkt tot vijf items, ten aanzien van vier waarvan de teruggave is gelast en ten aanzien van één daarvan niet is beslist. De ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van de overige negen items is dan ook abusievelijk gedaan, nu over deze items niet werd geklaagd. Nu aldus het klaagschrift gegrond is verklaard ten aanzien van de voorwerpen waar wél over werd geklaagd, bestaat ingevolge artikel 529 jo 530 Sv recht op vergoeding van de advocaatkosten die door verzoeker in de klaagschriftprocedure zijn gemaakt. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat het klaagschrift deels ongegrond is verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vergoeding gematigd moet worden omdat de urenspecificatie vragen oproept. 4De beoordeling Niet in geschil is dat – bij een gegrond verklaard klaagschrift – ingevolge het bepaalde in de artikelen (thans) 529 jo 530 van het Wetboek van Strafvordering de gewezen klager recht heeft op een vergoeding van de (advocaat)kosten die hij in de beklagprocedure heeft moeten maken. Dat een dergelijke vergoeding alleen bestaat bij gegrondverklaring van het gehele klaagschrift, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 530 lid 4 Sv en (onder meer) uit hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in rechtsoverweging 3.

  1. in het arrest met nummer ECLI:NL:HR:2009:BG
  2. In het onderhavige geval is er geen sprake van een geheel gegrond verklaard klaagschrift. Er is slechts sprake van een gedeeltelijke gegrondverklaring. Waar het in deze zaak om draait is of de beklagrechter abusievelijk heeft beslist over de voorwerpen ten aanzien waarvan het beklag ongegrond is verklaard, omdat het klaagschrift, wat deze voorwerpen betreft, reeds was ingetrokken en hierover niet meer beslist had hoeven worden. Vooropgesteld wordt dat op de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv, de bepalingen betreffende het aanwenden en intrekken van gewone rechtsmiddelen in boek III, titel V en VI van het Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn (zie onder meer de conclusie van de A-G bij het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 juni 2007, ECLI:Nl:HR:2007:BA0514, noot 10). In deze titel is – in artikel 453 Sv - bepaald dat uiterlijk vóór de aanvang van de behandeling van het klaagschrift dit kan worden ingetrokken door degene die dat heeft ingediend en dat deze intrekking met zich brengt dat mede afstand wordt gedaan van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden. Uit artikel 454 jo 451 Sv volgt dat de intrekking geschiedt door het afleggen van een verklaring op de griffie, die daarvan een akte opmaakt, die dient te worden ondertekend door degene die de verklaring aflegt. De klaagschriftprocedure met rekestnummer 20/540 is aangevangen door indiening van het klaagschrift ter griffie van deze rechtbank op 20 maart 2020, waarvan door de griffier een akte is opgemaakt. In dit klaagschrift wordt expliciet vermeld dat teruggave wordt verzocht van de motoren en motorblokken die in beslag zijn genomen op 23 februari 2020 aan de adressen [adres 1] en de [adres 2] te Heerlen. In het klaagschrift wordt nog genoemd dat de klager door het beslag schade lijdt omdat hij zijn bedrijf (dat wordt geëxploiteerd aan de [straat 1] te Heerlen) niet kan exploiteren. Naar aanleiding van het klaagschrift zijn bij het Openbaar Ministerie stukken opgevraagd die betrekking hebben op het beslag. Deze stukken, een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2020 betreffende de beslaglegging op beide genoemde adressen, alsmede de kennisgevingen van inbeslagneming (KVI’s) van in totaal zeven motoren en onderdelen aan de [adres 1] te Heerlen en drie motoren aan de [adres 2] te Heerlen, zijn door de griffie op 15 mei 2020 aan de raadsman verstuurd. Vóór de eerste behandeling van het klaagschrift in raadkamer, heeft de raadsman bij brief aan de griffier van 26 juni 2020 aan de rechtbank een aantal stukken doen toekomen. In deze brief is door de raadsman voorts expliciet ingegaan op de drie motoren die aan de [straat 2] in beslag waren genomen en op één motorblok dat aan de [straat 1] in beslag was genomen. Voorts stelt de raadsman in deze brief dat “in elk geval terzake alle motoren en motorblokken in deze mail benoemd niet kan worden vastgesteld dat daar iets mis mee is.” In deze brief wordt niet benoemd dat het klaagschrift ten aanzien van de andere inbeslaggenomen voorwerpen wordt ingetrokken en er is – dan ook – geen akte intrekking opgemaakt door de griffier. Vervolgens is het klaagschrift behandeld in openbare raadkamer van 30 juni
  3. Aldaar is de behandeling aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om processen-verbaal van bevindingen te overleggen met betrekking tot de identiteit en herkomst van de motoren en motoronderdelen, alsmede documenten waaruit kan blijken dat deze voorwerpen afkomstig zijn uit misdrijf. Op 9 juli 2020 zijn deze stukken door de officier van justitie aan de rechtbank verzonden en dezelfde dag doorgestuurd naar de raadsman. Van alle inbeslaggenomen motoren en onderdelen is een proces-verbaal identiteitsonderzoek onderdeel vervoermiddel overgelegd. Uit deze processen-verbaal bleek dat een aantal motoren en/of onderdelen als gestolen stond geregistreerd en een aantal niet. Tevens waren er processen-verbaal identiteitsonderzoek gemaakt van motoren- en onderdelen waarvan eerder geen KVI was verstrekt. Het klaagschrift is vervolgens 14 juli 2020 weer in openbare raadkamer behandeld. De beklagrechter heeft toen beslist dat ten aanzien van de motoren- en onderdelen waarvan niet is gebleken dat die van diefstal afkomstig zijn, het strafvorderlijk belang zich niet tegen teruggave verzet en dat het beklag wat die voorwerpen betreft gegrond zal worden verklaard. Wat betreft de overige motoren en motoronderdelen is geoordeeld dat het belang van strafvordering (een niet-hoogst onwaarschijnlijk te achten verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer) zich tegen teruggave verzette. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet kan worden volgehouden dat het klaagschrift gedeeltelijk is ingetrokken vóór de eerste inhoudelijke behandeling daarvan op 30 juni
  4. Ten eerste mag worden verwacht dat een gedeeltelijke intrekking – gelet op het verstrekkende gevolg van het prijsgeven van toekomstige mogelijkheid om een nieuw beklag in te dienen – expliciet en niet in mis te verstane bewoordingen wordt gedaan. In de tweede plaats nu van deze intrekking geen akte is opgemaakt. Bovendien blijkt ook uit het verdere verloop van de procedure niet dat het de (voor de rechtbank en officier van justitie ook kenbare) bedoeling was geweest van de raadsman om het klaagschrift te beperken tot de vier voorwerpen die uiteindelijk ook zijn teruggeven. Waarom zouden immers álle resultaten van de identiteitsonderzoeken naar de inbeslaggenomen voorwerpen worden gevraagd en door de officier van justitie worden ingebracht als het beklag zich nog maar uitstrekte over vier of vijf voorwerpen? Nu er geen sprake was van een gedeeltelijke intrekking, was de rechter gehouden om een beslissing te geven over alle inbeslaggenomen voorwerpen, hetgeen heeft geresulteerd in een gedeeltelijke ongegrondverklaring van het beklag. Nu het recht op een vergoeding ex de artikelen 529 jo 530 Sv alleen bestaat bij een gegrondverklaring van het klaagschrift en daarvan geen sprake is, wordt het verzoek, ook voor zover dit ziet op vergoeding van de kosten voor de indiening daarvan, afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P.A. Bisscheroux, rechter, in tegenwoordigheid van mr. de Jonge, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 12 januari
  5. Tegen deze beschikking staat voor verzoeker hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, in te stellen bij deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.