[betrokkene] , P/A M.J.M. BERGERS, BOSCHSTRAAT 21 A, 6211 AS MAASTRICHT. CJIB-nr: [CJIB-nummer] Zaaknr: 9090858 \ WM VERZ 21-336 Uw kenmerk: B201235 RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht CJIB-nr: [CJIB-nummer] Zaaknr: 9090858 \ WM VERZ 21-336 Beslissing op een beroep ex artikel 9 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) Beslissing op het beroep van: [betrokkene] , [adres] , [adres] . Aan betrokkene is een administratieve beschikking opgelegd ter zake de gedraging “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”, geconstateerd op 9 juli 2020 te Kerkrade, Kaalheidersteenweg. Na een namens betrokkene ingediend bezwaarschrift is de initiële beschikking vernietigd. De gemachtigde van betrokkene, M.J.M. Bergers te Maastricht, heeft de officier van justitie verzocht in het kader van het ingestelde beroep een proceskostenvergoeding toe te kennen. De officier van justitie heeft bij beslissing van 26 november 2020 het verzoek toegewezen en een vergoeding toegekend van € 262,50 (1 punt voor het indienen van het administratief beroep, samenhangende zaak, minder dan 4, factor 1 en wegingsfactor 0,5). Ter mondelinge behandeling van 10 juni 2021 is dhr. Bergers namens betrokkene verschenen. Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. M. Benelhaj. Van hetgeen ter zitting is verklaard, is proces-verbaal opgemaakt. De gemachtigde van betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat betrokkene van mening is dat er geen sprake is van samenhangende zaken. De zaak van betrokkene is door de officier van justitie als samenhangend aangemerkt met de zaak [naam] met CJIB-nummer 5062542234815702. In de zaak van [naam] gaat het om een - reeds vernietigde - beschikking voor een snelheidsovertreding buiten de bebouwde kom met feitcode VF022, die begaan zou zijn in Dronten. Dit is gemeten met een dienstvoertuig van de politie. Hiertegen is een administratief beroepschrift ingediend met als gronden - kort gezegd - dat de snelheidsmeting niet juist is uitgevoerd en dat dit geen betrouwbare meting heeft opgeleverd. In onderhavige zaak van [betrokkene] gaat het om een - reeds vernietigde - beschikking die is opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat in de gemeente Kerkrade. In deze zaak is - kort gezegd - aangevoerd dat de waarneming van de verbalisant niet klopt en dat betrokkene op dat moment geen telefoon vast had, maar zijn portemonnee. Gelet op het grote verschil in de aard van de gedragingen en dat deze op verschillende plekken in Nederland zouden zijn begaan, is het onbegrijpelijk dat deze twee zaken door de officier van justitie als samenhangend zijn aangemerkt. Om deze redenen zijn de werkzaamheden van de gemachtigde ook niet nagenoeg identiek geweest zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De gemachtigde heeft daarom verzocht het besluit inzake de proceskostenvergoeding te vernietigen en alsnog een aparte proceskostenvergoeding toe te kennen zoals de officier had behoren te doen. Tevens verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding voor onderhavig beroep. Nu de beoordeling van de gedraging niet meer aan het oordeel van de kantonrechter is onderworpen, omdat het bezwaar hiertegen door de officier van justitie is gehonoreerd in de vorm van vernietiging van de opgelegde beschikking, dient thans inderdaad enkel nog het verzoek tot vergoeding van kosten te worden beoordeeld. De kantonrechter ziet aanleiding om in meer algemene zin in te gaan op de wijze van omgaan met het Bpb door het CVOM. Dit om te bewerkstelligen dat voor CVOM en rechtsbijstandsverleners helder is hoe hij aankijkt tegen de toepassing van dat besluit en verschillende herhaaldelijk terugkomende discussiepunten tussen CVOM en rechtsbijstandsverleners. Daarbij betrekt de kantonrechter met nadruk dat niemand gebaat is met het bij voortduring blijven voeren van procedures over dezelfde onderwerpen die niet de inhoud van een zaak betreffen maar alleen nog maar gaan over de financiële afhandeling van zo’n zaak nadat een in beroep bestreden beslissing niet is gehandhaafd. Dergelijke procedures over steeds dezelfde onderwerpen leggen onnodig beslag op beperkt voorhanden zijnde zittingsruimte, dragen bij aan het ontstaan en blijven bestaan van achterstanden en aan oplopende doorlooptijden. Een voorbeeld daarvan is de zitting van de kantonrechter van deze datum, 10 juni 2021, waarin in een groot aantal zaken sprake is van dezelfde discussiepunten in soms verschillende combinaties. Per 1 juli aanstaande wijzigt het Bpb (Staatsblad 2020, 524 van 6 december 2020) en wordt het tarief voor beroep en hoger beroep gewijzigd, behoudens in enkele met name genoemde uitgezonderde zaaksoorten. Mulderzaken zijn overigens géén uitgezonderde categorie. De nota van toelichting bij die wijziging begint met de navolgende, voor de wijze van omgaan met proceskosten, relevante passage: “Aanleiding en doel van de wijziging Dit besluit strekt tot een verhoging van de proceskostenvergoeding – meer in het bijzonder de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand – die de burger krijgt als hij met succes een overheidsbesluit aanvecht bij de bestuursrechter. Deze wijziging beoogt bestuursorganen te prikkelen om besluiten nog beter voor te bereiden – betere primaire besluiten en betere beslissingen op bezwaar – wat, als het goed is, leidt tot minder procedures bij de bestuursrechter. De directe aanleiding voor de in dit besluit voorgestelde wijziging is een aanbeveling in het rapport Andere tijden van de Commissie evaluatie puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand (de commissie-Van der Meer).1 De commissie wijst in haar rapport op de rol van de overheid als veroorzaker van een deel van de vraag naar rechtsbijstand. Volgens de commissie is een veelgehoorde klacht dat er bij bestuursorganen weinig bewustzijn lijkt te bestaan over de kosten van rechtsbijstand. Zij procederen soms onnodig lang door en trekken dan bijvoorbeeld geen lering uit eerdere rechtspraak. In het onderzoek «Regels en ruimte – Verkenning Maatwerk in dienstverlening en discretionaire ruimte» wordt geconcludeerd dat de onderzochte bestuursorganen de fase van bezwaar en beroep veelal gebruiken om recht te doen aan de eis die voortvloeit uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot maatwerk in bepaalde gevallen. De onderzoekers bevelen aan om binnen de uitvoeringsorganisaties te bevorderen dat goede individuele besluitvorming van de achterkant (bezwaar en beroep) meer naar de voorkant wordt gebracht. Hoewel er de afgelopen jaren veel is geïnvesteerd in het verbeteren van de overheidshandelen in relatie tot de burger, onder andere via het programma Passend Contact met de Overheid (PCMO), komt het nog vaak voor dat bestuursorganen onvoldoende voortvarend trachten om enerzijds juridische problemen van burgers in een zo vroeg mogelijk stadium (het eerste- en tweedelijns-klantcontact) op te lossen en anderzijds juridische geschillen met burgers zo spoedig mogelijk te beëindigen. Als de bestuursrechter het beroep tegen een besluit gegrond verklaart, veroordeelt hij in de regel het betrokken bestuursorgaan in de proceskosten die de burger heeft moeten maken. Dat vloeit voort uit artikel 8:75 Awb en de manier waarop de bestuursrechter daaraan toepassing geeft. Mede ter uitvoering van die bepaling bevat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een regeling voor het uitrekenen van de toe te kennen proceskostenvergoeding, voornamelijk aan de hand van forfaitaire bedragen per soort proceshandeling. Deze wijziging van het Bpb verhoogt voor een groot aantal bestuursrechtelijke zaken de forfaitaire vergoeding voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de fases van beroep en hoger beroep met 40%. De voorgestelde verhoging moet bestuursorganen meer bewust maken van de gevolgen van hun handelen voor de burger en, indirect, ook van de kosten van de rechtspraak en de gefinancierde rechtsbijstand voor de belastingbetaler. Hoewel daarvoor moeilijk een cijfermatige onderbouwing kan worden gegeven, mag worden verondersteld dat er een verband bestaat tussen het handelen van bestuursorganen en de kosten die een bestuursorgaan voor een juridische procedure ten gevolge van dat handelen moet maken. Een goede afweging daarover door het bestuursorgaan leidt daarom, in combinatie met een aantal andere factoren, uiteindelijk tot betere besluitvorming, zo is de verwachting. Een investering aan de voorkant van het besluitvormingsproces zorgt voor minder juridische procedures. Als de kosten van een beroepsprocedure uiteindelijk hoger zijn dan de investering in betere besluitvorming geeft dat aan het bestuursorgaan een prikkel om deze investering te doen. Een hogere proceskostenveroordeling kan dus een drijfveer zijn voor bestuursorganen om betere primaire besluiten te nemen. Bij het voorgaande is van belang dat de verhoging van de proceskostenvergoeding niet een op zichzelf staande maatregel is, maar moet worden beschouwd in een breder verband van maatregelen ter stimulering van betere dienstverlening door de overheid.” De kantonrechter overweegt verder als volgt. Uit elkaar trekken van besluitvorming Het CVOM beslist regelmatig wel over het niet handhaven van een beschikking tot het opleggen van een maatregel echter zonder dat daarbij meteen ook een besluit wordt genomen over een toe te kennen proceskostenvergoeding in zaken waarin beroepsmatig rechtsbijstand is verleend en/of andere proceskosten aan de orde zijn. De kantonrechter acht dit onnodig belastend voor de afhandeling van een procedure nu de kantonrechter ook zaken ziet waarbij het soms weken tot zelfs maanden duurt voordat alsnog over die proceskosten wordt beslist. Dat maakt dat die rechtsbijstandsverleners dan soms al weer beroep hebben ingesteld tegen het uitblijven van zodanige beslissing. Dit terwijl de kantonrechter ook zaken ziet waarin het CVOM dat wel gelijktijdig doet. Een handelwijze die zeker ook te prefereren valt en juridisch juister is te achten naar het oordeel van de kantonrechter omdat zowel de betrokkene als de rechtsbijstandsverlener daarmee in een keer weten waaraan ze toe zijn, zowel inhoudelijk als qua proceskosten. Dit geldt te meer nu die beslissingen over proceskosten toch in feite standaard zouden moeten zijn. Ter zitting is door de gemachtigde van het CVOM overigens aangegeven dat het CVOM inmiddels zijn werkwijze ook in deze zin heeft aangepast en dat zo’n gefaseerde besluitvorming op een administratief beroep daarom inmiddels een uitzondering zou moeten zijn. De kantonrechter komt vervolgens toe aan de samenhangkwestie die partijen verdeeld houdt met betrekking tot de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding. Samenhang De opvatting van het CVOM dat er in de onderhavige zaak samenhang is met de andere hiervoor genoemde zaak acht de kantonrechter onbegrijpelijk. In het Bpb is geregeld wanneer er sprake is van samenhang. Dat past evident niet bij de uitleg die het CVOM hieraan in deze twee zaken geeft. Die uitleg houdt in dat er sprake is van samenhang omdat de beroepschriften door dezelfde gemachtigde ingediend zijn en identieke werkzaamheden betreffen. Het identieke zit hem er dan in dat in beide zaken sprake is van indiening van een beroepschrift. Artikel 3 van het Bpb houdt het volgende in: “1 Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. 2 Samenhangende zaken zijn: - door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, - waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en - van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.” In een uitspraak van 17 oktober 2018 overweegt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2018:9133) in dit verband dat het standpunt van een gemachtigde dat slechts sprake kan zijn van samenhangende zaken wanneer er overeenkomsten zijn tussen de sanctiebeschikkingen, geen steun vindt in het recht. Uit de hiervoor aangehaalde definitie blijkt, aldus het gerechtshof, dat doorslaggevend is in hoeverre de door de gemachtigde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.