vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rolnummer: C/03/264628 / HA ZA 19-263 Vonnis van 27 januari 2021 in de zaak van de besloten vennootschap WHITEL HOLDING B.V., gevestigd en zaakdoende te Tiel, eiseres, advocaat: mr. R.V. de Lauwere, tegen 1. de besloten vennootschap [bedrijfsnaam gedaagde] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te Beesel, gedaagde, niet verschenen, 2. [gedaagde], wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. J.G.C. van Baar. Partijen worden hierna Whitel, [bedrijfsnaam gedaagde] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de conclusie van antwoord; de akte houdende wijziging van eis (aanvulling subsidiaire grondslag) van Whitel; de akte houdende in geding brengen producties van Whitel; de akte naar aanleiding van eiswijziging van [gedaagde] ; de rolbeslissing van 27 november 2019; de akte inhoudelijk verweer vermeerderde eis van [gedaagde] ; de akte houdende in geding brengen producties van Whitel; de producties 30 tot en met 32 van [gedaagde] ; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 december 2020. 1.2. Tot slot is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Whitel is een vastgoedonderneming. 2.2. [bedrijfsnaam gedaagde] is de persoonlijke holding van [gedaagde] . [bedrijfsnaam gedaagde] participeerde in de vennootschappen DJOZZ BV (hierna: DJOZZ) en Nedhome BV (hierna: Nedhome). [gedaagde] was – via [bedrijfsnaam gedaagde] – van 8 januari 2013 tot 31 januari 2019 bestuurder van DJOZZ. DJOZZ bezat alle aandelen in Nedhome en was tevens haar bestuurder. 2.3. Whitel is sinds 2018 een van de aandeelhouders van DJOZZ. Whitel heeft bij overeenkomst van 29 augustus 2018 een lening van € 120.000,00 verstrekt aan Nedhome. 2.4. In het kader van die geldlening is op 24 augustus 2018 een borgtochtovereenkomst tot stand gekomen, waarbij – onder meer – [bedrijfsnaam gedaagde] zich voor een bedrag van € 40.000,00 borg heeft gesteld. 2.5. Nedhome heeft de lening niet terugbetaald. Zowel DJOZZ als Nedhome zijn gefailleerd, respectievelijk op 19 februari 2019 en 26 februari 2019. 3Het geschil 3.1. Whitel vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, 1. [bedrijfsnaam gedaagde] te veroordelen om aan Whitel een bedrag van € 40.000,00 te voldoen, op welke hoofdsom door [gedaagde] te betalen bedragen in mindering zullen strekken, zulks vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 2. [gedaagde] te veroordelen om aan Whitel een bedrag van € 40.000,00 te voldoen, op welke hoofdsom door [bedrijfsnaam gedaagde] te betalen bedragen in mindering zullen strekken, zulks vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 3. [bedrijfsnaam gedaagde] en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat en de kosten van het conservatoire beslag daaronder begrepen, vermeerderd met een voorwaardelijke veroordeling tot voldoening van het nasalaris, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden. 3.2. [gedaagde] voert verweer. 3.3. Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling teruggekomen. 4De beoordeling met betrekking tot de vordering tegen [bedrijfsnaam gedaagde] 4.1. Tegen [bedrijfsnaam gedaagde] wordt verstek verleend. Omdat [gedaagde] wel in het geding is verschenen, zal tussen alle partijen bij één vonnis uitspraak worden gedaan en zal dat vonnis gelden als een vonnis op tegenspraak. Omdat er tegen de vordering door [bedrijfsnaam gedaagde] geen verweer is gevoerd en die vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, behoudens het volgende, wordt deze jegens haar toegewezen als onder de beslissing vermeld. 4.2. Whitel vordert [bedrijfsnaam gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat Whitel heeft verzocht om ten laste van [bedrijfsnaam gedaagde] beslag te mogen leggen. Uit de overgelegde beslagstukken volgt enkel dat ten laste van [gedaagde] verlof is gevraagd en verkregen om beslag te leggen. Onvoldoende gesteld of onderbouwd is daarmee dat ten aanzien van [bedrijfsnaam gedaagde] beslagkosten zijn gemaakt. 4.3. [bedrijfsnaam gedaagde] wordt als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Whitel worden begroot op: - dagvaarding € 81,83 - griffierecht € 1.992,00 - salaris advocaat € 1.074,00 (1,0 punt × tarief € 1.074,00) Totaal € 3.147,83 4.4. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten worden toegewezen op de wijze zoals onder de beslissing vermeld. De wettelijke rente over de proceskosten en nakosten wordt toegewezen als hierna vermeld. met betrekking tot de vordering jegens [gedaagde] 4.5. Whitel stelt primair dat [gedaagde] zich (na het sluiten van de borgstelling door [bedrijfsnaam gedaagde] ) borg heeft gesteld voor een bedrag van € 40.000,00. [gedaagde] betwist dit. 4.5.1. Artikel 7:857 Burgerlijk Wetboek (BW), over de particuliere borgtocht, bepaalt dat de artikelen 7:857 BW tot en met 7:864 BW van toepassing zijn op borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijke persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen heeft. 4.5.2. Artikel 7:859 BW geeft een bewijsvoorschrift voor de particuliere borgtocht. Er kan niet ten nadele van de particuliere borg van worden afgeweken (artikel 7:862 BW). Uit het eerste lid van artikel 7:859 BW volgt dat de particuliere borgtocht in beginsel slechts door een geschift kan worden bewezen. Het bewijsvoorschrift van lid 1 wordt opgeheven indien de borg de verbintenis van de hoofdschuldenaar gedeeltelijk is nagekomen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Indien dus sprake is van een particuliere borgtocht, kan deze alleen door een geschrift worden bewezen. Vast staat dat een dergelijk geschrift niet bestaat. Indien dus sprake is van een particuliere borgtocht kan de vordering niet op deze grondslag worden toegewezen. De rechtbank dient daarom te beoordelen of sprake is van een particuliere borgtocht. 4.5.3. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd leidt de rechtbank het volgende af. De aandelen in Nedhome werden volledig gehouden door DJOZZ en [gedaagde] hield via [bedrijfsnaam gedaagde] 48% van de aandelen in DJOZZ. [bedrijfsnaam gedaagde] , met [gedaagde] als enig aandeelhouder, was (enig) bestuurder van DJOZZ. [gedaagde] heeft dus niet alleen of samen met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen in Nedhome gehouden ten tijde van de door Whitel gestelde borgstelling door [gedaagde] . 4.5.4. De rechtbank is van oordeel dat evenmin sprake is van het aangaan van een borgtocht door een natuurlijke persoon die handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. De door Whitel gestelde borgtocht komt er immers op neer dat [gedaagde] een extra verhaalsmogelijkheid voor Whitel zou creëren, zonder dat daar op dat moment enige tegenprestatie voor [gedaagde] tegenover zou staan. De rechtbank gaat hierbij uit van de stellingnamen van Whitel zoals ingenomen in de dagvaarding en de akte wijziging van eis. 4.5.5. Whitel heeft ter comparitie – in afwijking daarvan – nog betoogd dat [gedaagde] zich al gelijktijdig met de borgstelling door [bedrijfsnaam gedaagde] ook persoonlijk borg heeft gesteld. Voor deze stellingname geldt dat die wordt betwist door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd is en ook niet aannemelijk is. Indien dat het geval zou zijn geweest was het logisch geweest dat [gedaagde] de door/namens [bedrijfsnaam gedaagde] ondertekende borgstelling meteen tevens in privé zou ondertekenen, hetgeen niet gebeurd is. Ook zou het voor de hand hebben gelegen dat Whitel deze stellingname in haar eerdere processtukken zou hebben ingenomen. Bij gebrek aan onderbouwing wordt aan deze stellingname voorbij gegaan. 4.5.6. Slotsom van dit alles is dat sprake is van een (door [gedaagde] betwiste) particuliere borgtocht, die niet door een (wettelijk vereist) geschrift kan worden bewezen, zodat de vordering op de primaire grondslag niet toewijsbaar is. 4.6. Whitel stelt subsidiair dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad gehouden is om de vordering te voldoen. [gedaagde] betwist dit. 4.6.1. Whitel stelt dat [gedaagde] de borgstelling namens [bedrijfsnaam gedaagde] is aangegaan, terwijl hij wist of behoorde te weten dat [bedrijfsnaam gedaagde] de borgstelling niet zou kunnen nakomen. De rechtbank volgt Whitel hierin niet en overweegt daartoe het volgende. 4.6.2. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758) ten aanzien van een persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap het volgende overwogen:“(...) Het gaat (…) om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.