← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2021:5577

RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/702615-15 (ontneming) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte 9] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [adresgegevens verdachte 9] , hierna te noemen: [verdachte 9] . [verdachte 9] wordt bijgestaan door mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van: 29, 30 en 31 maart 2021, 6, 7, 13, 14, 19, 21, 26 en 28 april 2021, 3, 4, 25, 26, 27 en 28 mei 2021 en op 9 juli 2021 is het onderzoek gesloten. [verdachte 9] is op 30 maart 2021, 6 april 2021 en 3 mei 2021 verschenen en zijn raadsman is op meerdere dagen verschenen. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/702615-15. Op 9 juli 2021 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De vordering van het Openbaar Ministerie De vordering van het Openbaar Ministerie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte 9] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op 93.597 euro. Op de terechtzitting van 26 april 2021 heeft het Openbaar Ministerie de vordering gewijzigd tot een bedrag van 15.599,50 euro. 3Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat op vordering van het Openbaar Ministerie aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Aan de vordering ligt ten grondslag dat [verdachte 9] voordeel zou hebben genoten uit hennepteelt in het bedrijfspand aan de [adres] te Geleen, zoals hem onder feit 5 in de strafzaak ten laste was gelegd (zaakdossier 14). Bij voormeld vonnis van 9 juli 2021 is [verdachte 9] vrijgesproken van dit feit en dus van het aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende feit. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie nietontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. 4De beslissing De rechtbank: - verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak is gegeven door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer en mr. O.A.G. Corten, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.