← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2021:6129

beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Wrakingskamer Zaaknummer: C/03/294348 / HA RK 21-250 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster, gemachtigde E.W. Sweers te Kerkrade dat strekt tot wraking van mr. P.H.M. Kuster, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter. 1De procedure Op 14 juli 2021 is ter griffie een brief ontvangen betreffende ‘Wraking Rechter en Griffier’ in de zaak met nummer 8959939 CV EXPLO 21-179 tussen [naam] en [verzoekster] Gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen, heeft de voorzitter van de wrakingskamer beslist dat de rechter niet om een reactie gevraagd hoefde te worden. 2De beoordeling Ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek wordt ingevolge artikel 37, lid 1 Rv, gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. Een verzoek tot wraking dient ingevolge artikel 37, lid 2, Rv gemotiveerd te zijn. De verzoekende partij dient opgave te doen van de feiten of omstandigheden die het vermoeden wettigen dat de rechter bij de behandeling van de zaak niet onpartijdig of onafhankelijk zal zijn. Ingevolge artikel 4, lid 2, onder c, van het wrakingsprotocol kan de wrakingskamer een verzoek direct niet ontvankelijk verklaren indien het verzoek niet is gemotiveerd. De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek zeer summier is. Er worden geen feiten of omstandigheden genoemd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Verzoekster spreekt alleen over ‘Onduidelijke zaak voor ons, we vermoeden partijdigheid’ maar voert geen enkele grond voor wraking aan. Verzoekster gebruikt het woord ‘wraking’ en laat het daarbij. Het verzoek tot wraking voldoet dan ook niet aan de wettelijke motiveringsvereisten wat voor de wrakingskamer reden is het verzoek wegens kennelijke niet ontvankelijkheid buiten behandeling te laten. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de griffier, merkt de wrakingkamer op, dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een wrakingsverzoek van de griffier. Daarom is ook dit deel van het verzoek kennelijk niet ontvankelijk. Op grond van het vorenstaande kan een mondelinge behandeling achterwege blijven. 3De beslissing De wrakingskamer: verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet ontvankelijk; verklaart het verzoek tot wraking van de griffier niet ontvankelijk. Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, mr. J.J.M. Wassenberg en mr. V.P. van Deventer, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021. De voorzitter is buiten staat. De beslissing is getekend door mr. J.J.M. Wassenberg. type: coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.