vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/279457 / HA ZA 20-338 Vonnis van 11 augustus 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, advocaat mr. A.B. Sluijs te 's-Gravenhage, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats 2] , 2. [gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats 3] , gedaagden, advocaat mr. J.P.M. Bergmans te Maastricht. Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden apart [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd en gezamenlijk [gedaagden] 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, de conclusie van antwoord, de rolbeslissing van 7 oktober 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, de akte, tevens houdende een vermeerdering van eis van [eiser] , het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 2 juni 2021, het rolbericht van [gedaagden] , het rolbericht van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Op [overlijdensdatum] is de heer [erflater] , hierna: erflater, overleden. [eiser] is een van de drie kinderen van erflater. 2.2. Erflater was op het moment van zijn overlijden met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde sub 1] . In artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden zijn erflater en [gedaagde sub 1] het volgende overeengekomen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in geval van overlijden van een van de echtgenoten: A. Einde van het huwelijk door overlijden 1. Ingeval het huwelijk door overlijden wordt ontbonden, vindt er verrekening van de vermogens van de echtgenoten plaats zo, dat de langstlevende en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot gerechtigd zijn tot een waarde gelijk aan die, waartoe zij gerechtigd zouden zijn indien tussen de echtgenoten gedurende hun huwelijk de wettelijke gemeenschap van goederen had bestaan. 2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk. De beschrijving van de vermogens zal plaatshebben binnen zes maanden na ontbinding van het huwelijk. 3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden, waarbij het vermogen van de langstlevende dient te worden vermeerderd met de te zijnen laste komende en tijdens het huwelijk betaalde premies en koopsommen alsmede de daarover berekende wettelijke rente. (…). 2.3. Bij testament verleden voor [naam notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , heeft erflater [gedaagde sub 1] tot zijn enige en algehele erfgename benoemd. Daarnaast heeft erflater [gedaagde sub 2] tot executeur van zijn nalatenschap benoemd. 2.4. [gedaagde sub 1] heeft de nalatenschap van erflater bij akte van 9 maart 2016, opgemaakt ter griffie van de rechtbank Limburg, beneficiair aanvaard. 2.5. De rechtbank heeft bij brief van 6 juli 2016 bericht geen aanleiding te zien om aanwijzingen aan de vereffenaar te geven of bijzondere verplichtingen op te leggen. 2.6. Bij arrest van 26 maart 2019 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch [gedaagde sub 2] pro se veroordeeld tot betaling van € 8.346,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2016 tot de dag van betaling, aan [naam ex-echtgenote] . [naam ex-echtgenote] is de ex-echtgenote van erflater en de moeder van [eiser] . Zij heeft [gedaagde sub 2] zowel pro se als in zijn hoedanigheid van executeur in rechte betrokken in verband met een aanspraak op de nalatenschap. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om op strafe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 voor elke dag of dagdeel dat door [gedaagden] niet aan het bevel wordt voldaan, [eiser] inzage te verschaffen in en afschriften te verstrekken van de in de dagvaarding onder de punten 35 tot en met 58 genoemde bescheiden, meer in het bijzonder de bescheiden zoals onder 1 in het petitum opgesomd, op grond van de door [gedaagden] verstrekte informatie, dan wel als de verzochte en benodigde informatie om de legitieme te kunnen vaststellen ontbreekt, de legitieme portie in de nalatenschap van erflater vaststelt op een bedrag van € 31.250,00 of op zoveel meer of minder als de rechtbank juist acht, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van overlijden van erflater, tot aan de dag van algehele voldoening, [gedaagden] hoofdelijk des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 6.775,00 te betalen althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag ter zake buitengerechtelijke (incasso)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de dag van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, [gedaagden] hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot vergoeding van de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, [gedaagden] hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt te veroordelen tot vergoeding van het nasalaris, te begroten op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 met betekening. 3.3. [gedaagden] voeren verweer tegen toewijzing van de vorderingen. 3.2. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling Toewijsbaarheid van de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] . 4.1. [gedaagde sub 2] is in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap en pro se gedagvaard. [gedaagde sub 1] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Dit brengt mee dat deze op grond van artikel 4:202 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet worden vereffend. Uit artikel 4:149 lid 1 sub d volgt dat de taak van de executeur eindigt in het geval de nalatenschap moet worden vereffend. Hoewel uit artikel 4:150 BW volgt dat de beëindiging van de taak van de executeur niet altijd tot gevolg heeft dat zijn beheer automatisch eindigt, is dat hier wel het geval (Asser / Perrick 4 2017/700). Gelet hierop kan [gedaagde sub 2] niet op de voet van artikel 4:78 BW in zijn hoedanigheid van met de beheer van de nalatenschap belaste executeur worden aangesproken ter verkrijging van de informatie die [eiser] als legitimaris nodig heeft om zijn legitieme portie te kunnen berekenen. 4.2. Ook valt niet in te zien op grond waarvan [gedaagde sub 2] pro se gehouden zou zijn tot verstrekking van die informatie aan [eiser] . Als het al juist zou zijn dat [gedaagde sub 2] “er een potje van heeft gemaakt” kan die omstandigheid niet leiden tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] als gevolmachtigde van [gedaagde sub 1] de op haar als vereffenaar rustende taken vervult. De in dit kader aan te spreken persoon is dan immers de volmachtgever [gedaagde sub 1] . Daarom zal de vordering voor zover die ertoe strekt dat [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van executeur dan wel pro se wordt veroordeeld tot het verstrekken van informatie aan [eiser] bij eindvonnis worden afgewezen. 4.3. Voor de vordering die strekt tot vaststelling van zijn legitieme portie geldt hetzelfde. Niet valt in te zien op grond waarvan [eiser] er belang bij heeft dat, in het geval de legitieme portie een positieve waarde vertegenwoordigt, zijn hieruit voortvloeiende aanspraak jegens [gedaagde sub 2] , in zijn hoedanigheid van executeur wordt vastgesteld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de taak van [gedaagde sub 2] als executeur is geëindigd. Ook valt niet in te zien op grond waarvan [eiser] er belang bij heeft dat een eventuele aanspraak jegens [gedaagde sub 2] pro se wordt vastgesteld. 4.4. Aangezien de vorderingen voor zover deze jegens [gedaagde sub 2] pro se dan wel in zijn hoedanigheid van executeur zijn ingesteld bij eindvonnis worden afgewezen, treft de vordering die ertoe strekt dat [gedaagde sub 2] wordt veroordeeld tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, hetzelfde lot. Ten slotte zal bij eindvonnis de vordering om [gedaagde sub 2] (hoofdelijk) in de kosten van deze procedure worden afgewezen. Tijdigheid aanspraak op legitieme portie en omvang legitieme portie 4.5. Het is niet in geschil dat [eiser] tijdig, dat wil zeggen binnen de in artikel 4:85 BW genoemde termijn, aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie. Daarnaast is niet in geschil dat de legitieme portie van [eiser] een achtste deel van de waarde van de legitimaire massa bedraagt. Recht op informatie van [eiser] als legitimaris 4.6. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] als legitimaris aanspraak heeft op alle informatie die relevant is voor de vaststelling van de waarde van de legitimaire massa en, in het verlengde daarvan, voor de vaststelling van zijn legitieme portie. Welke informatie moet [gedaagde sub 1] verstrekken? 4.7. [eiser] vordert met het oog op de vaststelling van de waarde van de legitimaire massa en zijn legitieme portie inzage in en afschrift van allerlei informatie. De rechtbank zal hierna per onderwerp beoordelen of de verzochte informatie moet worden verstrekt. Bij haar beoordeling neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de legitieme portie van [eiser] op grond van het bepaalde in artikel 4:65 BW dient te worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap. Deze waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening op de voet van artikel 4:67 BW in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Dit geheel wordt ook wel de legitimaire massa genoemd. Boedelbeschrijving 4.8. [eiser] verlangt inzage in en afschrift van een complete en volledige boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater, met objectief verifieerbare bewijsstukken, zoals een inboedellijst en taxatierapporten. Ter onderbouwing van deze vordering stelt [eiser] dat tot nu toe geen boedelbeschrijving, voorzien van onderliggende stukken is opgemaakt waaruit de juistheid van een en ander blijkt, is opgesteld waarin het totale vermogen van erflater op [overlijdensdatum] volledig en compleet is gedocumenteerd. Die boedelbeschrijving moet er volgens [eiser] alsnog komen. 4.9. [gedaagde sub 1] betwist dat een nieuwe boedelbeschrijving moet worden opgemaakt. Zij stelt zich op het standpunt dat de meest recent opgemaakte en door haar in het geding gebrachte boedelbeschrijving met onderliggende stukken van 22 februari 2018 volledig is. 4.10. De rechtbank constateert dat [eiser] in zijn petitum vordert dat aan hem inzage wordt verschaft in en dat hem afschriften worden verstrekt van de door hem genoemde stukken, waaronder de boedelbeschrijving. [eiser] vordert in zijn petitum niet dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot het opmaken van een boedelbeschrijving. De rechtbank is gelet op de door [eiser] ter onderbouwing van dit onderdeel van zijn vordering ingenomen stellingen echter van oordeel dat zijn vordering niet anders kan worden begrepen dan dat hij beoogt dat (nogmaals) een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. [gedaagde sub 1] heeft de vordering ook zo opgevat. Daarom zal de rechtbank de vordering van [eiser] als zodanig beoordelen. 4.11. [gedaagde sub 1] is in haar hoedanigheid van vereffenaar van de beneficiair aanvaarde nalatenschap op grond van artikel 4:211 lid 1 en lid 3 BW gehouden een boedelbeschrijving op te maken of te doen opmaken en deze, als een boedelnotaris ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neer te leggen, zodat de schuldeisers van de nalatenschap deze kunnen inzien. Sinds het overlijden van erflater is een drietal boedelbeschrijvingen opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat bij het opmaken van die boedelbeschrijvingen geen rekening is gehouden met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen erflater en [gedaagde sub 1] op de voet van het in artikel 10 van die huwelijkse voorwaarden verrekenbeding. De nalatenschap heeft mogelijk een aanspraak jegens of een schuld aan [gedaagde sub 1] in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Aangezien vaststaat dat een en ander niet in de tot nu toe opgemaakte boedelbeschrijvingen is verwerkt, staat alleen al hierom vast dat die boedelbeschrijvingen geen compleet en volledig beeld geven van het vermogen van erflater op [overlijdensdatum] . De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiser] belang erbij heeft dat alsnog een boedelbeschrijving wordt opgesteld waarin het totale vermogen van erflater op [overlijdensdatum] is vermeld. Dit is immers relevant voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa. 4.12. In de op te maken boedelbeschrijving moet rekening worden gehouden met een eventuele aanspraak van de nalatenschap jegens dan wel schuld aan [gedaagde sub 1] uit hoofde van de afwikkeling van het in artikel van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding. Hiertoe dient alsnog afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen erflater en [gedaagde sub 1] plaats te vinden, waarbij [overlijdensdatum] als peildatum dient te worden gehanteerd voor zowel de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen als de waarde daarvan. Dit betekent dat ook rekening moet worden gehouden met een eventuele schuld van de nalatenschap aan [naam ex-echtgenote] . 4.13. Verder moet in de boedelbeschrijving opgaaf worden gedaan over de volledige op [overlijdensdatum] tot de nalatenschap behorende inboedel. Aangezien erflater en [gedaagde sub 1] met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen waren gehuwd, gaat het hier om de inboedelzaken die op [overlijdensdatum] in eigendom aan erflater toebehoorden. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde geweest dat op [overlijdensdatum] in ieder geval een ketel (het familiestuk van de Noorse grootmoeder) en een schilderij van Groen tot de nalatenschap behoorden. Deze dienen dus in ieder geval in de boedelbeschrijving te worden opgenomen. Hierbij moet, voor zover mogelijk gemotiveerd aan de hand van verificatoire stukken, een standpunt worden ingenomen over de waarde van iedere afzonderlijke zaak op [overlijdensdatum] . 4.14. Volgens [eiser] behoorde op [overlijdensdatum] ook tot de inboedel en dus tot de nalatenschap van erflater een modelschip, een barograaf en een schilderij van Delfgaauw. [gedaagde sub 1] heeft dat betwist. Volgens haar zijn deze zaken jaren voor zijn overlijden door erflater aan haar zoon geschonken. Aangezien [eiser] zich op het rechtsgevolg van zijn stelling beroept, ligt het op zijn weg om deze in geval van betwisting (voldoende) te onderbouwen. Hierin is hij niet geslaagd. Hij heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan, in weerwil van de betwisting daarvan door [gedaagde sub 1] , zou kunnen worden geconcludeerd dat deze zaken op [overlijdensdatum] tot de nalatenschap behoorden. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat deze zaken door erflater voor zijn overlijden zijn geschonken aan de zoon van [gedaagde sub 1] . Deze zaken behoeven daarom niet op de boedelbeschrijving te worden vermeld. Dit neemt niet weg dat de waarde van deze zaken relevant kan zijn voor de vaststelling van de legitimaire massa. Daarom dient [gedaagde sub 1] een standpunt in te nemen over het moment van de schenking. Daarbij dient zij tevens aan de hand van het wettelijk kader een standpunt in te nemen over wat dit betekent voor de vaststelling van de waarde van de legitimaire massa en, zo nodig, over de waarde van deze zaken ten tijde van de prestatie. [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Belastingaangiften en -aanslagen inkomstenbelasting 4.15. [eiser] vordert inzage in en afschriften van alle aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar van overlijden van erflater. Ter onderbouwing van dit onderdeel van zijn vordering stelt [eiser] dat hij deze nodig heeft om inzicht te krijgen in het vermogen van erflater en [gedaagde sub 1] . Daar komt bij dat de tot nu toe verstrekte fiscale stukken volgens [eiser] niet corresponderen met de belastingschulden die er op [overlijdensdatum] zouden zijn geweest. Voor die schulden geldt bovendien dat een en ander niet is te rijmen met de aflossing van belastingschulden waarvoor steeds geld zou zijn gereserveerd. 4.16. [gedaagde sub 1] stelt zich onder verwijzing naar de door haar als productie 7 en 8 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte stukken op het standpunt dat zij alle gegevens die aan haar door Belastingdienst zijn verstrekt aan [eiser] heeft verstrekt. Volgens haar ontbreken geen gegevens, zodat dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen. 4.17. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] , gelet op het bepaalde in artikel 4:67 BW en om te kunnen verifiëren of erflater op [overlijdensdatum] inderdaad de in de boedelbeschrijving van 22 februari 2018 genoemde belastingschulden had, belang heeft bij verkrijging van inzage in en afschriften van de belastingaangiften en -aanslagen van erflater in de vijf jaar voorafgaand aan zijn overlijden. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] niet in haar betoog dat dit onderdeel van de vordering moet worden afgewezen, omdat zij alle gegevens al aan [eiser] heeft verstrekt. De door [gedaagde sub 1] in dit verband in het geding gebrachte stukken zijn in ieder geval niet compleet en volledig. Aangezien [gedaagde sub 1] ter onderbouwing van haar standpunt naar deze gegevens verwijst, gaat de rechtbank ervan uit dat zij niet meer of andere gegevens aan [eiser] heeft verstrekt dan zij in het geding heeft gebracht. 4.18. Voor de belastingaangiften over de jaren 2011 tot en met 2015 geldt dat [gedaagde sub 1] documenten in het geding heeft gebracht die kennelijk daarop betrekking hebben. De rechtbank kan echter niet beoordelen of deze documenten volledig zijn en of het om de definitieve belastingaangiften gaat op basis waarvan de belastingaanslagen over ieder betreffend jaar is vastgesteld. [gedaagde sub 1] dient alsnog (kopieën van) de definitieve belastingaangiften over 2011 tot en met 2015 aan [eiser] te verstrekken. Daarbij moet kunnen worden vastgesteld dat het om de definitieve aangiften gaat. 4.19. Voor de belastingaanslagen over 2011 tot en met 2015 geldt dat over 2013 enkel de voorlopige aanslag in het geding is gebracht. [gedaagde sub 1] dient alsnog (een kopie van) de definitieve aanslag over 2013 aan [eiser] te verstrekken. Overzicht van alle schulden van erflater op het moment van overlijden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 BW onder a tot en met c 4.20. [eiser] vordert inzage in en afschrift van een overzicht van alle schulden van erflater op het moment van zijn overlijden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c BW. 4.21. Bij dit onderdeel van zijn vordering heeft [eiser] geen belang meer, omdat [gedaagde sub 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat er op [overlijdensdatum] niet meer schulden waren dan de schulden die in deze procedure aan de orde zijn gekomen. Dit laat onverlet dat, zoals hiervoor onder het kopje “Boedelbeschrijving” is overwogen wel opgaaf moet worden gedaan van een eventuele schuld aan [gedaagde sub 1] in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en van de eventuele schuld aan [naam ex-echtgenote] . Overzicht van schulden die open stonden op het moment van overlijden en daarna zijn betaald 4.22. [eiser] vordert inzage in en afschrift van een overzicht van de schulden die open stonden op het moment van overlijden van erflater en daarna zijn betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat dit onderdeel van zijn vordering betrekking heeft op de lening bij Santander. Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe de overeenkomst van geldlening met Santander niet verstrekt, zodat hij niet kan controleren of deze lening alleen door erflater of door erflater en [gedaagde sub 1] gezamenlijk is afgesloten. Daarnaast moet opheldering worden gegeven over de reden voor het aangaan van deze lening. In het geval de lening is aangegaan om goederen aan te schaffen dan moeten deze op de boedelbeschrijving worden vermeld, aldus nog steeds [eiser] . 4.23. [gedaagde sub 1] betwist dat zij inzage in en een afschrift van de leningovereenkomst met Santander dient te verstrekken. Volgens haar is daarover geen uitleg aan [eiser] verschuldigd. Aangezien erflater de lening is aangegaan, dient deze bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap te worden betrokken en is deze terecht in de boedelbeschrijving opgenomen. 4.24. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] belang heeft bij verkrijging van inzage in en een afschrift van (een kopie van) de overeenkomst van geldlening. [eiser] moet kunnen verifiëren of deze lening al dan niet tot de nalatenschap behoort en zo ja, of deze geheel of slechts gedeeltelijk tot de nalatenschap behoort. [gedaagde sub 1] dient daarom (een kopie van) de overeenkomst aan [eiser] te verstrekken. Daarnaast dient [eiser] informatie verstrekken waaruit blijkt wat op de peildatum de omvang van de lening was. In het geval de lening alleen door erflater is aangegaan is het, anders dan [eiser] stelt, terecht dat het volledige openstaande bedrag op de peildatum op de boedelbeschrijving is vermeld. Dit neemt echter niet weg dat de lening hoe dan ook, ongeacht of deze alleen door erflater of door hem en [gedaagde sub 1] gezamenlijk is aangegaan, in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen erflater en [gedaagde sub 1] dient te worden betrokken. Ten slotte dient [gedaagde sub 1] zich, zo veel mogelijk onderbouwd door middel van verificatoire bescheiden, uit te laten over het doel waarvoor de lening is aangegaan. [eiser] heeft hierbij belang, omdat in het geval de lening is aangegaan ter verwerving van een of meer goederen door erflater en/of [gedaagde sub 1] die op [overlijdensdatum] nog tot het vermogen van erflater en/of [gedaagde sub 1] behoorden, die goederen geheel of gedeeltelijk tot de nalatenschap behoren dan wel in ieder geval moeten worden betrokken in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Overzicht van vorderingen op derden 4.25. [eiser] vordert inzage in en afschrift van een overzicht waarop alle vorderingen van de nalatenschap op derden zijn vermeld. Ter onderbouwing van dit onderdeel van zijn vordering stelt [eiser] dat hij niet weet of erflater op [overlijdensdatum] vorderingen op derden had. Om die reden wenst hij informatie hierover. 4.26. [gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat zij niet bekend is met vorderingen van de nalatenschap op derden. 4.27. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] belang heeft bij verkrijging van informatie over de vraag of op [overlijdensdatum] vorderingen op derden tot de nalatenschap behoorden, omdat het bestaan daarvan de waarde van de nalatenschap en dus ook de legitimaire massa beïnvloedt. Hoewel gelet op de tot nu toe beschikbare informatie geen concreet aanknopingspunt bestaat om te veronderstellen dat de nalatenschap, afgezien van een eventuele aanspraak op [gedaagde sub 1] uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, vorderingen heeft op derden, dient [gedaagde sub 1] toch na te gaan of die vorderingen er zijn en zich daarover uit te laten en zo nodig opgaaf daarvan te doen. Daarbij dienen dan verificatoire bescheiden te worden verstrekt waaruit de omvang van die eventuele vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.