← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2021:6707

beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Wrakingskamer Zaaknummer: C/03/289693 / HA RK 21-142 De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken op het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] , gevestigd te Maastricht, verzoekster, advocaat mr. L.L.A.M. Thissen te Heerlen, dat strekt tot wraking van mr. V.E.J. Noelmans, rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter). 1De procedure Op 16 maart 2021 is namens verzoekster ter griffie een e-mail bericht ontvangen inhoudende een verzoek tot wraking in de zaak met nummer 288872 KG ZA 21-76 tussen [eiseres] als eiser en [gedaagde] als gedaagde. De rechter heeft op 17 maart 2021 de wrakingskamer bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten en hij heeft de wrakingskamer haar schriftelijke reactie doen toekomen. De behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden op 31 maart

  1. Ter zitting van de wrakingskamer zijn de advocaat van verzoekster en de rechter verschenen. De datum van de uitspraak is bepaald op heden. 2De gronden van het verzoek Namens verzoekster is aangevoerd: dat de rechter een oud-kantoorgenoot is van de advocaat van gedaagde en zij dus jarenlang collega’s zijn geweest; dat de rechter gedurende zijn advocatenstage als advocaat-stagiaire is begeleid door de advocaat van gedaagde, mr. Pfeil, in hoedanigheid van patroon. De genoemde omstandigheden maken dat er een zodanige bijzondere persoonlijke band is ontstaan tussen de rechter en de advocaat van gedaagde dat de onpartijdigheid op zijn minst te betwijfelen valt. De rechter had, om de schijn van partijdigheid weg te nemen gehoor kunnen/moeten geven aan het verzoek tot heroverweging van zijn positie. Dat heeft de rechter niet gedaan. 3Het standpunt van de rechter De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangegeven dat het correct is dat mr. Pfeil en hij kantoorgenoten zijn geweest. Hij is vanaf 1 augustus 2007 tot en met 31 januari 2011 als advocaat(stagiaire) werkzaam geweest bij Themis Advocaten, alwaar mr. Pfeil eveneens werkzaam was. Het is niet correct, zo verwoordt de rechter, dat mr. Pfeil zijn patroon is geweest, dat was namelijk gedurende de gehele advocatenstage mr. Van der Heiden. Voorts geeft de rechter aan dat uit het voorgaande blijkt dat hij al meer dan tien jaar niet meer werkzaam is bij Themis Advocaten. Daarbij heeft hij, na zijn vertrek bij Themis Advocaten, geen enkel privé-contact meer gehad met mr. Pfeil. Het enige contact dat er tussen hen heeft bestaan is zakelijk van aard en uiterst beperkt van omvang geweest. Verwijzend naar het voorgaande merkt de rechter op dat hij van mening is dat niets in de weg staat aan de behandeling van het kort geding door hem als voorzieningenrechter. Van een persoonlijke band, laat staan een bijzondere, tussen hem en mr. Pfeil is geen sprake. In de toelichting ter zitting heeft de rechter aangegeven dat er na het verzoek van mr. Thissen overleg met zijn teamvoorzitter is geweest en dat daarvan de uitkomst is dat hij de zaak als voorzieningenrechter kan doen. Daarom heeft hij mr. Thissen ook bericht dat er geen aanleiding is om zijn positie als voorzieningenrechter te heroverwegen. 4De beoordeling De wrakingskamer beoordeelt of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van en procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn. Verzoeker stelt dat er sprake is van schijn van partijdigheid omdat de rechter en de advocaat van de tegenpartij, mr. Pfeil, tot 10 jaar geleden collega’s waren op hetzelfde advocatenkantoor en zij dientengevolge een relatie met elkaar hebben. De vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn. De wrakingskamer overweegt dat de rechter in zijn schriftelijke reactie en ter zitting voldoende heeft toegelicht dat er geen andere dan een zakelijke relatie bestaat met mr. Pfeil. Verzoeker heeft herhaald dat het om een gevoelige zaak gaat, die volstrekte onpartijdigheid vereist. De wrakingskamer ziet in de aangevoerde argumenten geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en geen grond waarom de rechter deze zaak als voorzieningenrechter niet zou kunnen doen. De wrakingskamer is daarom van oordeel dat het verzoek ongegrond is en moet worden afgewezen. 5De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. P. Hoekstra en mr. A.M. Schutte, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 april
  2. type: coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.