RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 27 augustus 2021 Zaaknummer: C/03/276243 / FA RK 20-1160 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake: [de moeder] , verder te noemen: de moeder, wonend te [woonplaats 1] , advocaat mr. A.M. Holmes, kantoor houdend te Maastricht, tegen: [de vader] , verder te noemen: de vader, wonend te [woonplaats 2] , advocaat mr. S.L. Smits-Emons, kantoor houdend te Echt, gemeente Echt-Susteren. Als informant in deze procedure wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Heerlen, hierna te noemen: de GI. Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost-Nederland, verder te noemen: de raad, gevestigd te Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken. Deze procedure gaat over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , in rechte vertegenwoordigd door hun bijzondere curatoren mr. A.J. Crombag, advocaat, kantoor houdend in Beek, en drs. M.E. Kaminski, psycholoog, kantoor houdend in Roermond, hierna gezamenlijk te noemen: de bijzondere curatoren. Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 1 april 2021 uitgesproken beschikking. 1Het verder verloop van de procedure 1.1. Het verder verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van de bijzondere curatoren namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met daarbij als bijlage het rapport van de bijzondere curatoren van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 28 juni 2021, ingekomen op 30 juni 2021; de reactie van de GI bij brief van 7 juli 2021; de reactie van de moeder bij e-mailbericht van 13 juli 2021; de reactie van de vader bij e-mailbericht van 14 juli 2021. 2Verdere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist. 2.2. De bijzondere curatoren hebben in de afgelopen maanden uitgebreid gesproken met de vader, de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben tevens contact gehad met enkele belangrijke personen in het netwerk van het gezin. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben de bijzondere curatoren een rapport uitgebracht van hun bevindingen naar aanleiding van de concrete vragen van de rechtbank als genoemd in voornoemde beschikking van 1 april 2021. Op basis van de bevindingen hebben de bijzondere curatoren zich namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot de rechtbank gewend en hebben zij via de informele rechtsingang verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de gewijzigde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nadat de hulpverleningstrajecten aan de vader, de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn opgestart c.q. worden voortgezet, I. voor wat betreft de reguliere zorgregeling te bepalen: dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in alle even weken, van vrijdag uit school tot woensdagochtend (in de oneven weken) bij de vader verblijven, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op woensdag om 08.30 uur naar school brengt. Wanneer er op woensdag/vrijdag geen school is, is de overdracht van de kinderen om 12.00 uur; [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken bij de moeder verblijven van woensdag uit school tot vrijdagochtend in de even weken. De moeder brengt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vrijdagochtend om 08.30 uur naar school. Wanneer er op woensdag/vrijdag geen school is, is de overdracht van de kinderen op woensdag/vrijdag om 12.00 uur; een en ander zoals nader bepaald in bijlage 1 achter het rapport van de bijzondere curatoren van 28 juni 2021; II. voor wat betreft de verdeling vakanties en feestdagen te bepalen: dat het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de vakanties en feestdagen gelijkelijk tussen de ouders wordt verdeeld; een en ander zoals nader bepaald in bijlage 2 achter het rapport van de bijzondere curatoren van 28 juni 2021; waarbij de overdracht in de vakantie, op feestdagen en als er geen school is om 12.00 uur plaatsvindt. Een vakantieperiode begint op vrijdag en vakanties zijn leidend voor wat betreft het weekrooster, en feestdagen en verjaardagen van de kinderen zijn leidend bij een vakantieregeling; III. en daarbij te bepalen dat er iedere drie maanden een evaluatie van de regeling dient plaats te vinden onder regie van de GI, althans zolang de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortduurt. 2.3. In het verzoekschrift van de bijzondere curatoren wordt het volgende beschreven (citaat): “Middels het onderzoek dat de bijzonder curatoren hebben verricht is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van beide ouders veel houden en bij beide ouders graag zijn. Op dit moment zijn er nog de nodige obstakels in het door hun zo gewenste onbezorgde contact met beide ouders. De oorzaak hiervan is deels te vinden op het individueel niveau van elke ouder afzonderlijk (intrapsychisch) en deels in het negatieve interactie patroon van de ouders (systemisch). [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlangen in het contact met hun beide ouders naar een normale en rustige situatie. Op basis van het zeer belaste verleden tussen de ouders onderling en alle pogingen die in de afgelopen 3,5 jaar door alle betrokken professionals zijn ondernomen om het negatieve patroon en de destructieve ex-partnerstrijd te doorbreken, kan inmiddels vastgesteld worden dat het zoeken van een compromis in deze kwestie niet haalbaar en helpend is en verdere bemiddeling tussen de ouders op dit moment enkel strijdverhogend werkt. De ouders dienen volledig los van elkaar te komen, zo weinig mogelijk contacten met elkaar te onderhouden en middels zeer duidelijke en afgebakende afspraken - ieder vanuit hun eigen kracht - als goede ouders voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen functioneren. Het solo parallelle ouderschap is in deze zaak aldus aangewezen. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als de beide ouders, door professionele hulpverlening ondersteund en begeleid worden in de verdere acceptatie, invulling en vormgeving van dit solo parallelle ouderschap. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal deze begeleiding naar ons idee ingevuld dienen te worden door Plinthos, voor moeder zal de begeleiding bij Yvoor dien te worden voortgezet en voor vader zal een systemische behandeling vanuit het GIB dienen te worden opgestart. Om uiteindelijk te kunnen komen tot een verbetering - en op termijn hopelijk normalisering - van dit gezinssysteem dienen alle betrokkenen een stevig commitment aan te gaan en zich ten zeerste in te spannen en open te stellen voor de aangeboden hulpverlening en coaching in het solo parallelle ouderschap. Daarnaast is het van groot belang dat er zeer duidelijke afspraken vastgesteld worden over de invulling van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in reguliere zin en tijdens schoolvakanties, feest- en verjaardagen. Dit om duidelijke kaders te stellen, nieuwe conflictsituaties tussen de ouders voor zoveel als mogelijk te kunnen voorkomen en daarmee rust te kunnen creëren. Ouders wordt aanbevolen om zich beiden strikt aan de gemaakte afspraken te houden en zo richting de kinderen voorspelbaar en betrouwbaar te zijn en de kaders aan te geven waarbinnen zij een onbezorgd contact hebben met hun beide ouders. Dit met als uiteindelijke doel dat er een situatie kan ontstaan waarin de ouders allebei - los van elkaar - ouders mogen en kunnen zijn van deze twee prachtige kinderen.” 2.4. De GI heeft in haar reactie aangegeven dat de GI zich kan vinden in het advies van de bijzondere curatoren om het solo parallel ouderschap door te voeren. In de afgelopen jaren van de ondertoezichtstelling is gebleken dat het de ouders, ook met hulp, niet is gelukt om samen de zorg en communicatie over de kinderen op een vriendelijke en ontspannen manier vorm te geven. De GI is van mening dat het belangrijk is dat iedere ouder zich richt op zijn of haar opvoedsituatie met de kinderen, zodat er geen onnodige energie wegvloeit of frustratie ten opzichte van de andere ouder ontstaat. De GI is bereid zorgaanbieders te beschikken die zowel beide ouders als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen ondersteunen bij het proces om te komen tot solo parallel ouderschap, te weten Plinthos voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , Yvoor voor de moeder en GIB (naar de rechtbank begrijpt: Gezin in Beweging te Cadier en Keer) voor de vader. Tegen haar normale werkwijze in zal de GI het directe contact met de kinderen plaats laten vinden tussen Plinthos en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de GI periodiek geïnformeerd wil worden door Plinthos over het welzijn van de kinderen. De GI kiest er nu niet voor om de kinderen extra te belasten met gesprekken, omdat dit voor de kinderen en de GI weinig meerwaarde heeft. De GI kan eveneens instemmen met het verzoek van de bijzondere curatoren met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De absolute voorwaarde hiervoor, namelijk dat hulpverleningstrajecten aan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , de vader en de moeder dienen te zijn opgestart en worden voortgezet, heeft de GI gelezen en de GI zal daarnaar handelen. De GI vraagt zich hierbij wel af wat de consequentie zal zijn, mocht één van de ouders niet meewerken aan zijn of haar hulpverleningstraject of dit traject stagneert. De GI gaat ervan uit dat beide ouders binnen hun eigen hulpverleningstraject er alles aan zullen doen om de opvoedsituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo optimaal mogelijk te laten zijn. Voorts zal de GI de taak op zich nemen tot het organiseren van periodieke evaluaties in de vorm van Ronde Tafel Overleggen (RTO’s), hierbij de regie nemen en als casemanager optreden. Het zo nodig aanpassen van de zorgregeling zal uitsluitend na een periodieke evaluatie plaatsvinden en niet tussentijds. De GI gaat ervan uit dat, zo lang de hulpverleningstrajecten voor de vader en de kinderen nog niet zijn opgestart, de huidige afspraken met betrekking tot het verblijf en de omgang doorgang zullen vinden. 2.5. De moeder heeft in haar reactie op het verzoekschrift en het rapport van de bijzondere curatoren onder meer aangegeven dat de bijzondere curatoren aangeven dat de wens van de vader, om zoveel mogelijk tijd met de kinderen te hebben, actueel niet haalbaar is. Partijen hebben (opvoedings)ondersteuning nodig. De moeder zal haar hulpverleningstraject bij Yvoor continueren en juicht toe dat wordt geadviseerd dat de vader (opvoedings)ondersteuning heeft te accepteren en dient te continueren. De wensen van de vader zijn ook anderszins niet haalbaar, omdat de vader aangeeft dat hij voor- en naschoolse opvang moet regelen om zijn wensen in te kunnen vullen, hetgeen betekent dat de kinderen effectief geen omgang met de vader hebben. Wel kan de moeder inzien dat een regeling waarbij de kinderen met de vader een langer weekend zouden spenderen wellicht beter aansluit bij de wensen, maar fysieke omgang moet dan de boventoon voeren. Ook lijkt de wens van de vader tot meer contact met de kinderen te zijn ingegeven vanwege het financiële aspect: de vader heeft steeds aan de kinderalimentatie willen tornen. Voorkomen dient te worden dat nieuwe procedures ontstaan. De moeder is voorstander van solo parallel ouderschap; de ouders behoren geen enkel contact meer met elkaar te hebben. De dynamiek, waarbij de vader de moeder dagelijks e-mails stuurt en daarbij een onmiddellijke reactie van de moeder eist, dient te stoppen. Verder deelt de moeder de meningen van de bijzondere curatoren dat hulp en ondersteuning voor de ouders in het solo parallelle ouderschap een absolute voorwaarde voor de zorgregeling is, zoals die door de bijzondere curatoren wordt voorgestaan, en dat het van groot belang is dat de zorgverleners één duidelijke lijn met elkaar hebben in de ondersteuning van de ouders in het solo parallelle ouderschap en dat de hulpverleners goed op de hoogte zijn van elkaars visie en aanpak, als het gaat om samenwerking. De moeder vindt het voorts fijn om te lezen dat rechtstreekse hulpverlening via Plinthos door de bijzondere curatoren wordt geadviseerd en dat de GI het directe contact met de kinderen tussen Plinthos en de kinderen kan ondersteunen. De moeder deelt de conclusie dat de kinderen gebaat zijn bij rust, structuur en regelmaat. Zij spreekt de hoop en wens uit dat er ooit normaal contact kan bestaan, zonder spanningen, oordeel of achterdocht. Enige uitbreiding van de zorgregeling kan enkel plaatsvinden conform de door de bijzondere curatoren voorgestelde afspraken en de moeder staat ook achter het monitoren van de voortgang, waarbij elke drie maanden evaluaties worden gehouden. Met de GI vraagt ook de moeder zich af wat de consequentie zal zijn, mocht de vader niet meewerken aan zijn hulpverleningstraject, dan wel het hulpverleningstraject zal laten stagneren. Anders dan de vader aangeeft, is niet sprake van “eventuele angsten” die zullen “stoppen of overwaaien” in het geval er een – in de optiek van de vader – gelijkwaardige zorgverdeling komt, maar zijn die angsten onverminderd aanwezig gelet op de ervaringen die de moeder met de vader in het (recente) verleden en tot op de dag van vandaag heeft gehad. In de optiek van de moeder ligt daarom nog een zeer groot risico verscholen in het voorstel van de bijzondere curatoren. De moeder is van mening dat het verzoek van de bijzondere curatoren ten aanzien van de zorgregeling pas kans van slagen kan hebben nadat de hulpverleningstrajecten van de vader zijn opgestart èn worden voortgezet. Dat laatste (voortzetting) is volgens de moeder een absolute voorwaarde. De moeder is ten slotte voorstander van een nadere mondelinge behandeling, ter verduidelijking van de noodzakelijke nuances. 2.6. De vader heeft in zijn reactie op het verzoekschrift en het rapport van de bijzondere curatoren onder meer aangegeven dat hij zich erover verbaast dat het advies van het solo parallel ouderschap nu als “nieuw” advies wordt gegeven, omdat dit destijds in het behandeltraject bij Buro One als advies is meegegeven en daar ook op is ingezet. Partijen en de kinderen waren gestart met individuele begeleiding bij Buro One, maar doordat de moeder de samenwerking met Buro One eenzijdig heeft geëindigd (en overgestapt is naar Yvoor), is ook het hulptraject van Buro One aan de vader en de kinderen gestopt. Op advies van Buro One heeft de vader zich gewend tot [naam] en daar is de vader gestart met een hulptraject in het kader van solo parallel ouderschap. De GI weigert evenwel om die hulpverlening (financieel) te faciliteren. Hierdoor is dit traject aan de vader gestagneerd. Ook is de GI tot op heden niet in staat gebleken om de hulpverleningstrajecten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in gang te zetten, ondanks dat de vader al jaren vraagt om hulpverlening te faciliteren aan hem en de kinderen. De vader zal alle medewerking geven en zich openstellen voor hulpverlening in het solo parallelle ouderschap, maar heeft er bezwaar tegen dat de informatie over zijn traject wordt gedeeld met de moeder en/of de hulpverlening van de moeder. Geheimhouding van de hulpverleners is een vereiste vanwege het privacy-aspect. Evaluatie door de drie hulpverleners (Plinthos/Yvoor/GIB) zal gelet daarop, en gelet op het verschil van inzicht en doelen tussen de hulpverleners, niet tot duidelijkheid leiden. De vader is dan ook van mening dat iedere ouder zich op de eigen hulpverlening met gerichte doelen moet concentreren. De vader is verheugd te lezen dat ook de bijzondere curatoren van mening zijn dat idealiter een zorgregeling van de helft van de tijd (fiftyfifty-regeling) met de vader wenselijk is en dient te worden nagestreefd. Vervolgens betogen de bijzondere curatoren dat dit in de praktijk (nog) niet haalbaar is. In de eerste plaats zouden de kinderen tijd nodig hebben om aan de nieuwe situatie te wennen, maar de vader betwist dit. Ook is als reden genoemd dat “het systeem” dit waarschijnlijk nog niet aankan, maar de vader vraagt zich af welk systeem dit is en waar die conclusie op is gebaseerd. Daarnaast gaat het argument in praktische zin, van de voor- en naschoolse opvang, niet op. De moeder heeft zelf gekozen voor een school om gebruik te kunnen maken van naschoolse en/of buitenschoolse opvang (BSO) voor de kinderen vanwege haar onregelmatige werktijden, waarmee de vader heeft ingestemd. Het is bovendien juist goed voor de (ontwikkeling van) kinderen om naar de BSO te gaan. Volgens de vader dient dan ook per direct te worden gestart met een fiffyfifty-regeling, ook omdat zijn werkgever, broer en zus bereid zijn hem daarin te ondersteunen, en opteert de vader derhalve niet voor de door de bijzondere curatoren voorgestelde zorgregeling. De vader verzoekt de rechtbank dan ook, voor wat betreft de reguliere zorgregeling, te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in alle even weken, van vrijdag uit school tot vrijdagochtend (in de oneven weken) bij de vader verblijven, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vrijdagochtend naar de voorschoolse opvang brengt (en dus niet, zoals de bijzondere curatoren hebben verzocht, dat de vader de kinderen naar school brengt) en wanneer er op vrijdag geen school is, is de overdracht van de kinderen om 12.00 uur. De vader kan zich vinden in het advies om een concreet plan te maken voor de zorgregeling, waarin elk detail moet worden beschreven. Wat de vader evenwel liever niet ziet, is dat de GI de regie krijgt, omdat uit het verleden blijkt dat dit niet werkt en partijen het vertrouwen in de GI hebben verloren. De regie zou bij de bijzondere curatoren belegd moeten worden, ook voor wat betreft de onderwerpen (a tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.