vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/297420 / KG ZA 21-366 Vonnis in kort geding van 11 november 2021 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2], beiden wonend te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. J.M.S. Nass, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2], beiden wonend te [woonplaats] , gedaagden, gemachtigde mr. A.V. Mostert, werkzaam bij ARAG. Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 oktober 2021 met 15 producties, de brief van 26 oktober 2021 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met vier producties, de brief van 26 oktober 20121 van [eisers] met producties 16, 17 en 18, de mondelinge behandeling van 18 oktober 2021 met de pleitnotities van mr. Mostert, die hij grotendeels niet heeft voorgelezen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, als vaststaand en niet betwist. 2.2. [eisers] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn sinds medio 2021 buren, waarbij [eisers] woont op het adres [adres 1] en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op [adres 2] . Zij hebben vrijstaande woonhuizen en hun percelen grenzen aan elkaar langs één zijde. [eisers] heeft het Kadaster op 13 oktober 2021 die erfgrens laten reconstrueren. Daarvan is een relaas van bevindingen opgesteld. 2.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verbouwen hun woning door het aanbrengen (vervangen en uitbreiden) van een aanbouw aan de zijkant (op het gedeelte van hun perceel dat grenst aan het perceel van [eisers] ) en een aanbouw met verdieping aan de achterzijde van de bestaande bouw. Totdat de verbouwing van de woning is voltooid, verblijven [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met hun twee kinderen elders. De bouwwerkzaamheden zijn aangevangen op of rond 10 juli 2021. 2.4. De bouwwerkzaamheden zijn deels vergunningvrij en deels vergunningplichtig door de gemeente aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vergund. [eisers] hebben een tweetal bestuursrechtelijke procedures gestart, waarbij zij aanvechten dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mogen (ver)bouwen zoals zij doen. De bestuursrechter heeft nog geen uitspraak gedaan. 3Het geschil 3.1. [eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis dan wel binnen een termijn die de rechter in goede justitie geraden acht, de verdere bouwwerkzaamheden aan het woonhuis, gelegen te [woonplaats] , aan het adres [adres 1] , te staken of te doen staken en die verdere bouwwerkzaamheden gestaakt te houden of te laten houden; II. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van €5.000,-, dan wel een dwangsom met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, per dag dat zij in strijd handelen met de onder I. genoemde vordering, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een maximum met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, is bereikt; Subsidiair: III. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis dan wel binnen een termijn die de rechter in goede justitie geraden acht, de muuropeningen aan de linker zijgevel van het woonhuis van gedaagden dicht te maken of te laten dichtmaken en dicht te houden of te laten houden; IV. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 5.000,-, dan wel een dwangsom met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, per dag dat zij in strijd handelen met de onder III. genoemde vordering, tot een maximum van € 100.000,-, dan wel een maximum met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, is bereikt; V. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, verbiedt om de tweede etage van het bijgebouw aan de achtergevel van hun woonhuis te verwezenlijken of te laten verwezenlijken op straffe van een dwangsom van € 100.000,- dan wel een dwangsom met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, indien zulks in weerwil van deze veroordeling toch zal geschieden; Meest subsidiair: VI. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt om, indien en voor zover mogelijk binnen 24 uur na betekening van het vonnis, de maatregelen te treffen die de rechter in goede justitie geraden acht c.q. gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, verbiedt te doen of te laten doen hetgeen de rechter in goede justitie geraden acht; Zowel primair, subsidiair als meest subsidiair VII. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, verbiedt om muuropeningen te verwezenlijken of te laten verwezenlijken die zich binnen twee meter van de door het kadaster vast te stellen erfgrens bevinden op straffe van een dwangsom van € 100.000,- dan wel een dwangsom met een hoogte door de rechter in goede justitie te bepalen, indien zulks in weerwil van deze veroordeling toch zal geschieden; VIII. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt in de kosten van het kadaster, zijnde € 485,00; IX. Gedaagden, indien en voor zover mogelijk hoofdelijk, veroordeelt in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening. 3.2. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door de bouwwerkzaamheden en als gevolg van het (op te richten) bouwwerk onrechtmatige hinder (zullen) veroorzaken doordat door de bijbouw en de etage op de achterbouw sprake is (zal zijn) van verminderde lichtinval en luchttoevoer, aantasting van het uitzicht, hinder van bedrijvigheid, waaronder geluidshinder, aantasting van veiligheid en gezondheid, alsmede aantasting van de persoonlijke levenssfeer, en waardevermindering van het woonhuis door de omvang van de bouwwerken. Een en ander als bedoeld in artikel 5:37 BW in verbinding met artikel 6:162 (zoals “262” in de dagvaarding wordt gelezen) BW. [eisers] stellen dat de te maken belangenafweging in hun voordeel dient te worden beslist gelet op de ernst en de gevolgen van de inbreuk die wordt gemaakt. 3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren gemotiveerd verweer. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten allereerst het spoedeisend belang bij de vordering, met name inzake de bouwstop, omdat de buitenzijde inmiddels gereed is en de bouwwerkzaamheden binnen geen overlast zullen opleveren. Voorts wijzen zij op het volledig gebrek aan onderbouwing van de stellingen inzake lichtinval, luchttoevoer, aantasting van het uitzicht, hinder van bedrijvigheid, geluidshinder, aantasting van veiligheid en gezondheid, alsmede aantasting van de persoonlijke levenssfeer, en waardevermindering van het woonhuis door de omvang van de bouwwerken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wijzen met name ook op het ontbreken van (enige onderbouwing van) causaliteit. Bouwen brengt natuurlijk enige overlast met zich mee, maar van onrechtmatige hinder is geen sprake volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Tot slot merken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op dat zij belang hebben bij de afronding van het werk gelet op de gezondheidssituatie van een van hun dochters. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter zal in kort geding een voorlopig oordeel moeten geven, waarbij van belang is de mate van waarschijnlijkheid dat de vordering ook in een bodemzaak zal worden toegewezen. Voor het horen van getuigen of deskundigen is in de regel geen plaats. De zaak in kort geding moet kortom direct zodanig gemotiveerd en uitgebreid onderbouwd zijn dat de voorzieningenrechter niet alleen overtuigd is van de gestelde spoedeisendheid van de gevraagde voorziening, maar ook van de haalbaarheid in een eventuele bodemprocedure. 4.2. De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt erkend dat het (ver)bouwen van hun woning hinder (heeft) veroorzaakt, omdat dit nu eenmaal inherent is aan dergelijke werkzaamheden en bouwwerken. Het door [eisers] ingeroepen recht van ongestoord genot van eigendom en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn voorts dermate veelomvattend en fundamenteel van aard dat zij verregaande bescherming behoeven, zo nodig door een uitspraak van de rechter. 4.3. Tussen partijen is niet in geding dat de gemeente Voerendaal meent dat – gezien het bouwplan van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zoals dat onder meer blijkt uit de bouwtekeningen voor de zijaanbouw en de achteraanbouw – [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deels vergund deels vergunningvrij hun woning mogen uitbreiden. De gemeente heeft tot op heden geen reden gezien om, desgevraagd door [eisers] , de bouw stil te (laten) leggen en evenmin heeft de gemeente gemeend of een bestuursrechter geoordeeld dat er iets schort aan de wijze van vergunnen van de bouwwerken. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de bouw hebben aangevangen zonder af te wachten of een en ander bij de bestuursrechter stand houdt, komt voor hun rekening en risico. De civiele rechter dient in ieder geval tot op heden uit te gaan van de bestuursrechtelijke rechtmatigheid van een en ander. Dit houdt overigens niet in dat de opgerichte bouwwerken in civielrechtelijke zin zonder meer rechtmatig zijn, gelet op de rechten en belangen van [eisers] . 4.4. De vraag die de voorzieningenrechter dan ook dient te beantwoorden luidt of de bouwwerkzaamheden en bouwwerken hinder veroorzaken, die moet worden aangemerkt als onrechtmatig jegens [eisers] . De voorzieningenrechter dient daartoe ten eerste vast te stellen welke hinder (feiten) als vaststaand moet (moeten) worden aangenomen en ten tweede of deze hinder een onrechtmatige toestand jegens [eisers] in het leven roept. Hierbij is in dit geschil van belang dat de tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betrokken stelling dat de “buiten-“bouwwerkzaamheden (oprichten en afwerken buitenkant) op het moment van de mondelinge behandeling zijn afgerond. De bouw moet van binnen nog wel worden afgerond en afgewerkt. Verder is van belang dat niet elke hinder, hoe vervelend en lastig ook, onrechtmatig is. 4.5. Het Kadaster heeft een reconstructie van de grens tussen het perceel van [eisers] en dat van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uitgevoerd. Uit het relaas van bevindingen van het Kadaster, waar de reconstructietekening onderdeel van uitmaakt, kan niet zonder nader onderzoek, dat niet is uitgevoerd, bestaande uit in ieder geval het inmeten van de (raam- en deuropening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.