beslissing RECHTBANK LIMBURG Verschoningskamer Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 294269 / HA RK 21-245 Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van verschoningsverzoeken op het verzoek van mr. R.A.J. van Leeuwen, rechter in de rechtbank Limburg, verder: de rechter, strekkend tot zijn verschoning in de civiele zaak met zaaknummer 8719030 CV EXPL 20- 4201 ( [eiseres] tegen [gedaagde] ). 1De procedure Door middel van een brief van 12 juli 2021 aan de griffier van de verschoningskamer heeft de rechter op grond van artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering een verzoek gedaan strekkend tot zijn verschoning in bovengenoemde zaak die de rechter behandelt. 2Het verzoek Het verzoek houdt - zakelijk weergegeven - in dat de rechter bij beschikking van 14 juni 2021 heeft beslist in een tussen beide partijen aanhangige arbeidszaak. De rechter heeft in die beschikking geoordeeld dat [gedaagde] zich tijdens het dienstverband wederrechtelijk benzine heeft toegeëigend. De rechter heeft het verweer van [gedaagde] na uitvoerig getuigenbewijs gepasseerd. Tevens is bij diezelfde beschikking de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] ontbonden. De thans aanhangige zaak is op grond van het verdelingsreglement aan de rechter toebedeeld en zijn naam is inmiddels aan partijen kenbaar gemaakt. [gedaagde] voert in de nieuwe zaak een gelijkluidend verweer als in de arbeidszaak. Ook nu voert [gedaagde] als verweer aan dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk tanken van benzine. De rechter heeft dit primaire verweer reeds eerder verworpen. De rechter heeft om die reden de raadslieden van beide partijen om een standpunt van hun respectievelijke cliënten gevraagd. [gedaagde] stelt - niet onbegrijpelijk - een wisseling van rechter voor, terwijl [eiseres] daartoe geen noodzaak ziet. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen wil de rechter zich in deze zaak verschonen. 3De beoordeling Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet \Vorden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid zou kunnen koesteren, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn. De vraag is of de rechter terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van zijn in bovengenoemde zaak de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt. Uitgaande van hetgeen de rechter aan zijn verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd komt de verschoningskamer tot het oordeel dat de rechter het verzoek terecht heeft ingediend. Om de schijn van partijdigheid te vermijden zal de rechtbank het verzoek tot verschoning toewijzen. 4De beslissing De verschoningskamer: wijst het verzoek tot verschoning toe; beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en aan partijen. Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. J.W. Rijksen en mr. J.J.M. Wassenberg, leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van P.J.C. Hendriks, griffier, op 19 juli 2021.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.