beslissing RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Verschoningskamer Zaaknummer: C/03/295608 / HA RK 21-272 Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van verschoningsverzoeken op het verzoek van mr. H.H. DETHMERS, rechter in de rechtbank Limburg, verder de rechter. 1De procedure Met de brief van 16 augustus 2021 aan de voorzitter van de verschoningskamer heeft de rechter op grond van artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering een verzoek gedaan strekkend tot zijn verschoning in bovengenoemde zaak die de rechter behandelt. 2Het verzoek Het verzoek houdt -zakelijk weergegeven- in dat de rechter zich genoodzaakt voelt dit verzoek in te dienen nu partijen het vertrouwen in de rechter hebben opgezegd omdat de wrakingkamer in haar beslissing van 28 juli 2021 een overweging ‘ten overvloede’ heeft opgenomen waarin staat dat ‘het bepaald niet onwaarschijnlijk zou zijn geweest’ dat het wrakingsverzoek zou zijn toegewezen mits het verzoek tijdig was gedaan. Deze opmerking heeft geleid tot een brief van mr. Rooijen, advocaat van een van de partijen waarin hij stelt dat hij ervan uitgaat dat de rechter geen andere beslissing kan en zal maken dan zich alsnog terug te trekken dan wel te verschonen. Na consultering door de rechter van beide partijen middels de brief van 4 augustus 2021 heeft hij besloten een verzoek tot verschoning in te dienen en het oordeel aan de verschoningskamer te laten. De rechter verzoekt om zijn verschoningsverzoek af te wijzen en uit te spreken dat er geen reden is om aan zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid te twijfelen. 3De beoordeling Bij een beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter zich uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid zou kunnen koesteren, althans dat de bij die rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn. De vraag is of de rechter terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van hem in bovengenoemde zaak de schijn van partijdigheid zou kunnen worden opgewekt. Uitgaande van hetgeen de rechter in zijn verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd komt de verschoningskamer tot het oordeel dat de rechter het verzoek terecht heeft ingediend. Wat er ook zij van het geven van de overweging ten overvloede op zich én van de inhoud daarvan: in de gegeven omstandigheden is de verschoningskamer van oordeel dat het verschoningsverzoek gerechtvaardigd en toewijsbaar is. Zoals de rechter zelf al opmerkte past heroverweging van de eerdere beslissing van de wrakingskamer niet in de verschoningsprocedure. Om de schijn van partijdigheid te vermijden zal de verschoningskamer het verzoek tot verschoning toe wijzen 4De beslissing De verschoningskamer: wijst het verzoek tot verschoning toe; wijst af en anders of meer verzochte; beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en aan de partijen. Deze beslissing is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. M.J.M. Goessen, leden, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. De beslissing is openbaar gemaakt op 26 augustus 2021. type: coll:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.