← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:1011

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.183597.19 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, verblijvende in [kliniek] . Verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende te Venlo. 1Het onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari

  1. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Namens de benadeelde partij was tevens aanwezig mr. M.M.P.M. Lousberg, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: (primair) [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft proberen te doden met een mes, dan wel (subsidiair) op die manier heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. 3 De beoordeling van het bewijs Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, en wel op basis van: de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 31 augustus 2020; de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] van 7 augustus 2018 (pg. 16-20). 3.1 De bewezenverklaring De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat verdachte: op 20 juli 2018 te Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een mes stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: poging tot moord Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van verdachte De psychiater J.R. Nijdam en de psycholoog P.E. Geurkink hebben over de geestvermogens van verdachte op 22 februari 2021 respectievelijk 11 maart 2021 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in die rapporten vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen niet tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar, omdat – ook voor het overige – geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. De rechtbank zal de bevindingen en adviezen van de psychiater en psycholoog hierna nader bespreken bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja welke, straf aan verdachte dient te worden opgelegd. 6Welke straf of maatregel is passend? De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, te weten schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. De raadsman heeft verzocht om de eis van de officier van justitie te volgen. De rechtbank heeft gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte verblijft sinds mei 2014 op een afdeling van [kliniek] in het kader van een tbs met dwangverpleging. Verdachte heeft enkele uren voorafgaande aan het feit bij de groepsleiding aangegeven dat hij het slachtoffer wilde helpen met koken. Ten behoeve van het koken worden aan de patiënten messen verstrekt. Verdachte heeft vervolgens tijdens het bereiden van een gezamenlijke maaltijd in de keuken een medepatiënt aangevallen met een koksmes. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij boos was op het slachtoffer vanwege een eerder voorval. Hij besloot om wraak te nemen, nadat duidelijk werd dat er niks met zijn klacht, die hij had ingediend naar aanleiding van dat voorval, werd gedaan. Hij was van plan om het slachtoffer dood te steken. Hij wilde hem in zijn hart steken. Het slachtoffer weerde zich af en wist de stekende bewegingen grotendeels te ontwijken waarbij verdachte op de grond viel over een openstaande lade van het keukenblok. Hierop ontstond een worsteling tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij een sociotherapeut, die het slachtoffer hoorde schreeuwen en hem te hulp schoot, verdachte het mes afhandig wist te maken. Dankzij adequaat optreden van de sociotherapeuten en het slachtoffer zelf, zijn de gevolgen voor het slachtoffer relatief beperkt gebleven. Verdachte heeft het onderhavige delict gepleegd terwijl hij in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging in de kliniek verbleef. Voornoemde tbs-maatregel is aan verdachte opgelegd bij arrest van de meervoudige kamer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei
  2. Verdachte is in dit arrest veroordeeld voor diefstal met geweld en dubbele poging tot moord. De tbs-maatregel is meest recent op 2 december 2021 verlengd met 2 jaren. Dit was inmiddels de vierde tbs-maatregel die verdachte is opgelegd. De rechtbank houdt rekening met de over verdachte opgemaakte rapporten. De psychiater heeft in zijn rapport – zakelijk weergegeven - het navolgende opgetekend: Bij verdachte is sprake van een ernstige en chronische vorm van schizofrenie, waarbij sprake is van wanen en bevelshallucinaties, ondanks de verstrekking van gedwongen medicatie. Tevens is er sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Tijdens het plegen van het ten laste gelegde was waarschijnlijk sprake van bevelshallucinaties door geesten, voortkomend uit de ernstig en chronische vorm van schizofrenie. Daarnaast was ook destijds sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, waarbij krenking van het zelfbeeld van verdachte heeft meegespeeld bij het plegen van het ten laste gelegde. Dat beïnvloedde voor een belangrijk deel zijn gedrag. Omdat verdachte tijd heeft gehad om zijn voorgenomen daad te overwegen, deze lijkt te hebben voorbereid en uiteindelijk besloten heeft om tot zijn daad over te gaan, lijkt er toch ook deels enige bewuste controle over zijn gedrag te zijn geweest. Om deze reden wordt niet geadviseerd om verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen, maar om dit in sterk verminderde mate toe te rekenen. Het risico buiten het huidige forensische kader wordt als zeer hoog ingeschat. Binnen het huidige behandelkader met een hoge mate van zorg en beveiliging is het risico op recidive duidelijk verminderd. Echter wordt de inschatting gemaakt dat bij elke vorm van uitbreiding van vrijheden, het risico op recidive toeneemt. De huidige intensiteit van zorg, beveiliging en externe structuur, die vanuit de forensische kliniek wordt geboden, zorgt ervoor dat het met de stoornissen samenhangende recidiverisico wordt verminderd en verantwoord laag kan blijven. De huidige afdeling waar verdachte verblijft hanteert momenteel een strikt afzonderingsprogramma en dwangmedicatie. Gezien de ernstige problematiek waarbij ondanks deze factoren nog steeds sprake is van bevelshallucinaties en wanen, het recidiverisico nog onverminderd hoog blijft en alternatieven ontbreken, is het begrijpelijk dat de kliniek de aanvraag van een longstay-status voorbereidt. Er zijn op basis van het huidige onderzoek geen aanvullende aanbevelingen te geven. Het huidige kader van tbs met dwangverpleging biedt voldoende mogelijkheden om het recidiverisico te controleren dan wel af te wenden. Met betrekking tot de mogelijkheden ten aanzien van een eventueel aanvullend strafrechtelijk kader heeft de psychiater – zakelijk weergegeven – de volgende overwegingen gemaakt. Een werkstraf wordt gezien het huidige strikte behandelkader in de forensische kliniek en verdachtes onvermogen niet mogelijk geacht. Het opleggen van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf is een mogelijkheid, echter zal meegenomen moeten worden dat dit door verdachte niet als een echte straf zal worden ervaren, omdat hij heeft aangegeven dat hij verblijf in detentie zou prefereren boven opgenomen zijn in een kliniek. Het rapport van de psycholoog is in grote lijnen overeenkomstig de conclusies en het advies van de psychiater. De psycholoog adviseert om verdachte verder te begeleiden en te behandelen in het kader van een tbs met bevel tot verpleging, waarbij de nadruk meer op beveiliging van zijn omgeving moet liggen in combinatie met zo hoog mogelijke kwaliteit van leven van verdachte. Mogelijk dat het voorgaande met een overplaatsing naar een LFPZ-afdeling kan worden gerealiseerd. Verdachte heeft al een tbs met bevel tot verpleging opgelegd gekregen en de psycholoog adviseert om het voorgaande binnen die lopende maatregel uit te voeren. De reclassering adviseert in haar rapport van 10 maart 2020 tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Verdachte heeft in zijn huidige tbs met dwangkader geen enkele vorm van uitzicht op verlofmogelijkheden. Uit het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat aan verdachte inmiddels de LFPZ-status is toegekend en dat hij wacht op een overplaatsing naar een longstay-afdeling van een andere kliniek. Daarmee bestaat voor verdachte geen uitzicht op resocialisatie. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur rechtvaardigt. Daarnaast kan de terbeschikkingstelling van verdachte worden gelast, nu bij hem tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en in beginsel de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist. In het onderhavige geval acht de rechtbank zowel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als een tbs-maatregel niet aangewezen. Aan verdachte is, zoals gezegd, reeds een tbs-maatregel opgelegd, waarvan verlenging kan worden gevorderd en aan welke maatregel een soortgelijk gronddelict ten grondslag ligt. De lopende tbs-maatregel voorziet reeds in preventie en het verminderen van recidivegevaar. Bovendien kan bij de tussentijdse toets van de tbs-maatregel ook (de impact van) dit strafbare feit in de totale beoordeling worden meegenomen. Vast staat voorts dat verdachte geen enkel uitzicht op resocialisatie heeft. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsbenemende straf of maatregel aan verdachte in onderhavige zaak geen enkel strafrechtelijk doel dienen en daarom voor verdachte niet wenselijk. Tot slot heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is. Gelet op de houding van verdachte, die bij verschillende gelegenheden heeft verklaard een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf te vinden, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf een verkeerde prikkel zou vormen. Verdachte, vanuit zijn roep om een gevangenisstraf, zou het kunnen opvatten als een aansporing nieuwe strafbare feiten te plegen nu hij daarmee immers kan bewerkstelligen dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf alsnog ten uitvoer zal (moeten) worden gelegd. Die tenuitvoerlegging echter acht de rechtbank, gelet op de persoon van verdachte, en bij gebreke van enig strafrechtelijk doel, niet realistisch. Alles afwegende zal de rechtbank daarom verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van 10.187,50 euro, bestaande uit 187,50 euro materiële en 10.000 euro immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 De standpunten De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat: de gevorderde materiële schade van 187,50 euro toewijsbaar is; de immateriële schade toewijsbaar is tot een bedrag van 5.000 euro; geen schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd. 7.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van 5.187,50 euro. Dit bedrag is opgebouwd uit de posten: beschadigde kleding: 187,50 euro immateriële schade: 5.000 euro Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Materiële schade Op grond van de onderbouwing van de materiële schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier acht de rechtbank die schade, die niet betwist is, aannemelijk. Immateriële schade De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking: wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart); ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze; bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, waaronder diverse wondjes, een krasje, blauwe plek en een snee van 10 cm in de onderarm (pg. 24). Namens de benadeelde partij is voorts aangevoerd dat sprake was van een zeer traumatische ervaring als gevolg waarvan hij psychische klachten heeft opgelopen en een (eenmalige) EMDR-behandeling heeft gehad. Verder is naar voren gebracht dat de benadeelde nog steeds zeer angstig is, nu de benadeelde en verdachte nog steeds in dezelfde kliniek verblijven en de benadeelde bang is voor een confrontatie, waardoor hij nog steeds medicatie (Oxazepam) inneemt. Op grond van de onderbouwing van de schade in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van lichamelijk letsel en aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Daarmee komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking. Voor wat betreft de hoogte van die immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Mede dankzij adequaat optreden van de sociotherapeuten en het slachtoffer zelf, is het lichamelijk letsel beperkt en snel genezen. De hoogte van de immateriële schade dient dus vooral op basis van de overige omstandigheden van het geval vastgesteld te worden. In dat kader kan de rechtbank de stelling van de benadeelde volgen dat sprake is geweest van een zeer traumatische ervaring. Te meer nu het feit plaatsvond in een instelling waar men zich veilig moet kunnen voelen. Eveneens begrijpt de rechtbank dat de benadeelde nog steeds zeer angstig is voor verdachte. De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat de onderbouwing van de psychische schade beperkt is tot de vermelding van “PTSS-achtige” klachten, waarbij daadwerkelijke diagnostiek ontbreekt. De behandeling was ook relatief beperkt, bestaande uit drie contactmomenten met een traumatherapeut en één EMDR-sessie. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, vastgesteld op 5.000 euro. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade. Niet ontvankelijk Beoordeling van hetgeen meer is gevorderd, vergt in beginsel een nadere onderbouwing voor wat betreft de diagnostiek bij de benadeelde, de causaliteit en de behandeling. Zulks acht de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Schadevergoedingsmaatregel Anders dan de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, ziet de rechtbank wel aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de benadeelde partij zelf zorg zou moeten dragen voor de inning van de schadevergoeding. Wel zal de rechtbank daarbij bepalen dat, bij gebreke van betaling en verhaal, geen gijzeling wordt toegepast. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals hiervoor onder
  3. reeds zijn weergegeven. Gelet op die omstandigheden ziet de rechtbank geen daadwerkelijk dwangmiddel in gijzeling en acht zij toepassing daarvan bovendien niet wenselijk. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op artikel 9a, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.1 is omschreven; spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart verdachte strafbaar; Geen straf of tbs-maatregel - bepaalt dat geen straf of tbs-maatregel wordt opgelegd; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel - wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van 5.187,50 euro, bestaande uit 187,50 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; - bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen; - legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.187,50 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 187,50 euro materiële schade en 5.000,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte, geen gijzeling dient te worden toegepast. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Snoeks, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en mr. M.J.A.G. van Baal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2022.BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een mes stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 juli 2018 te Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.183597.19 Proces-verbaal van de openbare zitting van 9 februari 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, verblijvende in [kliniek] . Raadsman is mr. M.F.M. Geeratz, advocaat, kantoorhoudende te Venlo. Tegenwoordig: mr. , rechter, mr. , officier van justitie, , griffier. De rechter doet de zaak uitroepen. Verdachte is niet in de zittingzaal aanwezig. In een schriftelijke verklaring heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn. Deze verklaring is gevoegd in het (digitale) dossier. De rechter spreekt het vonnis uit. Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venray / Gennep, registratienummer PL2351-2018110194, gesloten d.d. 3 september 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 61.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.