RECHTBANK limburg Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummers: ROE 21/2728 en ROE 21/2730 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2022 in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers, (gemachtigde: mr. S. Cloosterman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder, (gemachtigde: mr. W. Huntjens). Procesverloop Bij besluit van 25 mei 2021 (primair besluit I) heeft verweerder op grond van de Jeugdwet (Jw) over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 ten behoeve van [eiser 2] ( [eiser 2] ) aan [naam vader] (de vader) een voorziening voor jeugdhulp verstrekt bestaande uit ambulante individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 3 uur per week. Bij besluit van 28 mei 2021 (primair besluit II) heeft verweerder op grond van de Jw over de periode 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 ten behoeve van [eiser 1] ( [eiser 1] ) aan de vader een voorziening voor jeugdhulp verstrekt bestaande uit ambulante individuele begeleiding in de vorm van een pgb voor 2 uur per week. Bij afzonderlijke besluiten van 24 augustus 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep van [eiser 1] is geregistreerd onder zaaknummer ROE 21/2728 en het beroep van [eiser 2] is geregistreerd onder zaaknummer ROE 21/2730. Beide beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 19 juli 2022. Namens eisers is hun vader verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] , consulent Jeugd bij de gemeente Maastricht en [naam 2] , jurist bij de gemeente Maastricht. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.2. [eiser 2] is geboren op [geboortedatum 1] . Hij heeft NF1 (neurofibromatose type 1 oftewel de ziekte van Von Recklinghausen), ADHD (= een aandachtstoornis) en PDD-NOS (= een ontwikkelingsstoornis). Hij draagt een orthese aan zijn linkerbeen. 1.3. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 2] . Hij heeft NF1 en ADHD. 1.4. De moeder van [eiser 2] en [eiser 1] heeft ook NF1. Zij is arbeidsongeschikt en beperkt inzetbaar. 1.5. Bij e-mail van 15 januari 2021 heeft de vader bij verweerder een aanvraag ingediend voor verlenging van de pgb’s voor de zorg aan zijn zoons met ingang van 1 juni 2021. 1.6. Op 8 april 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van team Jeugd van de gemeente Maastricht en de vader van [eiser 2] en [eiser 1] . 1.7. Op 25 mei 2021 heeft de medewerker van team Jeugd overleg gehad met een gedragswetenschapper van de gemeente Maastricht. 1.8. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten genomen. Voor [eiser 2] heeft verweerder een indicatie van 3 uur per week en voor [eiser 1] een indicatie van 2 uur per week aan individuele begeleiding in de vorm van een pgb toegekend voor de periode 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022. Als onderbouwing hiervoor staat dat uit onderzoek is gebleken dat [eiser 2] en [eiser 1] verlenging van het pgb nodig hebben in verband met hun executieve functies die aandacht behoeven. 1.9. Vader heeft namens zijn zonen bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Bestreden besluiten 2. In de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat het begeleiden van een kind bij het plannen en uitvoeren van zijn huiswerk, inhoudelijke huiswerkbegeleiding, het begeleiden, helpen en brengen van een kind naar zijn hobby’s, het ondersteunen van een kind bij kinderfeestjes en bij het afspreken en spelen met vriendjes, het voeren van medische gesprekken namens het kind en het voeren van gesprekken met overige instanties zoals scholen en gemeenten taken zijn die ouders op zich nemen en ook van ouders verwacht mogen worden. Hetzelfde geldt voor het toezichthouden dan wel controleren van de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL). Dat vader meer zorg moet verlenen dan bij een kind zonder beperkingen het geval zou zijn, maakt volgens verweerder niet dat dit moet leiden tot toekenning van individuele begeleiding. Wat betreft het naar school brengen en halen is het leerlingenvervoer van de gemeente Maastricht de aangewezen voorziening. Wat betreft het overnemen van de ADL-taken is de Zorgverzekeringswet de aangewezen voorziening. Voor wat betreft de andere doelen en taken die volgens verweerder zijn aan te merken als bovengebruikelijke zorg, is verweerder van mening dat vader deze op eigen kracht heeft opgelost. Vader ondersteunt en helpt zijn zonen bij het verwezenlijken van hun doelen. Moeder kan bijspringen indien haar ziekte dit toelaat. Vader heeft op zijn werk kunnen regelen dat hij de onplanbare zorg kan leveren. Verder is niet gebleken van financiële problemen die een gedwongen keuze zouden opleveren tussen een betaalde baan en de hulpverlening aan [eiser 2] en [eiser 1] . Dit betekent volgens verweerder dat er geen aanvullende voorziening op grond van de Jw noodzakelijk is. Omdat verweerder de situatie door het indienen van het bezwaar niet slechter mag maken, blijft de indicatie individuele begeleiding voor 2 uur per week voor [eiser 1] en voor 3 uur per week voor [eiser 2] in bezwaar gehandhaafd. Beoordeling rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht voor de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 voor [eiser 2] een indicatie van 3 uur per week en voor [eiser 1] een indicatie van 2 uur per week aan individuele begeleiding in de vorm van een pgb heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Standpunt eisers 4. Eisers vinden dat verweerder ten onrechte slechts voor 2 respectievelijk 3 uur per week aan individuele begeleiding in de vorm van een pgb heeft toegekend. Eisers zijn van mening dat er sprake is van meer behoefte aan jeugdhulp en bovengebruikelijke zorg dan waar verweerder vanuit gaat. Dit zit met name in de intensiteit, de momenten en de delicate en complexe zorgbehoefte van de jongens. Het betreft onplanbare en bovengebruikelijke zorg in combinatie met zorg die qua aansturing, controle en veiligheid hetgeen gebruikelijk is gelet op de leeftijd van de jongens het gebruikelijke in ruime mate overstijgt. Eisers betwisten dat de draagkracht in het gezin in balans is en een voorziening voor jeugdhulp niet nodig zou zijn. De ondersteuningsbehoefte van eisers is aanzienlijk en valt onder “bovengebruikelijke zorg”. Eisers zijn verder van mening dat er geen sprake is van een zorgvuldig onderzoek door verweerder. Verder hebben eisers twijfels over de deskundigheid van verweerder. Verweerder heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder 2 respectievelijk 3 uur per week aan individuele begeleiding in de vorm van een pgb toereikend acht. Verwezen wordt hierbij naar de onderzoeks- en motiveringsplicht aan de hand van een stappenplan zoals aangegeven door de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In geval van gegrondverklaring van het beroep en toekenning van een hoger aantal uren aan pgb vragen eisers om een schadevergoeding die zij lijden dan wel zullen gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten. Toetsingskader 5. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jw bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 6. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477) volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.