← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:10533

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer 9715273 AZ VERZ 22-18 Beschikking van de kantonrechter van 31 maart 2022 in de zaak van de naamloze vennootschap WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ LIMBURG, gevestigd in (6229 GA) Maastricht aan de Limburglaan 25, verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijke tegenverzoek, gemachtigde mr. S.G.J. Habets tegen [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] , wonend in [woonplaats] aan de [adres] , verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek, gemachtigde mr. W.M.A.M. Franssen. Partijen worden hierna WML en [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 1 maart 2022 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen de op 21 maart 2022 ter griffie ontvangen verweerschrift de mondelinge behandeling ter zitting van 30 maart
  2. 1.
  3. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De beoordeling 2.
  4. [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 15 januari 2012 krachtens arbeidsovereenkomst fulltime in dienst van WML in de functie van afdelingshoofd Markt tegen een loon van (laatstelijk) € 7.033 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. 2.
  5. WML heeft haar aanvankelijke verzoek ter zitting gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt om de tussen haar en [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (een verstoorde arbeidsverhouding). 2.
  6. [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] heeft tegen toewijzing van het thans aan de kantonrechter gerichte verzoek tot ontbinding verweer gevoerd, doch hij berust niettemin in de ontbinding. 2.
  7. Vooropgesteld wordt dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een wettelijk opzegverbod. 2.
  8. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, en wel als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, te weten een verstoorde arbeidsverhouding, zonder dat daarbij is gebleken dat die verstoorde verhouding aan één der partijen te wijten is, maar die wel zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, en dat er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] is. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden met inachtneming van de in dit geval daarvoor van toepassing zijnde opzegtermijn, derhalve per 1 juni 2022 en onder toewijzing aan [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] van een ten laste van WML komende beëindigingsvergoeding van € 79.962,
  9. 2.
  10. De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. 3De beslissing De kantonrechter 3.
  11. ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2022; 3.
  12. veroordeelt WML om aan [verwerende partij, verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek] € 79.962,40 te betalen; 3.
  13. compenseert de kosten van deze procedure in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.J. Otto. RK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.