RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 9359424 \ CV EXPL 21-3753 Vonnis van de kantonrechter van 9 maart 2022 in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht FABERTIME INDÚSTRIAS METALÚRGICAS Lda, gevestigd te Aldeia de Paio Pires, eisende partij, gemachtigde mr. B. Sujecki, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam gedaagde] B.V., gevestigd te Nederweert, gedaagde partij, gemachtigde mr. E.J.M. Rosier. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het Europees betalingsbevel de beschikking van de rechtbank Den Haag de akte van Fabertime de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een overeenkomst gesloten in het kader waarvan Fabertime personeel ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde] voor het verrichten van laswerkzaamheden. De overeenkomst is door tussenkomst/bemiddeling van het Belgische bedrijf [Belgische bedrijfsnaam] Group NV (hierna [bemiddelaar] ) gesloten. 2.
- Bij factuur van 15 december 2020 is een bedrag van € 12.969,00 in rekening gebracht. [gedaagde] heeft niet betaald omdat Fabertime, ondanks afspraak, geen G-rekening heeft geopend. 3Het geschil 3.
- Fabertime vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.063,76 (€ 12.969,00 aan hoofdsom en € 1.094,67 aan incassokosten), vermeerderd met rente en kosten. 3.
- [gedaagde] voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- In de onderhavige zaak is een overeenkomst aan de orde tussen een in Portugal gevestigde onderneming en – via tussenkomst van een Belgische firma – een hier te lande gevestigde besloten vennootschap. Daarmee doet zich als vanzelf een internationale dimensie voor, zodat dient te worden bepaald aan welke rechter (Portugees, Belgisch dan wel Nederlands) rechtsmacht tot oordelen toekomt en, vervolgens, welk recht dan tot toepassing dient te komen (Portugees, Belgisch dan wel Nederlands recht). 4.
- Onder verwijzing naar de bij - de gemachtigden van - partijen bekend veronderstelde herziene EEX verordening, meer in het bijzonder naar artikel 26 en/of artikel 4 van die verordening, wordt geconstateerd dat [gedaagde] de bevoegdheid van de kantonrechter te Roermond niet aanstonds heeft weersproken, terwijl [gedaagde] ook in Nederland, meer in het bijzonder te Nederweert, gevestigd is. De kantonrechter te Roermond komt dan ook – voor zoveel nog van belang na de verwijzende beschikking van de rechter te 's-Gravenhage – rechtsmacht tot oordelen toe. 4.
- De vervolgens te beantwoorden vraag naar het toe te passen recht dient te worden beantwoord aan de hand van de evenzeer - bij de gemachtigden van - partijen bekend veronderstelde Rome I verordening, bij gebreke van een duidelijke rechtskeuze door partijen, meer in het bijzonder aan de hand van artikel 4 daarin en dan op het punt van de in dat artikel voorziene dienstverlening. Daarbij dient evenwel – bij gebreke van enigerlei standpunt van de zijde van elk van partijen op dit punt – te worden bedacht dat naar de kern genomen een situatie aan de orde is van een Portugese firma die kennelijk bij haarzelf in dienst zijnde arbeidskrachten heeft uitgeleend aan [gedaagde] , als Nederlandse en in Nederland gevestigde vennootschap, teneinde bij [gedaagde] laswerkzaamheden te verrichten gedurende een zekere periode (enkele weken). Daarmee komt als vanzelf de nog steeds bij – de gemachtigden van – partijen bekend veronderstelde WAADI (artikel 7a, verboden bemiddeling) binnen beeld, evenals de WAGWEU (minimaal arbeidsvoorwaardenpakket, implementatie van EU detacheringsrichtlijn en/of handhavingsrichtlijn) en zeker ook en niet in de laatste plaats de verplicht door Nederlands recht beheerste ketenaansprakelijkheid, neergelegd in de artikelen 7:616a en volgende burgerlijk wetboek, vergelijk meer in het bijzonder artikel 7:616c burgerlijk wetboek. Daarmee is in ieder geval al een nauwe band met Nederland aan de orde, zodat - nog steeds bij gebreke van enigerlei standpunt van (de gemachtigden van) elk van partijen op dit punt – op voet van dit eerder genoemde artikel 4 Nederlands recht zal worden toegepast. Voor de duidelijkheid: op de kennelijk te beoordelen overeenkomst van opdracht tussen Fabertime en [gedaagde] . 4.
- Die overeenkomst van opdracht heeft naar de kern genomen ingehouden dat Fabertime, als opdrachtneemster, een aantal bij haar in dienst zijnde arbeidskrachten aan [gedaagde] ter beschikking zou stellen, teneinde voor [gedaagde] laswerkzaamheden te gaan verrichten, een en ander tegen vergoeding van kennelijk € 33,00 per uur. Wel of juist niet ten laste van [gedaagde] na te vorderen loonbelasting kan de kern van de afspraken tussen partijen veranderen, aangezien in zo een geval [gedaagde] niet deze overeengekomen € 33,00 per uur verschuldigd zal blijken te zijn, doch daarnaast ook deze na te vorderen loonbelasting. Die loonbelasting – indien aan de orde – komt echter primair en in de eerste plaats voor rekening van Fabertime, die immers, indien al loonbelasting verschuldigd mocht blijken te zijn, als werkgeefster primair en in de eerste plaats loonbelasting inhoudingsplichtig is. Als goed opdrachtneemster (vergelijk artikel 7:401 burgerlijk wetboek) dient Fabertime op dit punt haar verantwoordelijkheid te nemen en/of [gedaagde] daarom – indien aan de orde – te vrijwaren. 4.
- Het is in deze situatie in feite van tweeën één. Ofwel is Fabertime – gelet op de bij partijen in ieder geval wél bekende zogenaamde 183 dagen regeling – geen loonbelasting hier te lande verschuldigd ter zake van de loondienst verbanden met haar eigen, aan [gedaagde] uitgeleende werknemers. De verantwoordelijkheid van Fabertime c.q. haar plicht tot vrijwaren brengt dat met zich dat zij zich tot de belastingdienst hier te lande dient te wenden teneinde een en ander genoegzaam te doen vaststaan. Ofwel is Fabertime – gelet op deze zelfde 183 dagenregeling – wel loonbelasting verschuldigd ter zake van deze loondienstverbanden met haar eigen, aan [gedaagde] uitgeleende werknemers. De verantwoordelijkheid van Fabertime c.q. haar plicht tot vrijwaren brengt dan met zich dat zijzelf deze loonbelastingschuld voor haar rekening neemt, zonder die op [gedaagde] , als extern tegenover de belastingdienst ketenaansprakelijke, af te zullen kunnen gaan wentelen. 4.
- Gegeven de tot in de onderhavige procedure voortdurende onduidelijkheid is Fabertime, als opdrachtneemster, in ieder geval tekortgeschoten in de door haar tegenover [gedaagde] in acht te nemen zorg als goed opdrachtneemster. Om die reden kan [gedaagde] inderdaad (vergelijk haar beroep op opschorting sub 5.1 bij antwoord) haar eigen verplichting tot betalen van de met Fabertime overeengekomen vergoeding vooralsnog opschorten, in afwachting van deze door Fabertime te nemen volle verantwoordelijkheid als goed opdrachtneemster. 4.
- Die opschorting – op basis van artikel 6:52 burgerlijk wetboek, niet: 6:263 burgerlijk wetboek – dient echter beperkt te blijven tot de situatie van voldoende samenhang tussen vordering en verbintenis, teneinde opschorting gerechtvaardigd te doen zijn. Gelet op hetgeen beide partijen voor ogen staat in geval van gedeeltelijke betaling door Fabertime op een G-rekening, betreft dit ten hoogste 40% van hetgeen [gedaagde] aan Fabertime verschuldigd is. Een latente loonbelastingclaim zal immers kennelijk beperkt blijven tot deze 40%. Er bestaat daarom geen verdergaand recht tot opschorting voor [gedaagde] , verdergaand dan deze 40%. 4.
- De kantonrechter komt daarmee al met al tot de conclusie dat [gedaagde] thans in ieder geval 60% van de op zichzelf door haar erkende vordering van Fabertime aan Fabertime dient te voldoen. Alleen het meerdere vermag zij tot nader order op te schorten. 4.
- Toewijsbaarheid, gedeeltelijk, van deze hoofdvordering brengt in beginsel met zich dat ook de nevenvordering tot vergoeding van incassokosten voor toewijzing vatbaar is. Bij gebreke van vaststelbare activiteiten van de gemachtigde van Fabertime , ook andere dan welke geacht kunnen worden reeds inbegrepen te zijn in een proceskostenveroordeling, wordt deze nevenvordering alsnog afgewezen. Welke deze apart te honoreren werkzaamheden al geweest zouden zijn, wordt immers niet toegelicht noch ook zijn deze anderszins kunnen blijken. 4.
- Bij deze uitkomst van de procedure kan geen van partijen als de in overwegende mate in het gelijk gestelde partij worden aangemerkt. De proceskosten zullen om die reden worden gecompenseerd, op een wijze zoals hierna te verwoorden. Er wordt al met al beslist als volgt. 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Fabertime een bedrag van € 7.781,40 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover met ingang van de datum van de uit de factuur d.d. 15 december 2020 voortvloeiende opeisbaarheid daarvan en tot de datum van volledige betaling, 5.
- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken. type: PLG coll: