← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:2337

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rolnummer: C/03/301624 / KG ZA 22-44 Vonnis in kort geding van 24 maart 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiser, advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat: mr. M.M. Setiaman. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.

  1. De procedure bestaat uit: de dagvaarding (met producties 1 tot en met 3); de mondelinge behandeling van 17 maart
  2. 1.
  3. Tot slot is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  4. Bij beschikking van 8 juli 2020, met zaaknummer C/03/277609 FA RK 20-1619, (hierna: de beschikking) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, bepaald dat [eiser] een bedrag van € 174,00 per maand aan kinderalimentatie moet betalen ten behoeve van [minderjarige] . 2.
  5. [eiser] heeft in de procedure die tot de beschikking heeft geleid geen verweer gevoerd. 2.
  6. Tussen partijen is in geschil of [eiser] de verwekker van [minderjarige] is. 2.
  7. [eiser] heeft een wijzigingsverzoek ex artikel 1:401 lid 4 BW ingediend. Met betrekking tot dit verzoek heeft nog geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. 2.
  8. [gedaagde] heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) gevraagd de incassering van de kinderalimentatie ter hand te nemen. 3Het geschil 3.
  9. [eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 8 juli 2020 te schorsen totdat op het verzoekschrift van [eiser] , ingediend bij de rechtbank Limburg, zaaknummer nog onbekend, zal worden beslist en voorts [gedaagde] te verbieden om de in de beschikking van 8 juli 2020 vastgestelde kinderalimentatie te incasseren. 3.
  10. [gedaagde] voert verweer. 3.
  11. Op hetgeen partijen hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling teruggekomen. 4De beoordeling 4.
  12. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. 4.
  13. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 4.
  14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag en evenmin van na de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zullen doen ontstaan. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.3.
  15. Hoewel de rechtbank in de beschikking is uitgegaan van de – onweersproken – stelling van [gedaagde] dat [eiser] de verwekker is van [minderjarige] en thans blijkt dat dat tussen partijen in geschil is, betekent dat niet dat sprake is van een klaarblijkelijke feitelijke misslag. Bij gebrek aan een vaderschapstest staat niet vast dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [eiser] de verwekker is van [minderjarige] , zodat van een klaarblijkelijke (feitelijke of juridische) misslag geen sprake is. 4.3.
  16. Voor zover [eiser] heeft willen aanvoeren dat door betaling van de alimentatie bij hem een noodtoestand zal ontstaan, omdat hij een bedrag van € 174,00 per maand niet kan betalen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Zo heeft [eiser] niet concreet gesteld wat zijn maandelijkse inkomsten en uitgaven zijn of wat hij over de afgelopen jaren precies heeft verdiend. Daar komt bovendien bij dat – zoals door [gedaagde] ter mondelinge behandeling is aangevoerd – het LBIO rekening dient te houden met de beslagvrije voet, zodat in beginsel van een noodtoestand reeds daarom geen sprake kan zijn. 4.3.
  17. Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen, zodat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. 4.
  18. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 314,00 - salaris advocaat € 656,00 Totaal € 970,00 5De beslissing De voorzieningenrechter: 5.
  19. wijst het gevorderde af; 5.
  20. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 970,
  21. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 24 maart
  22. type: PB coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.