vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/302495 / KG ZA 22-75 Vonnis in kort geding van 5 april 2022 in de zaak van
(2)[adres 3] te [plaats] onmiddellijk na betekening van dit vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt; III. de ten laste van [eiser sub 3] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V. onmiddellijk na betekening van dit vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt; IV. de ten laste van [eiseres sub 1] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V. onmiddellijk na betekening van dit vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt; V. de ten laste van [eiseres sub 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank N.V. en ING Bank N.V. onmiddellijk na betekening van dit vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij niet aan dit gebod voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt; VI. de kosten van deze procedure te voldoen. 3.
- De Zorggroep voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. 4.
- [eisers] stellen terecht dat de vraag of de omstreden beslagen moeten worden opgeheven, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen De Zorggroep in haar verzoekschrift aan de verzoeken tot beslaglegging ten grondslag heeft gelegd. In het licht van de betwisting door [eisers] van de inhoud van het verzoekschrift tot beslaglegging moet worden beoordeeld of summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door De Zorggroep ingeroepen recht. 4.
- In het verzoekschrift heeft De Zorggroep niet aan haar verzoek tot beslaglegging ten grondslag gelegd dat [naam vof] geen, of een onjuiste inventarisatie aan (de vertegenwoordiger van) de auteursrechtenorganisaties heeft gezonden. In het verzoekschrift wordt immers door De Zorggroep aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [naam vof] meer bij haar heeft gedeclareerd dan hetgeen De Zorggroep verschuldigd zou zijn aan de auteursrechtenorganisaties en die auteursrechtenorganisaties hebben gedeclareerd bij [naam vof] (als vertegenwoordiger van De Zorggroep). [eisers] hebben dit ook erkend. De vraag of die inventarisatie is verzonden en, zo ja, of die juist is, is dan ook niet relevant. De voorzieningenrechter zal aan hetgeen [eisers] in dat verband hebben betoogd dan ook voorbij gaan. 4.
- Vast staat dat De Zorggroep aan [naam vof] meer heeft betaald aan auteursrechtelijke vergoedingen dan de auteursrechtenorganisaties zélf aan [naam vof] (als vertegenwoordiger van De Zorggroep) in rekening hebben gebracht. [eisers] hebben erkend dat zij meer in rekening hebben gebracht bij De Zorggroep dan de auteursrechtenorganisaties op hun beurt bij [naam vof] in rekening hebben gebracht. Zij hebben die handelwijze verdedigd door te stellen dat die auteursrechtenorganisaties achter liepen met hun facturatie en dat hun berekeningen van hetgeen De Zorggroep verschuldigd was gebaseerd is op achterhaalde, te lage, cijfers. [eisers] hebben echter niet, dan wel onvoldoende gesteld en onderbouwd dat ook volgens de auteursrechtenorganisaties zelf de facturen die [naam vof] heeft opgesteld en verzonden aan De Zorggroep juist zijn én dat zij de volgens [naam vof] berekende vergoedingen (uiteindelijk) ook bij De Zorggroep in rekening zullen brengen. 4.
- Bovendien geldt nog het volgende. Niet gesteld of gebleken is dat [naam vof] gerechtigd was hogere bedragen in rekening te brengen bij De Zorggroep in verband met de vermeende verschuldigde vergoedingen aan de auteursrechtenorganisaties dan deze organisaties door middel van facturen gericht aan [naam vof] en/of De Zorggroep zélf in rekening hadden gebracht. [eisers] hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat De Zorggroep er door [naam vof] op is gewezen dat zij bij De Zorggroep meer in rekening bracht dan de auteursrechtenorganisaties bij haar in rekening hadden gebracht en dat zij dat deed omdat haar berekeningen van de verschuldigde vergoedingen correct waren en de auteursrechtenorganisaties uiteindelijk ook de door [naam vof] berekende vergoedingen (indirect) in rekening zou brengen bij De Zorggroep. Op grond van de Overeenkomst en bij gebreke van afspraken als hiervoor bedoeld, mocht De Zorggroep er op vertrouwen dat zij aan [naam vof] niet meer betaalde dan zij uiteindelijk aan de auteursrechtenorganisaties verschuldigd was. 4.
- Dat De Zorggroep rechtstreeks facturen van de auteursrechtenorganisaties zou hebben ontvangen en vervolgens na vergelijking daarvan met de facturen die zij van [naam vof] ontving, zelf had kunnen ontdekken dat [naam vof] meer bij haar in rekening bracht dan de auteursrechtenorganisaties bij [naam vof] in rekening hebben gebracht, doet daaraan niet af. Zulks rechtvaardigt nog steeds niet dat [naam vof] meer bij De Zorggroep in rekening heeft gebracht dan hetgeen de auteursrechtenorganisaties bij [naam vof] en bij De Zorggroep in rekening (zouden) hebben gebracht. 4.
- [eisers] hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij de auteursrechtenorganisaties ervan op de hoogte hebben gesteld dat de ten behoeve van De Zorggroep opgestelde facturen te laag waren en dat [naam vof] op haar beurt aan De Zorggroep zou factureren wat De Zorggroep naar de mening van [naam vof] aan de auteursrechtenorganisaties verschuldigd was. 4.
- Dat er bedragen beweerdelijk onverschuldigd zijn betaald aan [naam vof] , betekent niet dat van haar (voormalige) vennoten niet kan worden gevorderd dat zij het teveel betaalde als onverschuldigd terugbetalen. Op grond van het bepaalde in artikel 18 WvK zijn de vennoten immers hoofdelijk aansprakelijk voor een verbintenis van [naam vof] (tot terugbetaling van het onverschuldigd ontvangene). Bovendien heeft [eiser sub 3] bij de mondelinge behandeling verklaard dat door de aandeelhouders grote bedragen van de rekening van [naam vof] zijn gehaald. 4.
- Niet onaannemelijk is derhalve dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [naam vof] toerekenbaar te kort is geschoten jegens De Zorggroep, dan wel dat [naam vof] ten koste van De Zorggroep ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat De Zorggroep onverschuldigd aan [naam vof] heeft betaald. 4.
- Uit een en ander volgt dat de vordering van De Zorggroep jegens [naam vof] niet voorshands summierlijk ondeugdelijk is, noch dat aannemelijk is dat deze in een bodemprocedure zal worden afgewezen. 4.
- Uit het bepaalde in artikel 18 WvK volgt dat de (voormalige) vennoten van [naam vof] aansprakelijk zijn voor het handelen van [naam vof] tijdens de periode dat zij vennoot zijn geweest. Vast staat dat tijdens het bestaan van [naam vof] in ieder geval [naam bv] steeds een van de twee vennoten van [naam vof] is geweest. De vennoot die naast [naam bv] vennoot van [naam vof] was, dan wel moet geacht te zijn geweest, ten tijde dat de omstreden handelingen zijn verricht, is naast [naam bv] hoofdelijk aansprakelijk voor hetgeen aan [naam vof] kan worden verweten. 4.
- Vast staat dat [eiseres sub 1] aanvankelijk een van de twee vennoten van [naam vof] was en dat deze op 1 januari 2018 is vervangen door [eiseres sub 2] . Eveneens staat vast dat die wijziging van vennoot niet in het Handelsregister is ingeschreven. [eisers] hebben ook niet gesteld dat zij de De Zorggroep hier anderszins van op de hoogte hebben gesteld. De voorzieningenrechter gaat er voorshands van uit dat De Zorggroep hier niet van op de hoogte was. 4.
- Met De Zorggroep is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu [eiseres sub 1] ten tijde van de omstreden handelingen van [naam vof] in het Handelsregister stond ingeschreven als medevennoot van [naam vof] , zij (mede) verantwoordelijk is jegens De Zorggroep ter zake de vordering op [naam vof] . 4.
- Naast [eiseres sub 1] is ook [eiseres sub 2] jegens De Zorggroep aansprakelijk voor de beweerde vordering van De Zorggroep want vanaf 1 januari 2018 is zij uit hoofde van haar juridische en feitelijke hoedanigheid als vennoot van [naam vof] opgetreden. 4.
- Het omstreden handelen kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook aan [eiser sub 3] in persoon worden toegerekend. [eiser sub 3] heeft ter zitting verklaard dat hij na het (formele) terugtreden van [eiseres sub 1] als vennoot van [naam vof] , nog werkzaamheden heeft verricht voor [naam vof] ten behoeve van De Zorggroep zonder dat daar een formele bevoegdheid aan ten grondslag lag. [eiser sub 3] heeft niet gesteld dat hijzelf, [eiser sub 4] of [eiseres sub 2] De Zorggroep er van op de hoogte hebben gesteld dat [eiser sub 3] niet meer bevoegd was om namens [naam vof] te handelen. 4.
- Met De Zorggroep is de voorzieningenrechter van oordeel dat aannemelijk is dat [eiser sub 3] en [eiser sub 4] ook in persoon onrechtmatig jegens De Zorggroep hebben gehandeld. Zij zijn er immers als (getrapt) bestuurders van één van de vennoten persoonlijk voor verantwoordelijk dat te hoge facturen, in de zin als hiervoor in rov. 4.3 e.v. bedoeld, aan De Zorggroep werden gezonden, hetgeen heeft geleid tot de omstreden bovenmatige betalingen, terwijl zij op de hierboven genoemde gronden wisten, althans behoorden te weten, dat [naam vof] niet gerechtigd was om die hogere vergoedingen te declareren. 4.
- In zoverre [eiser sub 3] aan zijn ter zitting uitgesproken ongenoegen over het feit dat De Zorggroep niet (ook) [naam bestuurder] in persoon heeft aangesproken een juridische consequentie heeft willen verbinden, moet daaraan voorbij worden gegaan. Het feit dat [naam bestuurder] in persoon niet door De Zorggroep zou zijn gedagvaard of beslagen betekent immers niet dat [eiser sub 3] niet (mede) aansprakelijk is voor de vordering van De Zorggroep. 4.
- Ten aanzien van de conservatoire derdenbeslagen onder het drietal banken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eisers] hebben niet onderbouwd waarom deze beslagen onnodig zouden zijn, of dat voor de omstreden vorderingen voldoende zekerheid zou zijn gesteld. 4.
- [eisers] hebben wel gesteld dat de overbetekening aan de derdenbeslagen banken van het verzoekschrift tot beslaglegging voor de banken aanleiding kan zijn hun relatie met hen te beëindigen, nu in dat stuk volgens [eisers] een ongunstig en onjuist beeld van hen wordt geschetst. Bij opheffing van de bedoelde beslagen kunnen zij tegenover de bank onderbouwen dat het door De Zorggroep in het verzoekschrift gestelde de omstreden beslagen niet rechtvaardigde. 4.
- Het belang van De Zorggroep om zoveel mogelijk in staat te zijn een toegewezen vordering met behulp van een conservatoir beslag ook te kunnen innen, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang dat [eisers] hebben bij voortzetting van hun kredietrelatie met de kredietverstrekker(s). De vrees van [eisers] is tot op heden ook niet gegrond gebleken. 4.
- Ten aanzien van de gevorderde opheffing van de beslagen op de panden overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In ieder geval staat vast dat het pand aan de [adres 2] te [plaats] ten tijde van de beslaglegging te koop werd aangeboden, waarmee de vrees voor onttrekking aan verhaal op zich is gegeven. Met De Zorggroep is de voorzieningenrechter van oordeel dat het enkele feit dat dit pand uit de verkoop is genomen niet betekent dat daarmee ook de vrees voor onttrekking aan verhaal is verdwenen. Indien zou worden besloten dat het beslag op dit pand zou worden opgeheven, dan is niet denkbeeldig dat het pand alsnog wordt verkocht en derhalve aan mogelijk verhaal wordt onttrokken. 4.
- Met betrekking tot het beslag op de panden aan [adres 1] en [adres 3] te [plaats] overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Nu voorshands niet is uit te sluiten dat de bedragen die De Zorggroep aan [naam vof] heeft betaald zijn verduisterd door [eiser sub 3] en [eiser sub 4] , is de vrees niet denkbeeldig dat de eigenaren van deze panden deze mogelijk aan verhaal zullen proberen te onttrekken. 4.
- Ook in verband met de vordering tot opheffing van de beslagen op de panden hebben [eiser sub 3] en [eiser sub 4] aangevoerd dat de hypotheekhouders op grond van de door hen gehanteerde algemene voorwaarden in geval van beslag op een verhypothekeerd pand gerechtigd zijn het volledige krediet op te zeggen. 4.
- Ook in dit verband geldt dat het belang van De Zorggroep om zoveel mogelijk in staat te zijn een toegewezen vordering met behulp van een conservatoir beslag ook te kunnen innen zwaarder weegt dan het belang dat [eiser sub 3] en [eiser sub 4] hebben bij voortzetting van hun kredietrelatie met de hypotheekhouder. 4.
- [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Zorggroep worden begroot op: - griffierecht € 676,00; - salaris advocaat € 1.016,00; Totaal € 1.692,
- 5De beslissing De voorzieningenrechter: 5.
- wijst de vorderingen af; 5.
- veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van De Zorggroep tot op heden begroot op € 1.692,00; 5.
- verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken. type: MT