RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 21/3010 uitspraak van de enkelvoudige kamer 21 april 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonend in [woonplaats] , eiser en de Belastingdienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Inleiding 1. Bij brief van 10 september 2021 heeft eiser verweerder gevraagd om twee beschikkingen, de beschikking met dagtekening 18 juni 2014 waarin staat dat de huurtoeslag voor zijn woonadres per 1 juni 2014 is stopgezet en de beschikking aan [naam 3] die destijds als kamerbewoner op hetzelfde adres woonde en huurtoeslag van verweerder ontving. Uit zijn brief blijkt dat hij de gevraagde stukken in een lopende hoger beroepsprocedure wil gebruiken. Eiser heeft in de aanhef van zijn brief vermeld dat het een verzoekschrift betreft op basis van de Wob en in zijn brief ook voor de beslistermijn verwezen naar de Wob. 2. Bij aanvullende brief van 14 september 2021 heeft eiser onder meer toegelicht dat hij moet kunnen zien of verweerder huurtoeslag in gelijke gevallen op een zelfde manier stopzet en terugvordert. 3. Bij brief van 25 oktober 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en aangegeven dat het niet onredelijk is dat hij een Wob-verzoek heeft ingediend om de gevraagde stukken te krijgen nu deze stukken geen deel uitmaken van het dossier in de hoger beroepsprocedure. 4. Bij brief van 10 november 2021 heeft eiser het voorliggende beroep ingesteld. 5. Verweerder heeft niet op het informatieverzoek van eiser beslist en stelt zich op het standpunt dat hij ook geen besluit op het informatieverzoek had hoeven te nemen, omdat zich in dit geval de uitzonderingsgronden één en twee in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 mei 2020 voordoen. De beoordeling van het beroep 6. De rechtbank is met verweerder eens dat het informatieverzoek van eiser moet worden beoordeeld langs de lat van het kader dat de Afdeling in genoemde uitspraak heeft gegeven. Zij is het echter niet eens met de door verweerder gemaakt beoordeling en legt hierna, nadat zij het door de Afdeling gegeven kader heeft weergegeven, uit waarom zij het met de beoordeling van verweerder niet eens is, van oordeel is dat het informatieverzoek van eiser een Wob-verzoek is en het beroep gegrond zal verklaren. 7. In de door verweerder genoemde uitspraak van 20 mei heeft de Afdeling met het oog op de rechtspraktijk aanleiding gezien haar rechtspraak over de kwalificatie van een verzoek om informatie als Wob-verzoek in de zin van artikel 3 nader te preciseren. Als hoofdregel heeft de Afdeling genoemd dat als iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent volgens de Afdeling niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dit geldt volgens de Afdeling ook als de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens de Afdeling is dat alleen anders als
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.