← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:3132

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 8882260 CV EXPL 20-5718 Vonnis van de kantonrechter van 20 april 2022 in de zaak van [eiser] , wonend te [woonplaats] , eisende partij, gemachtigde mr. M.H.J.M. Stassen, tegen [gedaagde] , wonend te [woonplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. A.L. Stegeman. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure na het tussenvonnis van 1 december 2021 blijkt uit: de akte uitlaten na tussenvonnis aan de zijde van [eiser] met drie producties, de antwoordakte na tussenvonnis van [gedaagde] met aanvullende productie nr.
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 1.
  4. Dit eindvonnis wordt gewezen door een andere kantonrechter dan de kantonrechter die het tussenvonnis heeft gewezen, omdat deze inmiddels werkzaam is bij een andere afdeling. De kantonrechter die dit eindvonnis wijst, is degene ten overstaan van wie de mondelinge behandeling van 15 april 2021 heeft plaatsgevonden en die na sluiting van die mondelinge behandeling in conventie en in reconventie mondeling (tussen)vonnis heeft gewezen. 2De verdere beoordeling Het tussenvonnis 2.
  5. Bij het tussenvonnis van 1 december 2021 heeft de kantonrechter haar voornemen kenbaar gemaakt de vordering van [eiser] binnen de sleutel van de ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) te beoordelen en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Voorts zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen en verweren binnen het kader van artikel 6:212 BW te plaatsen en een gemotiveerd standpunt in te nemen – voor zover mogelijk aan de hand van verifieerbare bescheiden – omtrent de vraag of de borgtochten van [gedaagde] en [naam] wel of niet zijn uitgewonnen. Hierbij dienden partijen uitdrukkelijk in te gaan op de vraag of het aan de Rabobank verstrekte recht van hypotheek op het pand als zekerheid uitsluitend via de route van de borgtochten van [gedaagde] en [naam] voor hun holdingvennootschappen of ook anderszins strekt tot zekerheid voor de nakoming van de financiële verplichtingen van de vof aan de Rabobank. Partijen hebben zich hieromtrent in hun respectieve aktes uitgelaten. Ongerechtvaardigde verrijking? 2.
  6. In beginsel had [eiser] , als mede-eigenaar, recht op 1/3e deel van de verkoopopbrengst van het pand. Vast staat dat hij zijn deel niet heeft ontvangen, omdat die door de Rabobank in mindering is gebracht op openstaande schulden waarvoor [gedaagde] zich in privé borg had gesteld. Desondanks is er geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten kosten van [eiser] . Ten eerste omdat niet vast staat dat [eiser] is verarmd doordat de privéborgstelling van [gedaagde] niet is uitgewonnen. Immers is het aan de Rabobank om te beslissen welke zekerheden zij wel en niet uitwint en in welke volgorde, dus wellicht had zij ervoor gekozen om het pand ook uit te winnen als zij [gedaagde] wel had aangesproken als borg. Ten tweede omdat niet vast staat dat [gedaagde] is verrijkt door uitwinning van het pand. Er waren immers nog andere zekerheden die de Rabobank had kunnen uitwinnen als zij het pand waarvan [eiser] mede-eigenaar was niet had uitgewonnen, zoals het pandrecht op de debiteurenvorderingen van de vof. Uit de stukken van de curator (producties 6a en b en productie 7 bij conclusie van antwoord) blijkt dat de vof een vordering had op [naam] van € 297.730,- en dat die na verkoop van het pand is uitgewonnen voor de restantschuld van € 15.272,
  7. Zou het pand niet uitgewonnen zijn, dan had de Rabobank er wellicht voor gekozen [naam] aan te spreken uit hoofde van de verpande debiteurenvordering of de privéwoning van [naam] ten gelde gemaakt, in plaats van [gedaagde] aan te spreken uit hoofde van de borgstelling. Nu niet in rechte kan worden vastgesteld dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, zal het door [eiser] gevorderde worden afgewezen. 2.
  8. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot vandaag begroot op € 1.119,00 (3 x tarief € 373,00) aan salaris gemachtigde. 3De beslissing De kantonrechter 3.
  9. wijst het door [eiser] gevorderde af, 3.
  10. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot vandaag begroot op € 1.119,00 aan salaris gemachtigde, 3.
  11. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken. NZ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.