beschikking RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rekestnummer: C/03/298787 / HA RK 21-362 Beschikking van 12 mei 2022 in de zaak van [verzoekster] , domicilie kiezend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, verzoekster, advocaat mr. G.E.E.M. van der Heijden. Als belanghebbenden worden aangemerkt: 1 [belanghebbende sub 1] , wonend te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AMBITION@WORK B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te Landgraaf, advocaat mr. S.L. Smits-Emons. Verzoekster wordt aangeduid als “ [verzoekster] ”. Belanghebbenden worden gezamenlijk aangeduid als “ [belanghebbenden] ” en wanneer op één van hen specifiek wordt gedoeld als “ [belanghebbende sub 1] ” respectievelijk “Ambition@Work B.V.”. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met productie 1 t/m 28, ter griffie ontvangen op 17 november 2021, - het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 14, ter griffie ontvangen op 25 januari 2022, - de mondelinge behandeling op 1 februari 2022, - het e-mailbericht van [belanghebbende sub 1] met antwoord op een vraag van de rechtbank bij de mondelinge behandeling van 1 februari 2022, ter griffie ontvangen op 8 februari 2022, - de akte van [verzoekster] met productie 1 (met bijlage 1 t/m 6), productie 2 (met bijlage 1 t/m 21) en productie 3 (met bijlage 1 t/m 27) ter griffie ontvangen op 1 maart 2022, - de antwoordakte van [belanghebbende sub 1] met productie 15, ter griffie ontvangen op 31 maart 2022. 1.2. Ter zitting van 1 februari 2022 zijn verschenen: - [verzoekster] , bijgestaan door mr. Van der Heijden, - [belanghebbende sub 1] , mede namens Ambition@Work B.V., bijgestaan door mr. Smits-Emons. 1.3. Vervolgens is beschikking bepaald op heden. 2De feiten Tussen [verzoekster] en [belanghebbende sub 1] staat als niet, althans onvoldoende weersproken het volgende vast. 2.1. [belanghebbende sub 1] heeft per 1 januari 2012 in [vestigingsplaats] de [handelsnaam] gevestigd als eenmanszaak. [verzoekster] oefende haar psychologenpraktijk uit als eenmanszaak toen zij in 2013 ging samenwerken met [belanghebbende sub 1] . 2.2. [belanghebbende sub 1] en [verzoekster] zijn begin maart 2017 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 voor onbepaalde tijd onder de naam [naam maatschap] een samenwerkingsverband in de vorm van een maatschap aangegaan (hierna: de Maatschap). Hetgeen tussen de beide maten heeft te gelden is op 9 maart 2017 in een overeenkomst met als aanhef “kostenmaatschap overeenkomst” (hierna: de Overeenkomst) vastgelegd (productie 2 bij verzoekschrift). De Overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt. “(…) Artikel 2 Doel De maatschap heeft als doel het ten behoeve van de uitoefening van de psychologen praktijken van de ondergetekenden de volgende zaken gezamenlijke te regelen: het huren van bedrijfsruimte, aanschaf inventaris, apparatuur, bedrijfsmiddelen, etc.; het gezamenlijk aannemen van personeel binnen de maatschap; De afzonderlijke maten blijven onder eigen naam hun bedrijf uitoefenen en treden gezamenlijk onder de naam [naam maatschap] naar buiten. (..) Artikel 4 Gezamenlijke kosten De volgende kosten zullen door de Maten ieder voor de helft worden betaald: . Huurkosten praktijkruimten, incl. gas, water, licht; . Bedrijfsverzekeringen; . Gemeenschappelijk testmateriaal; . ICT kosten; . Kantoorbenodigdheden (briefpapier, foldermateriaal, postzegels, papier, etc); . Schoonmaakkosten praktijkruimte. Artikel 5 Winst en verlies (..) De winst of verlies wordt gelijkelijk over beide maten verdeeld. (..) Artikel 6 Bevoegdheid voor daden van beheer De maten zijn allebei bevoegd daden van beheer te verrichten, waaronder begrepen het innen en in ontvangst nemen van gelden ten behoeve van de maatschap en het doen van uitgaven, met dien verstande dat beheersdaden, die in totaal financiële lasten van jaarlijks meer dan € 100 (..) met zich zullen meebrengen, de goedkeuring van beide maten behoeven. (..) Artikel 7 (..) 1. (..) Het is elk der Maten verboden (..) te zijnen eigen behoeve te beschikken over goederen of gelden, de maatschap toebehorende. (..) 7. Indien een der Maten zijn maatschapsaandeel overdraagt aan de andere Maat, dan wordt hiervoor een bedrag ter hoogte van 3000 Euro ter vergoeding voor betaald. Artikel 8 Boekjaar, balans en winst- en verliesrekening (…) 2. Na afloop van elk boekjaar, alsmede bij het einde van de maatschap in de loop van enig boekjaar, worden de boeken van de maatschap afgesloten en wordt een balans en winst- en verliesrekening (hierna jaarrekening ) opgemaakt. De Maten tekenen deze ten bewijze van goedkeuring en van onderlinge décharge binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, of, ingeval de maatschap eindigt, binnen drie maanden na het einde van de maatschap. (…) 5. De jaarrekening zal ongeacht de ondertekening in ieder geval ten opzichte van een maat bindend zijn, na het verstrijken van één jaar na ontvangst hiervan, als in die periode door hem geen bezwaren schriftelijk aan de mede-ma(a)ten of degene die de stukken vaststelt kenbaar zijn gemaakt. Artikel 9 9.1 Berekening winst/verlies en verdeling Winst/verlies van de maatschap wordt na afsluiten boekjaar bepaald en verdeeld over de Maten. (…) Artikel 10 (…) 10.2 Voortzetting, overname. Indien de maatschap eindigt bestaat een recht tot voortzetting van het bedrijf door mw. [belanghebbende sub 1] , met behoud van de praktijknaam [naam maatschap] . Mw. [belanghebbende sub 1] kan toestemmen dat de overige ma(a)ten het bedrijf voortzetten. 10.3 Einde maatschap a. Door opzegging van dit maatschap contract. Wanneer de maatschap eindigt door opzegging zal de maatschap worden geliquideerd en wel door Maten samen. (…) h. De maat die uittreedt, geeft uiterlijk 12 maanden van te voren schriftelijk aan, dat zij voornemens is dit te doen. (..)” 2.3. De Maatschap had contracten met zorgverzekeraars en gemeenten. De gemeente Maastricht trad op als penvoerder voor diverse gemeenten in Zuid-Limburg. Daarnaast was er een afzonderlijk contract met de gemeente Brunssum. De Maatschap sloot ook huurcontracten met betrekking tot praktijkruimten, onder andere in Kerkrade en Brunssum en had personeel in loondienst. 2.4. Na het oprichten van de Maatschap zijn er tussen partijen spanningen ontstaan. 2.5. Op 31 mei 2018 heeft er een bespreking tussen [verzoekster] en [belanghebbende sub 1] plaatsgevonden, waarbij het vertrek van [verzoekster] onderwerp van gesprek is geweest. Daarbij waren tevens aanwezig de heer [naam belastingadviseur] , belastingadviseur van de Maatschap en de heer [naam accountant] , accountant van [verzoekster] . Van deze bespreking is op 4 juni 2018 een gespreksverslag gemaakt, dat door [verzoekster] op 14 juni 2018 akkoord is bevonden. Daarin staat onder “Te nemen stappen” vermeld: “Doel is dat [verzoekster] (lees: [verzoekster] ) per 31-12-2018 uit de maatschap gaat. [belanghebbende sub 1] (lees: [belanghebbende sub 1] ) zal een vervanger moeten regelen. (…)” (productie 1 bij verweerschrift). Partijen zijn het niet eens geworden over de voorwaarden voor uittreding van [verzoekster] en het voortzetten van de praktijk door [belanghebbende sub 1] . 2.6. [belanghebbende sub 1] heeft op 4 juli 2018 de besloten vennootschap Ambition@Work B.V. opgericht (productie 1a bij verzoekschrift). 2.7. Op 14 september 2018 zijn de jaarstukken 2017 inzake de Maatschap door de boekhouder/accountant [naam] gereed gemaakt, productie 13 bij verzoekschrift. De omzet die in deze jaarrekening is vermeld, is uitgangspunt geweest voor de concept-jaarrekening 2018. [verzoekster] heeft deze jaarrekening niet ter goedkeuring ondertekend. 2.8. Op 19 februari 2019 heeft [belanghebbende sub 1] zonder overleg met [verzoekster] haar vennootschap Ambition@Work B.V. haar eigen plaats in de Maatschap laten innemen (productie 1b bij verzoekschrift). 2.9. De spanningen tussen partijen zijn vervolgens verder toegenomen. 2.10. [verzoekster] heeft op 11 maart 2019 € 40.000,- van de rekening van de Maatschap overgemaakt naar haar eigen (privé-)rekening. Hierover is een geschil ontstaan dat heeft geleid tot een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 april 2019 waarin [verzoekster] is veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag (productie 7 bij verzoekschrift). 2.11. Op 16 mei 2019 zijn de concept jaarstukken 2018 inzake de Maatschap door de boekhouder/accountant gereed gemaakt (productie 12 bij verzoekschrift). 2.12. [belanghebbende sub 1] heeft de Maatschap op 24 mei 2019 opgezegd. Met ingang van 1 mei 2019 heeft zij het personeel dat voorheen in dienst was van de Maatschap overgenomen en met ingang van 1 juli 2019 ook de huurovereenkomst van de praktijkruimte in [vestigingsplaats] . 2.13. Op 17 juni 2019 heeft tussen [verzoekster] en [belanghebbende sub 1] een bespreking plaatsgevonden in aanwezigheid van hun beider advocaten. Mr. Van der Heijden heeft daarvan een verslagje gemaakt (productie 11 bij verweerschrift). Vermeld is onder meer dat de Maatschap grotendeels is ontmanteld zodat er nauwelijks meer lopende kosten zijn en dat 1 september 2019 geldt als streefdatum om uit elkaar te gaan. 2.14. Op 7 januari 2020 heeft [belanghebbende sub 1] aan de Kamer van Koophandel bericht dat Ambition@Work B.V. geen maat meer is van [handelsnaam] . Op 10 januari 2020 heeft de Kamer van Koophandel deze opgave in het Handelsregister ingeschreven en op dezelfde dag schriftelijk bevestigd aan de Maatschap en de uitgetreden maat. Ook heeft de Kamer van Koophandel aan [verzoekster] gevraagd of de onderneming wordt voortgezet of beëindigd. Omdat [verzoekster] aanvankelijk niet heeft gereageerd heeft de Kamer van Koophandel de registratie van de Maatschap beëindigd per 30 januari 2020. 2.15. Op 10 februari 2020 heeft de Kamer van Koophandel een bezwaarschrift van [verzoekster] ontvangen dat – kort samengevat en voor zover relevant – inhoudt dat [belanghebbende sub 1] geen maat meer is sinds 1 januari 2020, maar dat de liquidatie van de Maatschap nog niet is afgerond en daarom ingeschreven dient te blijven in het Handelsregister. Op 4 juni 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Op 15 juni 2020 heeft de Kamer van Koophandel beslist dat het bezwaar gegrond is en dat de registratie in het Handelsregister zal worden aangepast (productie 27 verzoekschrift). [belanghebbende sub 1] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Die procedure loopt nog. 2.16. Op 15 juni 2020 is in het Handelsregister geregistreerd dat de Maatschap in liquidatie is getreden en dat [verzoekster] en Ambition@Work B.V. beiden vereffenaars zijn (productie 1b bij verzoekschrift). 2.17. Op 2 oktober 2020 heeft [verzoekster] een verzoekschrift aan deze rechtbank gezonden dat ertoe strekt dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. [verzoekster] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij wenst te bewijzen dat [belanghebbende sub 1] onrechtmatig bedragen aan de Maatschap heeft onttrokken en/of dat de Maatschap onverschuldigd bedragen aan [belanghebbende sub 1] heeft betaald die uit dien hoofde kunnen worden teruggevorderd door de Maatschap. Daarnaast wenst [verzoekster] te bewijzen dat [belanghebbenden] een bedrag aan goodwill aan [verzoekster] verschuldigd is, omdat zij de Maatschap heeft voortgezet en de contracten en de daaruit voortkomende verwijsbrieven, die voorheen ten name van de Maatschap liepen, heeft overgenomen. Door de verklaringen van de getuigen zal komen vast te staan hoe de gang van zaken is geweest die geleid heeft tot het ontstaan van de vorderingen die door [verzoekster] en de Maatschap zullen worden ingesteld en die geleid hebben tot de schade die [verzoekster] en de Maatschap hebben geleden, aldus [verzoekster] . Het verzoek is – kort samengevat – bij beschikking van 31 december 2020 toegewezen. 2.18. [verzoekster] heeft op 29 april 2021 als getuigen doen horen [belanghebbende sub 1] en haarzelf (productie 15 bij verzoekschrift) en op 30 april 2021 mevrouw [getuige 1] , jeugdhulpverlener, en mevrouw [getuige 2] , officemanager van de Maatschap (productie 22 bij verzoekschrift). 2.19. Door partijen is in het nu ter voorliggende verzoekschrift en in het verweerschrift uitgebreid ingegaan op de in de loop der jaren tussen partijen ontstane problematiek. Zowel [verzoekster] als [belanghebbenden] geven echter een andere lezing van de gang van zaken, ook ten aanzien van hun pogingen vanaf medio 2018 om in onderling overleg hun samenwerking te beëindigen. 3De verzoeken en het verweer 3.1. [verzoekster] stelt dat zij voornemens is (in een bodemprocedure zo begrijpt de rechtbank) vorderingen in te stellen tegen [belanghebbenden] van minimaal € 150.000,- wegens een bedrag aan goodwill dat [belanghebbenden] aan [verzoekster] verschuldigd zijn, omdat zij de Maatschap hebben voortgezet en de contracten en de daaruit voortkomende verwijsbrieven, die voorheen ten name van de Maatschap liepen, hebben overgenomen. [verzoekster] wenst voorts met een voorlopig deskundigenonderzoek te bewijzen dat [belanghebbende sub 1] onrechtmatig bedragen ten laste van de Maatschap heeft onttrokken en/of dat de Maatschap onverschuldigd bedragen aan [belanghebbende sub 1] heeft betaald die uit dien hoofde kunnen worden teruggevorderd door de Maatschap. [verzoekster] heeft thans nog steeds geen volledig inzicht in de administratie, dat wil zeggen alle gegevens die nodig zijn om het onderzoek en de vragen die in het kader van het voorlopig deskundigenonderzoek zijn geformuleerd te kunnen beantwoorden. [verzoekster] stelt dat zij als maat en vanuit haar rechtsbetrekking met de Maatschap er recht op en belang bij heeft dat aan haar de volledige administratie wordt ‘open gelegd’ conform art. 3:15j sub b en c BW. [verzoekster] wenst de administratie van de Maatschap over de jaren 2017 tot en met 2019 te kunnen controleren en wenst dat er door een deskundige een eindafrekening in het kader van de liquidatie en vereffening van de Maatschap tot heden wordt opgesteld. Hierbij moet met name ook worden gecontroleerd of de declaraties van de verrichtingen voldoen aan de geldende regelgeving en de afspraken die contractueel zijn overeengekomen met de opdrachtgevers. verzoek tot inzage of afschrift 3.2. De te benoemen deskundige moet maximaal gefaciliteerd worden om het onderzoek naar behoren te kunnen uitvoeren. [verzoekster] vordert (de rechtbank leest: verzoekt) daartoe in het incident inzage in de gegevens die vermeld zijn in de onderzoeksvragen in de hoofdzaak en alles wat daaraan dienstig is en daarmee verband houdt. Dit betreft in ieder geval, maar niet limitatief: grootboekadministratie van de Maatschap over de jaren 2015 tot heden; alle uitgaande (omzet) facturen/declaraties en inkomende facturen/kostennota’s vanaf 2015 tot heden; alle contracten met de opdrachtgevers vanaf 2015 tot heden; inzage in door medewerkers van de Maatschap en de afzonderlijke maten uitgevoerde verrichtingen zoals geregistreerd in het CRS systeem vanaf 2015 tot heden; inzicht in de lopende CRS arrangementen per 31 december 2018 ten name van de Maatschap die in de loop van 2019 zijn overgeheveld vanuit het CRS systeem van de Maatschap naar [naam maatschap] GGZ B.V; alle nota’s van de maten aan de Maatschap vanaf 2015 tot heden; een en ander op verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [belanghebbende sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van EUR 50.000,00. 3.3. [belanghebbenden] verzetten zich tegen inwilliging van dit verzoek. Zij voeren daartoe – kort samengevat geciteerd uit het verweerschrift – aan, dat [verzoekster] steeds toegang heeft gehad tot de volledige informatie (inclusief de contracten en arrangementen) en ook nog steeds toegang heeft tot het CRS systeem. Daar heeft [verzoekster] kennelijk geen gebruik van gemaakt. [belanghebbende sub 1] heeft daarnaast steeds de door [verzoekster] gevraagde informatie verstrekt (productie 9, 10 en 12 bij verweerschrift en productie 21 bij verzoekschrift). Op 1 oktober 2020 heeft [verzoekster] een kopie van de volledige administratie van de Maatschap over de periode 2017-2020 ontvangen (productie 14 verweerschrift). De accountant van de Maatschap heeft aangeboden met [verzoekster] de aangeleverde documenten te bespreken, maar [verzoekster] heeft daar geen gebruik van gemaakt (productie 21 bij verzoekschrift). [verzoekster] heeft geen rechtmatig belang bij haar verzoek en het is bovendien te breed geformuleerd, aldus [belanghebbenden] voorlopig deskundigenbericht 3.4. [verzoekster] wenst voorts dat de rechtbank een voorlopig deskundigenonderzoek zal bevelen. De hoofdvraag van het onderzoek betreft het controleren van de administratie van de Maatschap over de jaren 2017, 2018 en 2019 en het opstellen van een eindafrekening in het kader van de liquidatie en vereffening van de Maatschap tot op heden. Hierbij moet met name ook worden gecontroleerd of de declaraties van de verrichtingen voldoen aan de geldende regelgeving en de afspraken die contractueel zijn overeengekomen met de opdrachtgevers. [verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. een deskundigenbericht te bevelen; II. één of meer door uw rechtbank zelf aan te wijzen personen als deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.