← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:384

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.031389.20 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 november

  1. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1 primair: al dan niet samen met een ander of anderen heeft geprobeerd, met voorbedachten rade, om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, Subsidiair is dit feitencomplex ten laste gelegd als poging tot doodslag; Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen een poging tot diefstal met geweld of poging tot afpersing van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gepleegd; Feit 3: al dan niet samen met een ander of anderen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd; Feit 4: opzettelijk (ongeveer) 5 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van zowel het onder feit 1 primair als subsidiair tenlastegelegde. Hij acht bewezen dat de verdachte samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde feiten 2 en
  2. De officier van justitie acht alle handelingen in onderling verband en in samenhang bezien daarvoor van belang. De uiterlijke verschijningsvorm maakt dat het niet anders kan dan dat de verdachte op de hoogte was van hetgeen ging gebeuren en hij bewust ervoor gekozen had om de medeverdachte bij te staan. De officier van justitie verwijst in dat verband ook naar de verklaring van [slachtoffer 1] . De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit 4 wettig en overtuigend bewezen. Hij verwijst naar het proces-verbaal met betrekking tot het aantreffen van de cocaïne in de tas van de verdachte en de NFI resultaten waarbij is vastgesteld dat de aangetroffen verdovende middelen cocaïne betrof. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Zij heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 aangevoerd dat de verdachte niet de schutter is geweest. Daarnaast had de verdachte ook geen wetenschap van het plan van de medeverdachte [medeverdachte 1] en heeft zich daar op geen enkele wijze bij aangesloten. De verdachte heeft geen handelingen verricht waaruit iets anders kan worden opgemaakt. Er kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het meenemen van een wapen dan wel dat hij het wapen in de auto gezien had. De verdachte is direct gevlucht toen [slachtoffer 2] met een wapen naar de auto terug kwam lopen. De verdachte heeft enkel in de Volkswagen Polo gezeten en dat is onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen. De raadsvrouw voert ten aanzien van feit 4 aan dat de verdachte op 5 januari geen beschikkingsmacht heeft gehad over de verdovende middelen. Deze kunnen al langer in de auto gelegen hebben en het is niet vast te stellen dat de verdachte van de verdovende middelen in de tas afwist. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten 1, 2 en 3 De rechtbank zal hierna de aan de verdachte tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 gezamenlijk bespreken. In dit verband oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank maakt uit het procesdossier op dat de medeverdachte [medeverdachte 2] , de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gereden naar een plaats in de buurt van het schietincident. Vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] uit de auto gestapt en zijn achterin de Volkswagen Polo gaan zitten achter [slachtoffer 1] , die op dat moment op de bijrijdersstoel zat. [slachtoffer 2] , de bestuurder van de genoemde Volkswagen Polo, was op dat moment niet aanwezig. Daarna heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen tevoorschijn gehaald en heeft hij [slachtoffer 1] en ook [slachtoffer 2] , die inmiddels naar de auto terug liep, bedreigd. Net voordat de schietpartij tussen [slachtoffer 2] en de medeverdachte [medeverdachte 1] zou beginnen, is de verdachte uit de auto gevlucht. De vraag die zich aandient is of de handelingen van de verdachte, zoals hiervoor omschreven, een strafrechtelijk karakter herbergen en dus een strafrechtelijke veroordeling rechtvaardigen. In dit verband oordeelt de rechtbank als volgt. Voor strafrechtelijke betrokkenheid is meer nodig dan de enkele aanwezigheid van de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten door de medeverdachte [medeverdachte 1] . Om van het aan de verdachte tenlastegelegde medeplegen te kunnen spreken -bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] - is immers, kort gezegd, opzet aan de zijde van de verdachte nodig op zowel het gronddelict als op de samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte 1] . Een onontbeerlijk ingrediënt voor de vaststelling van opzet in voornoemde zin is de wetenschap aan de zijde van de verdachte. In concreto ligt de vraag voor hoe ver de wetenschap van de verdachte heeft gereikt van hetgeen zich op de bewuste dag heeft afgespeeld. Deze vraag raakt de kern van alle hier besproken feiten. De conclusie kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders zijn dan dat die wetenschap bij de verdachte heeft ontbroken. De rechtbank kan immers noch uit het procesdossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting vaststellen dat de verdachte heeft geweten waarom de medeverdachte [medeverdachte 1] hem had meegevraagd om op de bewuste dag met hem mee te gaan. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte heeft geweten dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een vuurwapen zou meenemen, dat hij het vuurwapen in de auto heeft gezien, dat hij heeft geweten dat er geschoten zou worden door deze medeverdachte dan wel dat andere strafbare feiten gepleegd zouden gaan worden. Dit zo zijnde kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de aan hem tenlastegelegde gronddelicten. De rechtbank is het in dit verband niet eens met het standpunt van de officier van justitie dat -kort gezegd- erop neerkomt dat gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen gesproken kan worden van opzet aan de zijde van de verdachte. Ook bij het in overweging nemen van de uiterlijke verschijningsvorm van gedragingen, zal een verdachte echt meer moeten doen dan slechts aanwezig zijn op de plaats delict. Dat een en ander er verdacht heeft uitgezien, wil in beginsel niet meteen zeggen dat daarmee de conclusie gerechtvaardigd is dat de verdachte strafrechtelijk betrokken is geweest. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de aan hem tenlastegelegde feiten 1, 2 en
  3. Feit 4 De Renault Megane met kenteken [kenteken] werd naar aanleiding van het schietincident op 5 januari 2020 te Heerlen in beslag genomen. In de personenauto werd rechtsachter een tas van het merk Louis Vuitton aangetroffen. In deze tas zaten een I-phone, één mobiele telefoon van het merk Alcatel, twee Nederlandse identiteitskaarten, een ING betaalpas op de naam van de verdachte en een brilmapje. In het brilmapje bevond zich een doorzichtig gripsealzakje met diverse witte envelopjes en een doorzichtig plastic zakje met hennep. In het doorzichtige gripzakje zaten twaalf lege wit gekleurde sealtjes en een transparant kunststof zakje met daarin wit gekleurde poeder en brokken. Dit had een netto gewicht van 5,11 gram en dit werd voor onderzoek naar het NFI gestuurd. Uit het NFI rapport blijkt dat de geteste stof cocaïne bevatte. De verdachte heeft verklaard dat hij in deze Renault Megane met zijn medeverdachten op 5 januari 2020 naar Heerlen was gereden en dat de tas in de auto aan hem toebehoorde. De rechtbank stelt aan de hand van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de aangetroffen verdovende middelen cocaïne betrof. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande van uit dat de aangetroffen tas van de verdachte is en dat hij wist wat daar in zat. De verdachte heeft daarmee de cocaïne opzettelijk aanwezig gehad. De rechtbank betrekt bij dit oordeel het feit dat de verdachte op geen enkel moment met een verklaring is gekomen die een andersluidende conclusie zou rechtvaardigen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte Feit 4hij op 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: Feit 4 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de strafmaat heeft zij verzocht rekening te houden met de toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht en dat de verdachte reeds 10 maanden in voorarrest heeft gezeten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van harddrugs, te weten ongeveer 5 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en een groot deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft op geen enkel moment een verklaring afgelegd over het bezit van de verdovende middelen. In het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is voor de bestraffing van het opzettelijk aanwezig hebben van 5 gram cocaïne het uitgangspunt een geldboete van 750 euro. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met artikel 63 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal een (veel) lagere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Die is immers mede gebaseerd op een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, terwijl de rechtbank de verdachte van die feiten vrijspreekt. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen. Het voorarrest zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. 7Het beslag Onttrekking aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen, waarmee het strafbare feit begaan is, onttrekken aan het verkeer. De verdovende middelen zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang. De rechtbank zal de munitie aan het verkeer onttrekken en deze zijn daarvoor vatbaar. Immers, is munitie van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan hij werd verdacht zijn aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Teruggave van de overige voorwerpen De rechtbank zal het inbeslaggenomen geld, € 9,00, teruggeven aan de verdachte omdat uit het dossier of onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken dat deze in relatie tot de bewezen verklaarde feiten staan. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36d, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Beslag - onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen: 1 STK Munitie; 1 STK Munitie; 1 STK Verdovende Middelen; 1 STK Verdovende Middelen; 1 STK Verdovende Middelen; - gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende: 9 EURO. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. M.M.L. Kalsbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Smits, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 januari
  4. Buiten staat Mr. M.M.L. Kalsbeek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen op de openbare weg Vrieheidepark tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met hel oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (mobiele) telefoon en/of een of meer (andere) goederen van hun/zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)- naar de auto van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] is/zijn gelopen en/of (vervolgens) in die auto is/zijn gestapt en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer 1] en/of heeft/hebben doorgeladen in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of op/tegen de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of- onder dreiging van het vuurwapen tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij rustig moet blijven zitten tot haar vriendje er is en/of- onder dreiging van het vuurwapen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd en/of gezegd dat hij heel goed weet wat hij heeft gedaan en/of- het vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht en tegen die [slachtoffer 2] heeft geschreeuwd en/of gezegd dat hij rustig moet blijven anders schiet hij zijn vriendinnetje neer en/of- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;ofhij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen op de openbare weg Vrieheidepark tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een (mobiele) telefoon en/of een of meer (andere) goederen van hun/zijn gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)- naar de auto van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] is/zijn gelopen en/of (vervolgens) in die auto is/zijn gestapt en/of- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer 1] en/of heeft/hebben doorgeladen in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of op/tegen de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd en/of gehouden en/of- onder dreiging van het vuurwapen tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat zij rustig moet blijven zitten tot haar vriendje er is en/of- onder dreiging van het vuurwapen tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geschreeuwd en/of gezegd dat hij heel goed weet wat hij heeft gedaan en/of- het vuurwapen op die [slachtoffer 1] heeft gericht en tegen die [slachtoffer 2] heeft geschreeuwd en/of gezegd dat hij rustig moet blijven anders schiet hij zijn vriendinnetje neer en/of- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft geschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)3hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp- doorgeladen in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en/of- op/tegen de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gehouden en/of- getoond aan en/of gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of(daarbij) dreigend de woorden toegevoegd : "rustig blijven anders schiet ik je vriendinnetje neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of(vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft geschoten;( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)4hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet) Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 9 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
  5. Proces-verbaal van forensisch onderzoek, Renault Megane, [kenteken] d.d. 24 januari 2020 , p. 813-
  6. Proces-verbaal van verdovende middelen d.d. 4 februari 2020, p.
  7. Rapport NFI d.d. 29 januari 2020, p. 867 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting 30 november 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.