ECLI:NL:RBLIM:2022:4151
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/300757 / HA ZA 22-21 Vonnis in incident van 25 mei 2022 in de zaak van [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , wonend te [woonplaats 1] , eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. J.M.H. Devis, tegen 1 [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde, eiseres in het incident, advocaat mr. A.J.L.J. Pfeil, 2. [gedaagde sub 2], wonend te [woonplaats 3] , gedaagde, niet verschenen.
Partijen zullen hierna [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 23 de conclusie van antwoord tevens houdend exceptio plurium litis consortium met producties 1 t/m 8 de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De feiten2.1. Op [overlijdensdatum] is de moeder van partijen [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [overlijdensplaats] overleden.
2.2.
Erflaatster is in eerste echt gehuwd geweest met de [naam echtgenoot] , van wie zij is gescheiden. Uit dat huwelijk zijn - naast partijen - geboren: [naam dochter] (hierna: [naam dochter] ) en [naam zoon] (hierna: [naam zoon] ).
2.3.
Bij testament van 10 september 2012, verleden voor mr. R.M.E.S. Smeets, notaris te Kerkrade, heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. In haar testament zijn [gedaagde, eiseres in het incident sub 1] en [gedaagde sub 2] tot enig erfgenamen en tevens tot executeurs van de nalatenschap benoemd. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] , [naam dochter] en [naam kleinzoon] , zijnde de zoon en plaatsopvolger van de vooroverleden [naam zoon] , zijn onterfd.3. Het geschil in de hoofdzaak 3.1. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] maakt aanspraak op haar legitieme portie. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
3.3. [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] verzet zich primair tegen het opgeworpen incident. Zij betwist dat [naam kleinzoon] zijn legitieme portie heeft opgeëist. Indien de vordering door de rechtbank wordt aangemerkt als een processueel ondeelbare vordering, verzoekt [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid te worden gesteld de andere legitimarissen in het geding te betrekken onder de bepaling dat de adresgegevens van [naam kleinzoon] door de executeur-testamentairs aan haar moeten worden verstrekt.
4De beoordeling in het incident 4.1.
Bij arrest van 10 maart 2017 heeft de Hoge Raad beslist dat in geval van een vordering die een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding), de rechter de beslissing over die vordering slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (ECLI:NL:HR:2017:411. Zie ook ECLI:NL:HR:2021:177).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing over (de omvang van) de legitieme massa van onderhavige nalatenschap in de zelfde zin luidt ten aanzien van alle legitimarissen van de nalatenschap.
4.3.
Gelet hierop slaagt de opgeworpen exceptie en zal de vordering in het incident worden toegewezen. Dit betekent dat [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid zal worden gesteld om [naam kleinzoon] en [naam dochter] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv. Nu het adres van [naam kleinzoon] kennelijk niet bij haar bekend is, zal er een langere termijn voor deze oproeping worden bepaald. Deze oproeping dient derhalve tegen de roldatum van 17 augustus 2022 te geschieden.
4.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de kosten van het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing De rechtbank in het incident 5.1. stelt [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de gelegenheid om [naam kleinzoon] en [naam dochter] alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv om op de rolzitting van 17 augustus 2022 in het geding te verschijnen, met dien verstande dat:
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken. type: AH coll: