← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:4342

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/289827 / HA ZA 21-148 Vonnis van 8 juni 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. M.J. Drost te Leusden, tegen

  1. [gedaagde 1] , in haar hoedanigheid van executeur en erfgename van de heer [vader] , wonende te [woonplaats] , gemeente Leudal , gedaagde, advocaat mr. Y.G.M.J. Breukers te Roermond,
  2. [gedaagde 2] , in haar hoedanigheid van executeur en erfgename van de heer [vader] , wonende te [woonplaats] , gemeente Beekdaelen , gedaagde, advocaat mr. L. Isenborghs te Heerlen. Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] de beslissing waarbij een mondelinge behandeling is gelast de namens [eiser] op 8 maart 2022 ingediende aanvullende producties de mondelinge behandeling van 21 maart 2022 de door mr. Drost overgelegde spreekaantekeningen. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald.
  5. De feiten 2.
  6. Op [overlijdensdatum vader] 2018 is de heer [vader] , vader van partijen, overleden. Vader woonde in [woonplaats] . Hij is gehuwd geweest met mevrouw [moeder] , moeder van partijen, die op [overlijdensdatum moeder] 2016 is overleden. 2.
  7. Moeder heeft niet over haar nalatenschap beschikt bij testament. Haar nalatenschap is daarom afgewikkeld volgens de wettelijke verdeling van artikel 4:13 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW). Vader heeft alle goederen van de nalatenschap verkregen en de kinderen hebben hun erfdelen ontvangen als niet-opeisbare geldvorderingen op vader. Door het overlijden van vader zijn die geldvorderingen opeisbaar geworden. 2.
  8. Vader heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van [datum]
  9. Hij heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als zijn enige erfgenamen en als executeurs benoemd. [eiser] is onterfd maar heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie. 2.
  10. Partijen hebben ruim twee jaar met elkaar gecorrespondeerd over de nalatenschappen van hun ouders. De correspondentie verliep daarbij grotendeels tussen de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingeschakelde notaris mr. Schijns en [eiser] . Partijen zijn het niet eens geworden over de vaststelling van het erfdeel van [eiser] in de nalatenschap van moeder, en over de omvang van de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van vader. 3Het geschil 3.
  11. [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  12. het erfdeel van [eiser] in de nalatenschap van moeder bij vonnis vast te stellen;
  13. de executeurs te veroordelen om het door de rechtbank vastgestelde erfdeel in de nalatenschap van moeder, minus het reeds door de executeurs aan [eiser] betaalde bedrag ad € 26.541,25, aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2018 tot de dag waarop de vordering in zijn geheel is voldaan;
  14. de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschap van vader bij vonnis vast te stellen;
  15. de executeurs te veroordelen om de door de rechtbank vastgestelde legitieme portie in de nalatenschap van vader, minus het reeds door de executeurs aan [eiser] betaalde bedrag ad € 19.574,28, aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2018 tot de dag waarop de vordering in zijn geheel is voldaan;
  16. de proceskosten te compenseren. 3.
  17. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. 3.
  18. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Geschilpunten berekening erfdeel in de nalatenschap van moeder 4.
  19. [eiser] berekent zijn erfdeel in de nalatenschap van moeder op een bedrag van € 30.631,29 + p.m. terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn erfdeel hebben berekend op een bedrag van € 26.541,
  20. Zij hebben laatstgenoemd bedrag aan [eiser] uitgekeerd. Het verschil in de berekende bedragen is het gevolg van een aantal geschilpunten die hieronder zullen worden besproken. 4.
  21. Contanten/inhoud geldkistje/bloemen [eiser] stelt zich op het standpunt dat er bij het overlijden van moeder (op [overlijdensdatum moeder] 2016) contant geld in het geldkistje van zijn ouders aanwezig was. Vlak voor het overlijden van moeder is er door vader tweemaal € 10.000,00 opgenomen, namelijk op 19 mei 2016 en op 8 juni
  22. Direct na het overlijden van moeder heeft vader € 145,00 contant voor bloemen betaald. Het is volgens [eiser] dan ook meer dan aannemelijk dat vader op de sterfdatum van moeder een substantieel bedrag aan contanten voorhanden had. 4.
  23. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben beiden aangegeven dat zij niet bekend zijn met een geldkistje met contanten bij het overlijden van hun moeder. Evenmin is bij hun bekend waaraan vader en moeder de opnames hebben besteed van tweemaal € 10.000,
  24. 4.
  25. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden in hoeverre en tot welk bedrag vader ten tijde van het overlijden van moeder contanten onder zich heeft gehad. De aangifte erfbelasting in de nalatenschap van moeder vermeldt in ieder geval geen contant geld en de gestelde wetenschap van [eiser] met betrekking tot het geldkistje is discutabel nu hij volgens eigen zeggen al sinds 2013 geen contact meer had met zijn ouders. Nu [eiser] zijn stellingen op dit punt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiser] toe te laten tot nadere bewijslevering. Met eventueel contant geld bij het overlijden van moeder kan in het kader van de vaststelling van het erfdeel dan ook geen rekening worden gehouden. 4.
  26. Waarde boedelwoning [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de waarde van de boedelwoning op de sterfdatum van moeder bepaald op € 210.000,
  27. Voor die prijs is de woning eind 2019 verkocht. [eiser] begroot de waarde van de woning op € 221.000,
  28. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de waarde per de sterfdatum van vader in 2018 door de verkopend makelaar/taxateur laten vaststellen op een bedrag van € 225.000,
  29. Een waarde van € 221.000,00 in 2016 is daarom redelijk en billijk. Volgens [eiser] moeten de activa van de boedel van moeder dus worden verhoogd met € 11.000,
  30. 4.
  31. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich op het standpunt dat de opbrengst van de woning bij verkoop in 2019 ten bedrage van € 210.000,00 kan worden aangemerkt als waarde van de woning. Gezien de ontwikkelingen op de woningmarkt met al jarenlang stijgende prijzen, is het niet reëel te veronderstellen dat de waarde van de woning op het moment van verkoop lager was dan op het moment van overlijden van moeder in
  32. 4.
  33. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt artikel 4:6 BW geldt, waarin is bepaald dat onder de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. De rechtbank acht het zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, gezien de ontwikkelingen op de woningmarkt in die periode onwaarschijnlijk dat de woning in 2016 meer waard was dan in 2019 zoals door [eiser] wordt betoogd. Geoordeeld wordt daarom dat de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bepaalde waarde van € 210.000,00 in 2016 een reële waarde is. Een verhoging van de activa van de boedel van moeder ligt daarom niet in de rede. 4.
  34. Notariskosten [eiser] is van mening dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten onrechte de kosten van de notaris ad € 1.222,10 volledig ten laste van de nalatenschap van moeder hebben gebracht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn geen executeurs in de nalatenschap van moeder. Zij mochten wel een notaris inschakelen, maar dan voor eigen rekening. De notaris heeft ook niet opgetreden namens [eiser] , maar namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als executeurs. 4.
  35. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben er na het overlijden van vader bewust voor gekozen om notaris Schijns in te schakelen bij de afwikkeling van de nalatenschap van zowel vader als moeder. De bedoeling van de executeurs was om een deskundige en onafhankelijke derde bij de afwikkeling te betrekken. De notariskosten komen ten laste van de nalatenschap. 4.
  36. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de notariskosten ten laste van de nalatenschap van vader te worden gebracht. Het betreft hier kosten als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub c en d: de kosten van respectievelijk vereffening en executele. De kosten die gepaard gaan met het vaststellen van het erfdeel in de nalatenschap van moeder, welk erfdeel als schuld in de nalatenschap van vader is opgenomen, zijn niet eerder vastgesteld. De passiva in de nalatenschapsboedel van moeder zullen daarom worden verminderd met genoemde notariskosten, terwijl deze in de nalatenschapsboedel van vader aan de passivazijde moeten worden toegevoegd. 4.
  37. Erfbelasting [eiser] is van mening dat de aangifte erfbelasting niet klopt. Los daarvan rekenen de executeurs met een bedrag van € 238,00, terwijl volgens de belastingaangifte een bedrag van € 222,00 is verschuldigd. De passiva van de boedel dienen daarom met € 16,00 te worden verlaagd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven over dit bedrag niet langer een discussie te willen voeren, en hij trekt dit deel van zijn vordering dan ook in. Geschilpunten berekening legitieme portie in de nalatenschap van vader 4.
  38. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en te verminderen met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 a tot en met c en f. BW. Op grond van artikel 4:6 BW is de peildatum voor de waarde van de goederen van de nalatenschap de datum van openvallen van de nalatenschap, dus de datum van overlijden van vader, [overlijdensdatum vader]
  39. 4.
  40. [eiser] heeft zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader voorlopig begroot op € 55.233,
  41. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de legitieme portie becijferd op een bedrag van € 19.574,28 en hebben dit bedrag aan [eiser] uitgekeerd. Het verschil in de berekende bedragen wordt veroorzaakt door een aantal geschilpunten die hieronder zullen worden besproken. 4.
  42. Contanten/inhoud geldkistje Volgens [eiser] kan de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat vader geen contant geld heeft nagelaten niet kloppen. Gelet op de opgave van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de belastingdienst moet er in ieder geval een bedrag van € 1.467,57 of meer aan contanten aanwezig zijn geweest. Het geldkistje was na het overlijden van moeder aanwezig, want is op verzoek van vader door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geteld. Daarnaast blijkt uit de bankafschriften dat in de periode direct voorafgaand aan het overlijden van vader er veel contant geld contant is opgenomen, namelijk duizenden euro’s per maand. 4.
  43. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen beiden dat zij bij het overlijden van vader geen grote contante bedragen hebben aangetroffen. Zij hebben geen geldkistje met contante middelen aangetroffen. [gedaagde 1] kreeg pas op 1 april 2018 toegang tot de financiële middelen bij de ING-Bank. Zij heeft het bedrag van de koffietafel ad € 907,50 uit eigen middelen voorgeschoten en daarna met de nalatenschap van vader verrekend. [gedaagde 2] benadrukt dat zij niet op de hoogte was van de financiële uitgaves van vader. 4.
  44. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden in hoeverre en tot welk bedrag er contanten aanwezig waren ten tijde van het overlijden van vader. Nu [eiser] zijn stellingen op dit punt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiser] toe te laten tot nadere bewijslevering. Met eventueel contant geld bij het overlijden van vader kan in het kader van de vaststelling van de legitieme portie dan ook geen rekening worden gehouden. 4.
  45. Waarde boedelwoning [eiser] stelt dat de waarde van de woning per de sterfdatum van vader in 2018 door de verkopend makelaar/taxateur is vastgesteld op € 225.000,
  46. Dit is volgens [eiser] een bruikbaar uitgangspunt en ook al eerder door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voorgesteld. 4.
  47. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat zij in het kader van een compromis inderdaad het aanbod aan [eiser] hebben gedaan om uit te gaan van € 225.000,
  48. Nu dat compromis niet tot stand is gekomen, achten zij zich niet gebonden aan dat compromisvoorstel. € 210.000,00 was de marktwaarde van de woning per de overlijdensdatum van vader en voor dit bedrag is de woning verkocht. 4.
  49. De rechtbank overweegt ook hier dat als uitgangspunt artikel 4:6 BW geldt, waarin is bepaald dat onder de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat € 210.000,00 geen redelijke waardering van de woning is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben middels een rapport van een bouwtechnische keuring gemotiveerd gesteld dat de woning gedateerd was qua afwerking en isolatie en dat er de nodige kosten gemaakt moesten worden om het pand up to date te maken. Bovendien is dit wat de woning daadwerkelijk heeft opgebracht. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de activa van de boedel te verhogen. 4.
  50. Schenkingen [eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inmiddels erkend hebben dat vader een televisie aan een van zijn kleindochters heeft geschonken en € 5.000,00 aan de dochter van [gedaagde 1] . Verder blijven [gedaagde 1] en [gedaagde 2] giften ontkennen. 4.
  51. [eiser] stelt zich verder op het standpunt dat in de laatste jaren van het leven van zijn ouders/vader een bedrag van € 200.370,00 aan contanten is opgenomen en ‘verdwenen’. De ouders hebben dit geld niet aan henzelf besteed, bijvoorbeeld aan roerende zaken. De inboedel is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] immers op nihil gewaardeerd. [eiser] weet dat zijn ouders altijd een geldkistje met daarin een substantieel bedrag aan contanten voorhanden hadden. Verder hebben diverse familieleden verteld dat [gedaagde 2] zelf heeft verteld over een groot geldbedrag dat zij van vader als gift heeft ontvangen. [gedaagde 2] heeft daarmee volgens getuigenverklaringen haar woning verbouwd. [eiser] concludeert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wel degelijk giften van vader (en moeder) hebben ontvangen. Het ligt op hun weg om daarover openheid van zaken te geven. Op basis van voorhanden informatie begroot [eiser] voorlopig het bedrag aan mee te rekenen giften op € 191.899,38, bestaande uit de schenkingen aan de kleindochter(s) en een begroting van de overige giften (productie 38). 4.
  52. [gedaagde 1] geeft aan dat zij geen giften van haar ouders heeft ontvangen. Hoe de ouders hun middelen hebben besteed is [gedaagde 1] niet bekend. Zij heeft daarover niet met hen gesproken. Vader en moeder zullen geld hebben besteed aan dagelijkse kosten, maar ook aan hobby’s, de tuinman, hun zestigjarig huwelijksfeest, de 85e verjaardag van moeder en diverse andere zaken. Ook [gedaagde 2] stelt dat zij geen giften van haar ouders heeft ontvangen. Zij heeft nooit met haar ouders gesproken over financiële zaken. Zij heeft haar aanbouw betaald uit eigen middelen, mede afkomstig van een gedeelte van de erfenis die haar echtgenoot heeft ontvangen. 4.
  53. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in de laatste vijf jaar voor het overlijden van vader een bedrag in contanten is opgenomen van om en nabij € 200.000,00, waarvan niet duidelijk is waaraan dit door vader (en moeder) is besteed. Aannemelijk is dat deze contante opnames buiten het normale bestedingspatroon van vader en moeder vielen. Ter zitting is niet gebleken van buitensporige uitgaven door vader en moeder. Wel was het gebruikelijk dat vader en moeder tijdens verjaardagen e.d. enveloppes met geld aan kinderen en kleinkinderen gaven. Maar dit verklaart naar het oordeel van de rechtbank niet het hiervoor vermelde hoge bedrag aan contante opnames. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden evenwel geen bankvolmacht van vader 4.
  54. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door [eiser] gestelde schenkingen uitdrukkelijk betwisten en bovendien stellen niets te weten over de contante opnames en nimmer beschikt te hebben over een bankvolmacht van vader (of moeder), draagt [eiser] de bewijslast van die schenkingen. Gelet op het door [eiser] gedane specifieke bewijsaanbod zal de rechtbank [eiser] toelaten tot het leveren van bewijs - met alle middelen die de wet daarvoor biedt - van feiten of omstandigheden waaruit valt af te leiden dat er door vader andere dan gebruikelijke schenkingen in de zin van art. 4:69 BW zijn gedaan aan één of meer van zijn kinderen en/of in de laatste vijf jaar voor zijn overlijden aan één of meer van zijn kleinkinderen, en zo ja, aan wie en tot welk bedrag. 4.
  55. Waarde televisie Vader heeft op 14 juni 2017 een televisie gekocht voor € 2.242,
  56. Enkele maanden na de aankoop heeft vader de televisie aan een van zijn kleindochters geschonken. [eiser] begroot de gift op basis van informatie van de verkoper en een gebruikelijke wijze van afschrijving (1,19% per maand), op een waarde van € 2.029,
  57. De waardering van deze gift door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op een bedrag van € 1.000,00 is niet onderbouwd. 4.
  58. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben contact opgenomen met de verkoper van de televisie, Tummers Elektro. Deze heeft aangegeven dat de waarde van een tweedehands televisie van hetzelfde merk en type hooguit € 1.000,00 bedraagt. De afschrijving waar [eiser] naar verwijst is de verzekeringswaarde; deze komt niet overeen met de marktwaarde. Gebruikte inboedel, ook audiovisuele apparatuur, vertegenwoordigt nauwelijks waarde. 4.
  59. De rechtbank overweegt dat partijen het er kennelijk over eens zijn dat uitgegaan moet worden van de waarde van de televisie op datum overlijden vader. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat elektronische apparaten zoals televisies snel in waarde dalen. De rechtbank acht een waarde van € 1.000,00 daarom een reële waarde van de televisie op het moment van overlijden van vader. 4.
  60. Waarde auto De auto van vader, een Toyota, type Corolla, bouwjaar 2001, is voor € 650,00 verkocht terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de auto een waarde hebben toegekend van € 300,
  61. [eiser] stelt dat de activa daarom met een bedrag van € 350,00 moeten worden verhoogd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een en ander inmiddels erkend en deze post vormt dan ook geen geschilpunt meer. 4.
  62. Restitutie Zilveren Kruis Achmea [eiser] is van mening dat uit de bankafschriften blijkt dat de zorgverzekeraar een bedrag van € 135,47 (deels) ten onrechte heeft afgeschreven voor de periode 1 maart 2018 tot 1 april 2018 nu vader op [overlijdensdatum vader] 2018 overleden is. De activa van de boedel moeten daarom met dit bedrag worden verhoogd. 4.
  63. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat er geen restitutie van de zorgverzekeraar is ontvangen. 4.
  64. De rechtbank is van oordeel dat er geen grond bestaat om de activa met de premie over de maand maart 2018 te verhogen. Er is immers niet komen vast te staan dat dit bedrag door de verzekeraar is gerestitueerd. 4.
  65. Kosten bloemen [eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van € 110,00 ten laste van de boedel hebben opgevoerd voor bloemen. Daarvoor is echter geen bewijs geleverd. De passiva van de boedel moeten daarom met dit bedrag worden verlaagd, aldus [eiser] . 4.
  66. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij de bloemen voor de uitvaart van vader heeft voorgeschoten en contant uit eigen middelen heeft voldaan. De factuur van de bloemist heeft zij als productie 4 bij conclusie van antwoord in het geding gebracht. 4.
  67. Hoewel [eiser] ter zitting heeft aangegeven dat een betaalbewijs ontbreekt en dat de bloemen met contant geld van de nalatenschap zijn betaald, acht de rechtbank met de overlegging van de factuur voldoende aangetoond dat [gedaagde 1] de bloemen uit eigen middelen heeft voorgeschoten. [eiser] heeft van zijn kant immers op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de bloemen met contant geld van vader zijn betaald. 4.
  68. Uitkering uitvaartverzekering [eiser] stelde zich aanvankelijk in zijn dagvaarding op het standpunt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de uitkering uit de uitvaartverzekering ten bedrage van € 4.234,00 ten onrechte niet in de boedelbeschrijving van vader hebben vermeld. Inmiddels is duidelijk geworden dat de uitkering wel is opgenomen, maar onder de noemer ‘overlijdensverzekering’. Dit geschilpunt is daarmee opgelost. 4.
  69. Kerkbijdrage [eiser] stelt dat door de uitvaartondernemer ten onrechte een bedrag van € 225,00 in rekening is gebracht voor ‘kosten [parochie] ’. Vader betaalde namelijk bij leven altijd zijn kerkbijdrage. 4.
  70. [gedaagde 1] heeft als productie 5 de nota van de parochie overgelegd. Daaruit blijkt dat de kerkbijdrage is verdisconteerd in de factuur en dat daarna nog een bedrag van € 225,00 moet worden voldaan. Dit bedrag is dan ook terecht als schuld in de nalatenschap van vader opgenomen. [gedaagde 2] sluit zich bij dit verweer aan. 4.
  71. De rechtbank is van oordeel dat uit de nota van de parochie duidelijk blijkt dat er bij de berekening van de uitvaartkosten rekening is gehouden met de kerkbijdrage van vader. Na aftrek van die bijdrage resteerde er nog een bedrag van € 225,00 te voldoen. Voor verlaging van de passiva met € 225,00 is dan ook geen grond aanwezig. 4.
  72. Schadevergoeding buren grensoverschrijdende bebouwing [eiser] stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van € 4.697,00 ten laste van de boedel hebben gebracht voor onder andere een schadevergoeding aan de buren. Op 18 mei 2018 is aan de buren een bedrag van € 3.250,00 overgemaakt als schikking in een volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] sinds 2009 lopende discussie over een grensoverschrijdend gebouwde garage. Een kwestie die volgens [eiser] al lang verjaard was omdat de garage al in 1976 is gebouwd. [eiser] ziet niet in op grond waarvan deze onverplichte schadevergoeding door de executeurs mede ten laste van zijn legitieme portie worden gebracht. Het schikkingsbedrag kan niet worden gekwalificeerd als een schuld als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub a tot en met c en f BW. De verkopend makelaar heeft de kwestie in zijn waardebepaling verdisconteerd en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] rekenen de schadevergoeding dus dubbel. De legitimaire massa dient dan ook met een bedrag van € 4.697,00 te worden verhoogd. 4.
  73. [gedaagde 1] voert aan dat de kwestie van de grensoverschrijdende bebouwing al bestond vanaf
  74. Het ging daarbij om een zich reeds jarenlang voortslepende discussie met de buren van vader en moeder. Dit rechtvaardigt de conclusie dat er op het moment van overlijden van vader reeds sprake was van een vorderingsrecht van de buren op vader. Dit vorderingsrecht van de buren, een schuld van vader derhalve, is door diens overlijden niet teniet gegaan en behoort daarmee tot de schulden van de nalatenschap. De daarmee gepaard gaande notariskosten zijn onlosmakelijk met die schuld verbonden. Ook volgens [gedaagde 2] betreft het wel degelijk een schuld in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub a BW. Het betreft immers een schadevergoeding die is betaald om een langdurig conflict tussen de ouders en de buren te beslechten ten behoeve van de verkoop van de woning. 4.
  75. De rechtbank overweegt dat [eiser] niet heeft betwist dat de kwestie betreffende de grensoverschrijdende bebouwing opgelost moest worden alvorens de woning verkocht kon worden. Dat [eiser] en [gedaagde 2] de keuze hebben gemaakt het geschil op te lossen door een schikking te treffen om de woning te kunnen verkopen (en niet bijvoorbeeld te gaan procederen om zich eventueel op verjaring te beroepen) is naar het oordeel van de rechtbank alleszins verdedigbaar. Dat maakt dat de gemaakte kosten als kosten van de executele ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. 4.
  76. Erfbelasting Volgens de aangifte erfbelasting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de vordering van [eiser] begroot op € 27.187,00 en is [eiser] € 681,00 aan erfbelasting verschuldigd. Maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen tegelijkertijd dat [eiser] slechts recht heeft op een legitieme portie van € 19.547,
  77. Dat bedrag valt binnen de belastingvrijstelling zodat [eiser] volgens de berekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] helemaal geen erfbelasting hoeft te betalen. Los daarvan klopt de belastingaangifte ook niet voor wat betreft de waarde van de boedelwoning. In de aangifte is namelijk € 266.000,00 vermeld, terwijl de WOZ-waarde per 1 januari 2018 € 225.000,00 was. Daarnaast is in de boedelbeschrijving een bedrag van € 225,00 opgevoerd voor aangifte erfbelasting 2018, waarvoor geen achterliggend bewijs is geleverd. [eiser] concludeert dat de passiva met € 906,00 (€ 681,00 + € 225,00) dienen te worden verlaagd. Afhankelijk van de uitkomst van deze procedure zal de aangifte erfbelasting hoogstwaarschijnlijk moeten worden gewijzigd. 4.
  78. [gedaagde 1] stelt dat de WOZ-waarde 2018 € 266.000,00 was en na bezwaar is aangepast naar € 221.000,
  79. [gedaagde 2] voegt daar nog aan toe dat [eiser] kennelijk vergeten is dat hij op 23 oktober 2020 nog een aanvullende betaling heeft ontvangen met betrekking tot de legitieme portie ten bedrag van € 1.839,
  80. Ten aanzien van de legitieme portie is dus een bedrag van € 19.573,99 aan [eiser] voldaan. 4.
  81. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet hebben betwist dat de in de aangifte erfbelasting opgenomen legitieme portie onder de vrijstelling valt, en dat [eiser] dus geen erfbelasting verschuldigd was. Echter, zoals [eiser] zelf stelt zal de aangifte afhankelijk van de uitkomst van deze procedure nog moeten worden gewijzigd. Nu [eiser] zijn legitieme portie bovendien zelf voorlopig heeft begroot op € 55.233,90, ziet de rechtbank op dit moment in de procedure geen aanleiding om te oordelen dat de passiva met een bedrag van € 681,00 moeten worden verlaagd. Verder heeft [gedaagde 1] als productie 2 bij haar conclusie van antwoord een factuur van Avalon Advisory International van 22 september 2018 in het geding gebracht, waarbij een bedrag van € 225,00 aan de erven [eiser] in rekening wordt gebracht betreffende het verzorgen van de aangifte erfbelasting van vader. De rechtbank acht de factuur afdoende bewijs voor de opgevoerde schuld. Dat geen betalingsbewijs in het geding is gebracht acht de rechtbank niet relevant nu vaststaat dat daadwerkelijk aangifte erfbelasting in de nalatenschap van vader is gedaan. Dit punt kan derhalve ook niet tot verlaging van de passiva leiden. Ten slotte 4.
  82. In afwachting van nadere bewijslevering omtrent de door [eiser] gestelde, en door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwiste, schenkingen, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. 5De beslissing De rechtbank 5.
  83. laat [eiser] toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat: door vader andere dan gebruikelijke schenkingen in de zin van art. 4:69 BW zijn gedaan aan één of meer van zijn kinderen en/of in de laatste vijf jaar voor zijn overlijden aan één of meer van zijn kleinkinderen, en zo ja, aan wie en tot welk bedrag. 5.
  84. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juni 2022 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, 5.
  85. bepaalt dat [eiser] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen, 5.
  86. bepaalt dat [eiser] , indien hij getuigen wil laten horen, hij nog in de gelegenheid zal worden gesteld voor het doen van opgave van de te horen getuigen en de verhinderdata, 5.
  87. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Y.J.C.A. Roeffen in het gerechtsgebouw te Roermond aan Willem II Singel 67, 5.
  88. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, 5.
  89. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Y.J.C.A. Roeffen en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2022 door mr. R.A.J. van Leeuwen. type: em coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.