vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: : C/03/287661 / HA ZA 21-48 Vonnis van 15 juni 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RDR BEHEER B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten, eiseres in de hoofdzaak, advocaat mr. R.H.J.G. Borger, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAS-BOUW B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudend te Maastricht-Airport, gemeente Beek, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. H.M. Kruitwagen. Partijen zullen hierna RDR en BAS-Bouw worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 31 maart 2021 en de daarin genoemde processtukken; de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9; de akte overleggen producties van RDR met producties 26 t/m 35; de akte wijziging van eis; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 april 2022. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag. 2Waar gaat het geschil over? 2.1. Dit geschil gaat over de vraag of BAS-Bouw aan RDR schadevergoeding moet betalen voor het beschadigd raken van een pand van RDR doordat BAS-Bouw direct daarnaastsloop- en bouwwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De rechtbank komt voorlopig tot de conclusie dat BAS-Bouw onrechtmatig heeft gehandeld door tegenover RDR niet de zorgvuldigheid in acht te nemen die volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De rechtbank zal een deskundigenonderzoek gelasten. Partijen mogen zich daarover bij akte uitlaten. 3De feiten 3.1. RDR is eigenaar van de naast elkaar gelegen panden aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats] . Zij verhuurt de daarin gelegen appartementen als woonruimte. Op het adres [adres 1] (hierna ook: het pand) gaat het om de appartementen A tot en met D. 3.2. Het pand is omstreeks 1910 gebouwd en grensde (van voren gezien) aan de linkerzijde aan het voormalige pand [adres 3] . Tussen [adres 1] en [adres 3] is sprake van een gemeenschappelijke muur of woningscheidende wand. 3.3. BAS-Bouw heeft van Swentibold Projectontwikkeling B.V. de opdracht aangenomen tot het realiseren van het bouwplan PietersPoort. Dit betrof de sloop van de bestaande bebouwing aan de [adres 3] - [adres 4] en de bouw ter plekke van zeven appartementen met ondergrondse parkeergarage. Het project is in 2018 van start gegaan en de nieuwbouw is in 2020 gereedgekomen en opgeleverd. 3.4. [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) trad op als constructeur. [naam bedrijf 1] heeft in opdracht van Swentibold ook een sloopplan voor de sloop van de (voormalige) panden [adres 3] - [adres 4] opgesteld (hierna: het sloopplan). BAS-Bouw heeft van het sloopplan gebruik gemaakt. 3.5. De gemeente Maastricht heeft het sloopplan ontvangen op 1 oktober 2018 en op 3 oktober 2018 aangegeven tegen de uitvoering daarvan geen bezwaar te hebben. 3.6. In het sloopplan staat dat na het slopen van de bestaande bebouwing onderzoek moet worden gedaan naar het aanlegniveau van onder meer de gemeenschappelijke bouwmuur tussen het pand en (het te slopen) pand [adres 3] . Dit onderzoek bestaat uit het graven van twee proefgaten van maximaal 1 meter, waarbij de proefgaten niet dieper mogen worden doorgezet dan tot de onderkant van de fundering van de bouwmuur. De resultaten van de proefgaten moeten worden gedeeld met de technici van [naam bedrijf 1] . Daarna zal [naam bedrijf 1] een plan uitwerken voor de eventuele onderstroming van de fundering van de gemeenschappelijke bouwmuur. Onderstromen is het verdiepen van een bestaande fundering door (mootsgewijs) direct onder de bestaande fundering een dieperstekende fundering aan te brengen. 3.7. Op 16 november 2018 is er bij het slopen van de betonnen begane grondvloer van het pand [adres 3] schade ontstaan aan de gevel van het pand nabij de voordeur. Op dat moment was het door [naam bedrijf 1] voorgeschreven onderzoek naar de aanlegdiepte van de funderingen nog niet uitgevoerd. 3.8. Huizen Beheer Maastricht B.V. (hierna: HBM) heeft als beheerder van het pand BAS-Bouw bij e-mail van 21 november 2018 aangeschreven. In deze e-mail, gericht aan uitvoerder [naam uitvoerder] (hierna: [naam uitvoerder] ) staat voor zover relevant: “De sloopwerkzaamheden hebben aan onze zijde diverse kleine scheuren veroorzaakt. Afgelopen vrijdag is echter een deel van de gevel opengescheurd is mogelijk de constructie aangetast (zie foto). De gemeente is meermalen ter plaatse geweest. Wij stellen jullie aansprakelijk voor alle schade in de ruimste zin van het woord die RDR Beheer B.V. heeft ondervonden danwel zal kunnen ondervinden als gevolge van de sloop en bouwwerkzaamheden die onder jullie supervisie worden uitgevoerd.” 3.9. Op 28 november 2018 is er een bespreking geweest tussen HBM, de bewoners van de appartementen A, B en D en BAS-Bouw. Namens Bas-Bouw hebben [naam uitvoerder] en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) deelgenomen. 3.10. In de notulen van die bespreking staat onder meer: “Scheuren (ontzetting?) bij voordeur door verwijderen betonvloer: 1) scheuren worden gedicht: geen termijn is genoemd 2) stutten van de voordeur 3) restant betonnen vloer naast pand [adres 1] verwijderen na goedkeuring Gemeente Maastricht 4) verwijderen van buitenmuur kolom (11 cm diep) voor pand nr. [adres 1] (links van de voordeur) zodat de zijmuur van de nieuwbouw kan aansluiten aan ons pand [adres 1] . [naam uitvoerder] [ [naam uitvoerder] , rb] van Basbouw geeft aan dat wat betreft de scheuren die door het gehele pand zijn ontstaan tijdens en door de sloopwerkzaamheden zullen worden hersteld door Basbouw. Deze herstelwerkzaamheden zullen eerst plaats vinden na afronding van de bouw naar verwachting rond februari/maart 2020.” 3.11. Eind 2018 is besloten de fundering van de gemeenschappelijke bouwmuur van [adres 5] te onderstromen en dat niet te doen bij de fundering van de gemeenschappelijke bouwmuur van het pand. 3.12. Op 12 maart 2019 hebben de bewoners van het pand een e-mail gestuurd naar HBM. Daarin staat onder meer: “In de week voor carnaval is ten gevolge van graafwerkzaamheden door Bas bouw het pand [naam bedrijf 2] [ [adres 5] , rb] ernstig verzakt met grote scheuren in de voor en buitengevel tot gevolg. Om verdere verzakking van het pand te voorkomen heeft Bas-bouw het pand gestut. Het ziet er echt niet goed uit. Deze week, maandag de 11e maart, is Bas-bouw gestart met het graven langs het pand [adres 1] dat u in de verhuur heeft. En dat is opgemerkt door [naam 2] en [naam 3] , wij waren thuis; rond 13.30u ging het pand voor ons gevoel als een “kaartenhuis” heen en weer. Direct naar de heer [naam uitvoerder] gestapt en hij gaf aan hetzelfde gevoel te hebben in de bouwcontainers. U zult begrijpen dat graafwerkzaamheden langs een pand altijd minder stabiliteit geeft aan het bouwdeel dat daarop staat. […] Naar wij begrepen hebben wordt er tot 4 meter diep gegraven en wij hebben geen idee wat dit doet met de stabiliteit van het pand nr [adres 1] .” 3.13. HBM heeft daarop dezelfde dag richting de bewoners gereageerd en [naam uitvoerder] gevraagd om een reactie: “@ [naam uitvoerder] [ [naam uitvoerder] , rb.] Kan je garanderen dat een dergelijke situatie niet bij ons pand ook gebeurd? Indien je twijfels hebt zou je dan voorzorgsmaatregelen kunnen treffen zodat ons pand niet beschadigd? Alvast bedankt!” 3.14. [naam uitvoerder] heeft ook op 12 maart 2019 aan HBM (en de bewoners van [adres 1] ) geschreven: “Heden morgen heeft de opzichter van de gemeente , [naam toezichthouder] , een controle bezoek gedaan bij jullie pand. […] Wij gaan niet onder jullie pand graven , want de fundering van het pand [adres 1] is dieper aangelegd . Dus dat we bij [adres 5] gedaan hebben [onderstromen, rb.] is bij jullie niet van toepassing.” 3.15. Eind april 2019 is besloten ook de fundering van de linkerzijgevel van het pand (mootsgewijs) te onderstromen, in afwijking van wat [naam bedrijf 1] eind 2018 had geadviseerd. 3.16. Mevrouw [naam toezichthouder] , toezichthouder Wabo bij de gemeente Maastricht (hierna: [naam toezichthouder] ), heeft de bewoners van [adres 1] op 16 mei 2019 een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘scheuren pand [adres 1] ’. In deze e-mail staat onder meer dat nieuwe scheuren zijn ontstaan en bestaande groter zijn geworden en dat als er extra maatregelen worden getroffen de bewoners daarvan op de hoogte worden gesteld. Ook staat daarin dat de onderstroming van de zijgevel is uitgevoerd, maar dat het nog enige tijd kan duren voordat alles gezet is. 3.17. Diezelfde dag hebben de bewoners van [adres 1] een e-mail gestuurd naar HBM, met [naam uitvoerder] en [naam toezichthouder] in de cc. Het onderwerp van de e-mail is ‘Verdere verzakking pand no [adres 1] : op alle woonlagen toename scheuren en deuren die niet meer dichtgaan (idem [adres 2] )’. In deze e-mail staat voor zover relevant: “vanwege de staat van de fundering van pand no [adres 1] ten opzichte van de diepe graafwerkzaamheden op de locatie naast het pand no [adres 1] [is] besloten de fundering te verstevigen met zgn “moten”. Dit zijn gemetselde (deels op beton) ondersteuningen waartoe eerst de fundering van het pand no [adres 1] wordt ondergraven, lees een gat wordt gegraven onder het pand. Om de bouw niet teveel te vertragen heeft BasBouw bedacht niet één “moot” peer keer (per 3 dagen) te graven maar 2 moten (of 3? Dit kunnen wij niet zien) waardoor er op meerdere plekken onder het pand geen steun meer is. Uitharding van het eerste beton en het opmetselen van de stenen is ca. 3 dagen. Hierna geven deze moten ondersteuning. Deze week is het pand no [adres 1] verder ondergraven […] Wij kunnen niet anders concluderen dan dat het pand [adres 1] nog verder aan het verzakken is.” 3.18. Op 6 juni 2019 hebben de bewoners van [adres 1] HBM een e-mail gestuurd met als onderwerp: ‘Verdere verzakking pand no [adres 1] : op alle woonlagen toename scheuren en deuren die niet meer dichtgaan (idem [adres 2] ): update’. Daarin staat dat de scheurvorming nog steeds toeneemt en ernstige vormen aanneemt. 3.19. [naam bedrijf 1] heeft op verzoek van de gemeente Maastricht BAS-Bouw eind juni 2019 geadviseerd over het aanbrengen van extra verstevigingen aan het pand om verdere scheurvorming te voorkomen en een plan van aanpak opgesteld voor het definitief schadeherstel voor de panden [adres 1] en [adres 5] . 3.20. Op 9 juli 2019 heeft mr. Borger namens RDR Bas-Bouw aansprakelijk gesteld voor de door RDR geleden en nog te lijden schade en haar gesommeerd om per omgaande te berichten of aansprakelijkheid wordt erkend en om over te gaan tot herstelmaatregelen conform het plan van aanpak. 3.21. Op 15 juli 2019 heeft [naam 1] namens BAS-Bouw daarop gereageerd. Hij heeft onder meer geschreven dat het uitvoeren van herstelwerkzaamheden op korte termijn nog geen zin heeft en dat BAS-Bouw medio februari 2020 een opname zal doen van de belendingen en de herstelwerkzaamheden zal uitvoeren. Ook heeft [naam 1] gemeld de brief van mr. Borger te hebben gestuurd naar de heer [naam schade-expert] van Lengkeek, schade-expert van AON, de verzekeraar van BAS-Bouw.. 3.22. RDR heeft Von Reth Contra-expertise (hierna: Von Reth) opdracht gegeven tot het verrichten van een bouwkundige opname van het pand. 3.23. Bij uitspraken van 17 februari 2020 heeft de Huurcommissie op verzoek van drie huurders van RDR de huur verlaagd van de appartementen B, C en D tot 30% van de geldende huurprijs vanwege het bestaan van ernstige gebreken. 3.24. Bij brief van 21 april 2020 heeft mr. Borger onder meer de bevindingen van Von Reth aan Lengkeek en BAS-Bouw meegedeeld en navraag gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot ‘de herstelwerkzaamheden’ door BAS-Bouw. 3.25. Op 14 augustus 2020 heeft Lengkeek mr. Borger bericht dat niet duidelijk is welk causaal verband er is tussen de verrichte sloop- en bouwwerkzaamheden en de door RDR geclaimde schade en dat evenmin is gebleken van een onzorgvuldige uitvoering van werkzaamheden door BAS-Bouw. 3.26. RDR heeft [naam bedrijf 1] verzocht de oorzaak van de scheurvorming in het pand te onderzoeken. Volgens het rapport van [naam bedrijf 1] van 2 november 2020 (Rapport inzake: Scheurvorming in de rechterbelending [adres 1] ) hebben de bouwwerkzaamheden ‘aantoonbaar’ tot scheurvorming aan het pand geleid. Bij de uitvoering van de onderstromingen zijn volgens het rapport ‘toch enige zettingen in de bestaande funderingen ontstaan’. Zetten is het inklinken van de grond door een op de grond rustende belasting. De zettingen zijn vermoedelijk toegenomen doordat de nieuwbouw gestaag vorderde. Daarmee nam de belasting op de voor de nieuwbouw toegepaste geboorde funderingspalen toe, waardoor (ook) de grond onder de nieuwbouw en de funderingspalen in (zeer) beperkte mate is gezet. Dit zetten heeft volgens het rapport ook invloed uitgeoefend op het verder zetten van de nieuwe onderstromingen. Hoe dat kon, vermeldt het rapport niet. 3.27. Op 6 november 2020 heeft mr. Borger gereageerd op de brief van Lengkeek van 14 augustus 2020 en BAS-Bouw een termijn gesteld om over te gaan tot afwikkeling van de schade als genoemd in zijn brief van 21 april 2020. 3.28. Mr. Borger heeft bij brief van 21 april 2021 Bas-Bouw dan wel haar verzekeraar verzocht binnen 10 dagen aansprakelijkheid te erkennen en de door mr. Borger gestelde schade te vergoeden. Het gaat om herstelkosten, de kosten van het rapport van Von Reth, gederfde huurinkomsten, kosten voor extra uren van HBM en juridische kosten. 4Het geschil 4.1. RDR vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. BAS-Bouw veroordeelt bij wijze van vervangende schadevergoeding dan wel vanwege de door haar gepleegde onrechtmatige daad om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RDR te betalen € 221.111,98 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover sedert 17 februari 2020 (datum tot stand komen rapport Von Reth en ook tijdstip waarop BAS-Bouw volgens afspraak de herstelwerkzaamheden zou aanvangen), subsidiair 21 april 2020 (toezending rapport aan Bas-Bouw en haar verzekeraar), meer subsidiair sedert de datum van deze dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; 2. BAS-Bouw veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RDR bij wijze van schadevergoeding te betalen: € 5.425,-- (kosten Von Reth) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover sedert datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; € 900,-- (leges Huurcommissie) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover sedert datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; € 15.757,36 (huurderving appartement [adres 1] in de periode 1 december 2018 t/m 1 december 2021) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 425,89 per onderscheiden maand dat dit deel van de huurpenningen in de genoemde periode op grond van de oordelen van de Huurcommissie niet door de huurders hoefde te worden voldaan; € 14.511,03 (huurderving appartement [adres 1] in de periode 1 december 2018 t/m 1 december 2021) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 392,19 per onderscheiden maand dat dit deel van de huurpenningen in de genoemde periode op grond van de oordelen van de Huurcommissie niet door de huurders hoefde te worden voldaan; € 4.897,20 (huurderving appartement [adres 1] in de periode van 1 december 2018 tot 30 september 2019) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 489,72 per onderscheiden maand dat dit deel van de huurpenningen in de genoemde periode op grond van de oordelen van de Huurcommissie niet door de huurders hoefde te worden voldaan; € 5.247,-- (huurderving appartement [adres 1] in de periode 1 oktober 2019 t/m 15 mei 2020) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 699,60 per onderscheiden maand dat dit appartement niet (opnieuw) verhuurbaar is geweest vanwege de gebreken/aanstaande grote herstelwerkzaamheden; € 6.450,-- (kosten HBM) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover sedert datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; € 4.000,--, subsidiair € 3.119,56 als vergoeding van de noodzakelijk en in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten; 3. BAS-Bouw te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten, voor wat betreft het salaris voor de advocaat forfaitair berekend op € 157,-- zonder betekening in conventie of reconventie/voor de vordering of voor de tegenvordering, € 246,-- zonder betekening in conventie en reconventie/voor de tegenvordering tezamen, en verhoogd met € 82,-- in geval van betekening. 4.2. RDR legt aan haar vorderingen – verkort weergegeven – ten grondslag dat: partijen zijn overeengekomen dat BAS-Bouw voor haar rekening in februari 2020 de benodigde herstelwerkzaamheden aan het pand zou uitvoeren; ten aanzien van de nakoming van die verbintenis verkeert BAS-Bouw in verzuim; BAS-Bouw de aansprakelijkheid heeft erkend voor de door RDR geleden schade als gevolg van haar sloop- en bouwwerkzaamheden; BAS-Bouw aansprakelijk is voor de schade die RDR heeft geleden omdat BAS-Bouw onrechtmatig jegens RDR heeft gehandeld door bij het uitvoeren van haar sloop- en bouwwerkzaamheden niet de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen als gevolg waarvan de schade is ontstaan. 4.3. BAS-Bouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwist het bestaan van de door RDR gestelde overeenkomst en betwist aansprakelijkheid te hebben erkend. Ook betwist zij onrechtmatig te hebben gehandeld. Voor zover zij onrechtmatig zou hebben gehandeld is dat handelen haar niet toerekenbaar. Er ontbreekt een causaal verband tussen het handelen van BAS-Bouw en de gestelde schade. Voorts betwist BAS-Bouw de hoogte van de gestelde schade. Voor zover BAS-Bouw aansprakelijk zou zijn voor enige schade van RDR dan verweert zij zich met de stelling dat deze schade naar redelijkheid en krachtens eigen schuld (grotendeels) voor rekening van RDR dient te blijven. 4.4. Op de overige stellingen van partijen zal hieronder, voor zover relevant, worden ingegaan. 5De beoordeling De rechtbank baseert zich op het voorliggende dossier 5.1. BAS-Bouw heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat RDR ter zake het gestelde onrechtmatige handelen niet heeft voldaan aan haar stel- en substantiëringsplicht, terwijl BAS-Bouw reeds in de buitengerechtelijke fase kenbaar heeft gemaakt dat zij het bestaan van enige onzorgvuldig handelen aan haar kant zal betwisten. BAS-Bouw is van oordeel dat van haar niet kan worden verlangd dat zij na een eventuele vermeerdering van de feitelijke grondslag hierop alsnog op de mondelinge behandeling op moet reageren. Volgens BAS-Bouw zou dat in strijd zijn met de goede procesorde. De rechtbank overweegt als volgt. Nadat zij eerst heeft geconcludeerd dat de vordering moet worden afgewezen wegens het niet voldoen aan de stelplicht is BAS-Bouw in haar conclusie van antwoord gemotiveerd ingegaan op het verwijt niet zorgvuldig te hebben gehandeld. RDR heeft ter zitting de feitelijke grondslag van haar vorderingen uitgebreid. BAS-Bouw heeft daar ter zitting inhoudelijk, gemotiveerd op gereageerd. BAS-Bouw heeft ter zitting haar bezwaar dat zij bij voorbaat tegen deze uitbreiding heeft gemaakt niet herhaald. Zij heeft ook niet gevraagd om alsnog bij akte te mogen reageren op die uitbreiding. Gelet op haar uitdrukkelijke bezwaar tegen een eventuele uitbreiding in de conclusie van antwoord had dat wel voor de hand gelegen. Kennelijk achtte BAS-Bouw de processuele gang van zaken dan toch niet zo bezwaarlijk. De rechtbank is van oordeel dat de goede procesorde met de hierboven geschetste gang van zaken niet is geschonden en zal oordelen op basis van het nu voorliggende dossier. Onrechtmatig handelen 5.2. De rechtbank zal eerst beoordelen of BAS-Bouw onrechtmatig jegens RDR heeft gehandeld (de onder 4.2 sub c genoemde grondslag). De reden daarvoor is de volgende. De vordering tot nakoming (4.2 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.