← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:480

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/297751 / HA ZA 21-545 Vonnis in incident bij vervroeging van 19 januari 2022 in de zaak van 1 [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident sub 1] ,

  1. [eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 2], beiden wonend te [woonplaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat mr. M.E.Th. Hogervorst, tegen de vereniging VERENIGING VAN EIGENAARS [adres], statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudend te [plaats] , gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. J.I. Jansen. Partijen zullen hierna [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] en de VVE genoemd worden. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 11 de conclusie van antwoord kennelijk tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter met producties 1 t/m 5 de incidentele conclusie van antwoord. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2Het geschil in de hoofdzaak 2.
  4. [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  5. zal verklaren voor recht dat de nieuwe RGA installatie op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen omdat daaraan geen rechtsgeldig besluit van de Algemene vergadering van de VVE ten grondslag heeft gelegen;
  6. zal verklaren voor recht dat het in opdracht van de bestuurder van de VVE gerealiseerde RGA systeem als gerealiseerd door Technisch Bureau Gesit, Intergas en Volta Limburg niet conform de installatievoorschriften die daarvoor gelden is gerealiseerd;
  7. de VVE zal veroordelen zorg te dragen voor de aanleg van een concentrische buis van 80/125 in de bestaande schachten, van dak tot in de berging van [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] zonder bochten en die werkzaamheden een aanvang te doen nemen onmiddellijk na betekening van het in deze te wijzen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat de VVE in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;
  8. de VVE zal veroordelen aan [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] te betalen de som van € 2.722,50, onmiddellijk na de betekening van het in deze te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;
  9. zal verklaren voor recht dat [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] op grond van artikel 37 lid 8 van het Modelreglement februari 1973 niet verplicht zijn bij te dragen in de kosten die zijn gemaakt voor de aanleg van de nieuwe RGA installatie en de nog komende kosten met betrekking tot onderhoud en eventueel vernieuwen van deze installatie. in het incident 2.
  10. De VVE vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. Zij stelt daartoe dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vordering geen hogere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigt. Naast het onder sub 4 gevorderde bedrag van € 2.722,50, kan toewijzing van het gevorderde slechts tot gevolg hebben dat [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] een bedrag van enkele duizenden euro’s, verband houdend met het wel/niet installeren, onderhouden of vernieuwen van ketel- of RGA materialen, niet verschuldigd zijn. 2.
  11. [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] voeren verweer. Zij stellen dat het vooralsnog niet te overzien is welke (financiële) gevolgen het toewijzen van het gevorderde sub 2 alsmede sub 5 zal hebben. 3
  12. De beoordeling in het incident 3.
  13. Zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde worden enkel door de kantonrechter behandeld en beslist indien duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vorderinggeen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,
  14. De blote stelling van de VVE is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om daaruit af te leiden dat de kantonrechter in deze absoluut bevoegd is om kennis te nemen van het gevorderde. 3.
  15. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 3.
  16. De VVE zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 4De beslissing De rechtbank in het incident 4.
  17. wijst het gevorderde af, 4.
  18. veroordeelt de VVE in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident] tot op heden begroot op € 563,00, in de hoofdzaak 4.
  19. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 februari 2022 voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode 1 maart 2022 tot en met 31 augustus
  20. Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken. type: AH coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.