RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/721343-18 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum 1] 1967, zonder vaste woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16, 17 en 22 november 2021. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 13 januari 2022, waarna op 27 januari 2022 uitspraak is gedaan. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] : Feit 1: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, grote hoeveelheden hennepstekken heeft geteeld, dan wel daarin heeft gehandeld of deze aanwezig heeft gehad; Feit 2: in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen stoffen, voorwerpen, voertuigen en een ruimte te koop heeft aangeboden en/of voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze bestemd waren om beroepsmatig, bedrijfsmatig of op grote schaal hennep te telen; Feit 3: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet; Feit 4: al dan niet samen met anderen GHB, amfetamine en MDMA aanwezig heeft gehad. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met de medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 2] , [verdachte 6] , [verdachte 5] en [verdachte 7] heeft gehandeld in hennepstekken, zoals ten laste is gelegd onder feit 1. Voor het bewijs heeft de officier van justitie zich gebaseerd op: - de verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting dat hij heeft gehandeld in hennepstekken en dat de levering van de hennepstekken aanvankelijk bij hem thuis plaats vond en later in de loods aan de [adres loods 1] te Geleen; - de verklaring van [verdachte 6] dat hij 4 of 5 keer hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht; -de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] ; - de tapgesprekken en sms-berichten tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] ; - de observaties bij de woning van de medeverdachte [verdachte 3] en de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld, waarbij [verdachte 3] , [verdachte] , [verdachte 5] en [verdachte 6] zijn gezien, in het bijzonder de observaties op 26 oktober 2018 en 2, 9 en 16 november 2018 bij de loods van [verdachte] aan de [adres loods 1] te Schinveld; daar wordt onder andere gezien dat [verdachte 5] (de chauffeur van [verdachte 3] ) de loods op de eerste drie data kortstondig bezoekt en daar kennelijk iets aflevert, dat [verdachte 6] daar kortstondig is en dat meerdere mensen de loods bezoeken, kennelijk om iets op te halen. [verdachte] wordt bij al deze observaties steeds bij de loods gezien; - de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat zij hennepstekken hebben besteld bij [winkel] , de stekken hebben opgehaald bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld en bij hen op 20 november 2018 ook hennepplantages zijn aangetroffen; - het aantreffen van 90 hennepstekken in de loods van [verdachte] aan de [adres loods 1] te Schinveld op 20 november 2018; - de tapgesprekken tussen [verdachte] en [verdachte 1] ; - de tapgesprekken tussen [verdachte 7] en [verdachte 1] . De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen kan worden, zodat [verdachte] daarvan moet worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [verdachte] als uitvoerder/tussenpersoon, samen met [verdachte 1] (leider), [verdachte 2] (werknemer bij [winkel] en vervoerder van hennepstekken), [verdachte 3] (leverancier van stekken), [naam 2] (afnemer van stekken), [verdachte 6] (leverancier van stekken), [verdachte 5] (vervoerder van stekken), [verdachte 7] (zzp’er bij [winkel] ) en [medeverdachte 1] (werknemer bij [winkel] ), heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals ten laste is gelegd onder feit 3. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Door deze criminele organisatie werden verschillende diensten aangeboden. Eén onderdeel van de organisatie hield zich bezig met de handel in hennepstekken en het andere onderdeel van de organisatie hield zich bezig met het leveren van goederen en stoffen voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige teelt van hennep. [verdachte] hield zich binnen deze organisatie alleen bezig met de handel in hennepstekken. Dit volgt uit hetgeen door de officier van justitie ten aanzien van feit 1 is betoogd. Ten slotte acht de officier van justitie bewezen dat [verdachte] op 20 november 2018 in de woning van zijn toenmalige vriendin, [verdachte 8] , aan de [adres 4] te Schinveld, waar hij ook verbleef, GHB, amfetamine en MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad. In een nachtkastje op hun slaapkamer zijn 12 pillen aangetroffen. Deze pillen bevatten MDMA. In de kledingkast zijn twee flessen met vloeistof aangetroffen, één fles met GHB en één fles met GHB, MDMA en amfetamine. [verdachte] heeft verklaard dat de pillen en de flessen van hem zijn. Gelet op het feit dat de flessen en de pillen goed zichtbaar waren bij het openen van het nachtkastje respectievelijk de kledingkast alsmede het feit dat [verdachte] heeft verklaard dat de relatie tussen hem en medeverdachte [verdachte 8] is beëindigd omdat zij “die rotzooi niet meer in huis wilde hebben”, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat [verdachte] de drugs tezamen en in vereniging met [verdachte 8] opzettelijk aanwezig heeft gehad. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft over feit 1 aangevoerd dat [verdachte] geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de handel in hennepstekken. Hij heeft altijd in de veronderstelling verkeerd dat de dozen die in zijn loods werden overgedragen, hondenvoer bevatten. Hij heeft dit ook gecontroleerd door in enkele dozen te kijken. Daarin zat ook hondenvoer. [verdachte] is sinds oktober 2018 aanwezig geweest bij de loods op de [adres loods 1] te Schinveld. Een andere bijdrage dan het openen en het sluiten van de loods heeft [verdachte] nooit geleverd. [verdachte] wordt blijkens een proces-verbaal van observatie op 16 november 2018 één maal gezien in Kerkdriel, maar uit deze observatie blijkt niet dat hij die dag bij medeverdachten is geweest, laat staan dat hij hennepstekken heeft gehaald bij een van de medeverdachten om die vervolgens naar zijn loods in Schinveld te vervoeren. Evenmin kan worden bewezen dat [verdachte] hennepstekken opzettelijk heeft verkocht dan wel verstrekt. Uit de tapgesprekken blijkt dat een persoon bij [verdachte] is langs geweest voor spatborden en een ‘grote hond’, maar hieruit volgt niet dat [verdachte] hennepstekken heeft verkocht. [verdachte 1] heeft dit, voor zover hij zich dit kon herinneren, bevestigd. [verdachte] heeft bekend dat de op 20 november 2018 in de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld aangetroffen hennepstekken van hem waren, maar dit is geen grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat [verdachte] opzettelijk grote hoeveelheden hennepstekken aanwezig heeft gehad. [verdachte] moet, gelet op het voorgaande, van feit 1 worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 2, omdat niet bewezen is dat [verdachte] medepleger was van de voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet, zoals ten laste is gelegd onder feit 2. Het openen en sluiten van zijn loods en de beperkte hoeveelheid stekken die in deze loods is aangetroffen, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Gelet op hetgeen door de raadsman is aangevoerd over de feiten 1 en 2 kan niet worden bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals ten laste is gelegd onder 3. Ten slotte heeft de raadsman over feit 4 aangevoerd dat [verdachte] niet 1158 gram harddrugs aanwezig heeft gehad, maar slechts 96 gram. [verdachte] zou 773 gram GHB aanwezig hebben gehad in een 1 liter fles. Deze was voor ongeveer de helft gevuld met een waterige vloeistof. De fles had een brutogewicht van 773 gram. Gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (de LOVS-oriëntatiepunten), waarin is bepaald dat 1 pil of 5 ml gelijk staat aan 0,5 gram harddrugs, zou er (ervan uitgaande dat er maximaal 600 ml vloeistof – iets meer dan de helft – in de fles zat), maximaal 60 gram GHB in deze fles aanwezig zijn. De andere fles was een 1,5 liter fles met een brutogewicht van 379 gram. Deze fles was voor 1/5 gevuld met roze vloeistof. Dit betekent dat er maximaal 300 ml vloeistof in de fles aanwezig was, hetgeen gelet op de LOVS-oriëntatiepunten gelijk staat aan 30 gram GHB. De aangetroffen 12 pillen staan gelijk aan 6 gram. Gelet op het voorgaande kan niet worden bewezen dat [verdachte] 1158 gram harddrugs aanwezig heeft gehad. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Leeswijzer Het onderzoek TOL46 heeft 11 verdachten opgeleverd die deel zouden uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband. Bij het opstellen van de vonnissen van de verdachten heeft de rechtbank een overzicht van de bewijsmiddelen en bewezenverklaring opgesteld dat op meerdere verdachten betrekking heeft. Dat overzicht is hierna integraal opgenomen. Hieruit blijkt niet alleen de rol van [verdachte] , de verdachte in deze zaak, maar ook die van zijn medeverdachten. Bij het lezen van dit vonnis en het volgen van de motivering zijn sommige onderdelen van minder of geen belang voor [verdachte] . Inleiding In de periode tussen januari 2017 en maart 2018 is bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie binnengekomen die erop neer kwam dat [verdachte 1] vanuit zijn winkel [winkel] en vanuit een loods achter zijn woning op grote schaal hennepstekken verkocht. Deze TCI-informatie was aanleiding voor de politie om onderzoek te doen naar [verdachte 1] . In het kader daarvan hebben onder meer observaties plaatsgevonden, zijn telefoonlijnen afgeluisterd en hebben, op 20 november 2018, op diverse locaties doorzoekingen plaatsgevonden. Handel in hennepstekken (feit 1) De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting Ter terechtzitting van 16 november 2021 heeft [verdachte 1] een verklaring afgelegd. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat hij hennepstekken is gaan (door)verkopen vanuit [winkel] , omdat er vanaf 2017 vraag naar was bij klanten van [winkel] . Hij heeft daarom verschillende personen benaderd om te bezien of die hem hennepstekken konden leveren. Aanvankelijk gebeurde het afleveren van de hennepstekken vanuit zijn woning, maar omdat hij op 20 september 2018 het idee had dat er iets niet in de haak was, heeft hij een nieuwe afleverlocatie gezocht. Dat was de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Observaties van de woning van [verdachte 1] ( [adres 1] te Sittard) Naar aanleiding van de TCI-meldingen werden camera’s bij de woning van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard geplaatst en werden de telefoons van [verdachte 1] en [verdachte 2] getapt. Voorts werd [verdachte 2] geobserveerd en werd zijn voertuig, een Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , voorzien van een peilbaken. Uit het peilbaken bleek dat [verdachte 2] zeer regelmatig de woning van [verdachte 1] bezocht. Uit de camera-observaties, die tussen 1 juni 2018 en 29 juni 2018 hebben plaatsgevonden, is gebleken dat er op dinsdag- en vrijdagavonden, soms meerdere keren per dag, auto’s het terrein van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard op- en afreden. Tijdens de observaties werd gezien dat [verdachte 2] telkens zijn auto vanaf de openbare weg aan de voorzijde van de woning van [verdachte 1] naar de achterzijde van de woning reed, om zijn auto enkele minuten later weer op de openbare weg te parkeren. [verdachte 1] heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat (een deel van) wat tijdens deze observaties is gezien zag op hennepstekkenhandel. Uit het peilbaken onder de auto van [verdachte 2] bleek dat [verdachte 2] op drie achtereenvolgende vrijdagen (31 augustus, 7 september en 14 september 2018) na een rit van ongeveer 100 kilometer steeds zeer kortstondig een caravanstalling aan de [adres 2] te Haarsteeg, nabij Den Bosch, heeft bezocht. Na een stop, die steeds ongeveer 5 minuten duurde, reed hij weer terug naar Limburg, naar de woning van [verdachte 1] . Op 18 en 19 september 2018 heeft [verdachte 1] via een sms-bericht en via de telefoon contact met een persoon met een Brabants accent. In het sms-bericht van 18 september schrijft [verdachte 1] : “1650”. In het telefoongesprek van 19 september zegt [verdachte 1] : “Ik had je wat doorgegeven he”, waarop de persoon met het Brabants accent antwoordt: “Ja 1650 he”. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft [verdachte 1] verklaard dat dit op 18 september 2018 verstuurde sms-bericht met de inhoud “1650” op hennepstekken zou kunnen zien. Op 20 september 2018 vroeg [verdachte 1] aan hetzelfde contact om “1590”. Uit het tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” (de man met het Brabantse accent) van 19 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] in die twee weken ervoor ook bestellingen van “ [bijnaam verdachte 3] ” heeft ontvangen. Laatstgenoemde zegt in dat gesprek immers: “Vorige week, de week ervoor heb ik alles gegeven wat ik had die 1770”. “Paniek” op 20 en 21 september 2018 en identificatie van [bijnaam verdachte 3] [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat er op 20 september 2018 sprake was van onrust, omdat er rond werd verteld dat hij “in de hennepstekken zat”. Uit een tapgesprek op 20 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] zo spoedig mogelijk met “ [bijnaam verdachte 3] ” wil spreken, omdat “ [bijnaam verdachte 3] ” iets moest gaan veranderen. [verdachte 1] wilde geen uitleg via de telefoon geven. Voor “ [bijnaam verdachte 3] ” was het lastig om af te spreken, omdat zijn vrouw ieder moment kon bevallen. “ [bijnaam verdachte 3] ” stelde voor om de dag erna even af te spreken, omdat het die dag echt niet ging lukken. De dag erna, op vrijdag 21 september 2018 werd door het observatieteam gezien dat [verdachte 2] om 16.32 uur in een blauwe Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] het terrein van [adres 2] te Haarsteeg op reed en dat hij om 16.40 uur het terrein verliet. Op diezelfde dag hoorde de politie in een tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” dat [verdachte 1] zijn zorgen uitte over het feit dat hij geen vertrouwen meer had “in die plaats” en “daar waar die auto staat”, dat het voor [verdachte 1] een probleem was dat “de taxi naar jou is”, dat hij, [verdachte 1] , “de taxi vandaag nog even moet doen” en dat ze dan zo spoedig mogelijk moesten praten. Ongeveer een half uur later heeft [verdachte 1] telefonisch zijn nieuwe nummer aan “ [bijnaam verdachte 3] ” gegeven. Vervolgens spraken ze af elkaar later die dag in de McDonald’s in Best te ontmoeten. Ook stuurde [verdachte 1] diezelfde dag een sms-bericht aan al zijn contacten waarin hij voorstelt om over te stappen op ‘chatten’ via Signal. Er zijn camerabeelden bekeken van de McDonald’s in Best van 21 september 2018 tussen 21.50 en 22.25 uur. Daarop is te zien dat [verdachte 1] op de parkeerplaats door een Volkswagen Polo werd afgezet naast een Hyundai. [verdachte 1] en de bestuurder van de Hyundai liepen naar de McDonald’s, namen plaats aan een tafel en verlieten later gezamenlijk de McDonald’s. Uit de camerabeelden van en de observatie bij de McDonald’s in Best op 25 september 2018 omstreeks 20.15 uur blijkt dat [verdachte 1] in zijn BMW X5 met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats van de McDonald’s op reed. Even later kwam een Hyundai met kenteken [kenteken 4] de parkeerplaats opgereden. [verdachte 1] liep samen met twee personen, waarvan één een camouflagejas droeg, de McDonald’s binnen. Zij gingen samen aan een tafeltje zitten en liepen even later gezamenlijk naar buiten. De twee personen stapten in de Hyundai. Verbalisant L 117 herkende een van de mannen als [verdachte 3] . [bijnaam verdachte 3] is leverancier [verdachte 3] Uit het onderzoek naar de identiteit van “ [bijnaam verdachte 3] ” is gebleken dat de providerpalen behorende bij de tapgesprekken lieten zien dat de eerste gesprekken tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” in de omgeving van Velddriel hebben plaatsgevonden. Rond de afspraak van 21 september 2018 vonden deze plaats in omgeving Best, en daarna weer in de omgeving van Velddriel. Op 25 september 2018 zag het observatieteam dat de man die [verdachte 1] ontmoette reed in de auto met kenteken [kenteken 4] op naam van [naam 1] . [naam 1] heeft een dochter die staat ingeschreven op het adres [adres 3] te Velddriel, net als [verdachte 3] (geboren op [geboortedatum 2] en in 2018 dus 40-41 jaar oud). De man op de camerabeelden bij de McDonald’s past in het signalement van een persoon van 40 jaar. De pasfoto van [verdachte 3] , opgevraagd bij gemeente Maasdriel, komt overeen met de persoon die te zien is op de camerabeelden. Ook volgens het observatieteam komt de persoon op de pasfoto overeen met de man die aanwezig was in de McDonald’s op 21 september 2018. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd door de politie geïdentificeerd als ‘dealtelefoon’ van [verdachte 1] . [verdachte 3] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit de historische belgegevens van de ‘deal’-telefoon van [verdachte 1] over de periode 15 maart 2018 tot en met 9 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] iedere week, vaak meerdere malen, contact hadden en dat zij in deze periode in totaal 184 keer contact hadden via sms-berichten of telefoongesprekken. Gegevens van vóór 15 maart konden niet worden verkregen. In de tapgesprekken worden getallen zoals “1650”, “1770” en “1590” genoemd. Tussenconclusies Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf zijn woonadres in hennepstekken heeft gehandeld. Op basis van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] in combinatie met de uitgevoerde observaties kan worden vastgesteld dat de afnemers in ieder geval vanaf 1 juni 2018 (toen de observaties begonnen) bij de woning van [verdachte 1] moesten zijn voor het ophalen van de bestelde hennepstekken en dat [verdachte 2] daaraan meewerkte. Gelet op de telefoontaps tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] , en de zeer kortstondige bezoeken van [verdachte 2] aan Haarsteeg die “passen” bij de inhoud van die telefoontaps, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de vrijdagmiddagritjes van [verdachte 2] naar Haarsteeg werden afgelegd om aldaar hennepstekken voor [verdachte 1] op te halen. De rechtbank merkt op dat Velddriel, de woonplaats van [verdachte 3] , volgens ‘Google Maps’ ongeveer 15 minuten rijden met de auto van Haarsteeg ligt. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte 3] “ [bijnaam verdachte 3] ” is en dat hij de leverancier van die hennepstekken was, aangezien hij in het tapgesprek van 19 september 2018 zei dat hij “vorige week, de week ervoor” (naar de rechtbank begrijpt: én de week ervoor) alles had gegeven en [verdachte 2] in die weken naar Haarsteeg is gereden. [verdachte 2] zorgde er aldus voor dat de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken werden opgehaald en uiteindelijk bij de afnemers van [verdachte 1] terecht kwamen, waarbij de uitlevering plaatsvond bij de woning van [verdachte 1] . Uit de inhoud van de telefoontaps en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [verdachte 1] ongeveer 1500 hennepstekken per week bij [verdachte 3] bestelde. Uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] is, zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden. Handel in hennepstekken vanuit loods [adres loods 1] te Schinveld [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard, dat de hennepstekken in [winkel] werden besteld en aanvankelijk vanuit de woning van [verdachte 1] in Sittard werden geleverd. Naar aanleiding van de onrust op 20 september 2018 is de afleverplek van de hennepstekken veranderd van de woning van [verdachte 1] naar de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Op 1 oktober 2018 heeft [verdachte 3] telefonisch aan [verdachte 1] gevraagd of het uit kwam om een dag later omstreeks 19.15 uur naar het adres te komen dat [verdachte 1] op een briefje had gegeven. [verdachte 3] zou met een chauffeur komen waarmee [verdachte 1] verder zou kunnen. [verdachte 1] wilde liever niet naar die locatie komen en zou ervoor zorgen dat “die ene jongen” daar zou zijn, zodat [verdachte 3] met hem kon praten. Een dag later, op 2 oktober 2018, werd de woning van [verdachte 3] aan de [adres 3] te Velddriel geobserveerd. Om 17.43 uur reed een Kia Sportage met kenteken [kenteken 5] – met daarin (de later door verbalisanten herkende) [verdachte 5] als chauffeur en [verdachte 3] als bijrijder – de oprit van de woning af. In een telefoongesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] die dag om 18.28 uur zei [verdachte 3] dat hij nog 50 kilometer moest afleggen en dat hij verwachtte binnen een half uur á 3 kwartier te arriveren. Om 19.04 uur stopte de Kia voor een loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Om 19.06 uur stopte een Citroën Saxo [kenteken 6] naast de Kia. De bestuurder van de Citroën werd door verbalisant [nummer] herkend als [verdachte] . [verdachte] liep in de richting van de Kia en was via het geopende raam van de Kia in gesprek met [verdachte 5] en [verdachte 3] . [verdachte] stak een wit papiertje door het geopende bestuurdersportier van de Kia, liep zonder het papiertje terug naar zijn auto en reed om 19.21 uur weg. De Kia bleef staan. Om 19.22 uur arriveerde [verdachte 1] in zijn Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] J en ging met [verdachte 5] en [verdachte 3] in gesprek. Later die avond, om 19.44 uur, belde [verdachte 1] naar [verdachte] en zei dat [verdachte] op hem had kunnen wachten. [verdachte 1] zei dat hij wat later was gearriveerd en dat hij “hem” (een derde) nog even heeft gezien. Tussen 26 oktober 2018 en 16 november 2018 werd de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld en de woning van [verdachte] aan de [adres 4] te Schinveld geobserveerd. Uit de observaties op de vrijdagen 26 oktober 2018, 2 november 2018 en 9 november 2018 bleek dat [verdachte 5] telkens omstreeks 17.00 uur aankwam bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld en korte tijd later weer vertrok. Op 2 november 2018 is door het observatieteam waargenomen dat, vlak voor het binnenrijden van de loods, de gehele ruimte van de achterbank en kofferbak van de auto van [verdachte 5] vol lag met – door dekens afgedekte – kratten en dozen, die er na het vertrek van de auto uit de loods niet meer in lagen. Op 9 november 2018 werd tevens waargenomen dat [verdachte 6] om 18.03 uur met zijn voertuig de loods in reed en korte tijd later weer vertrok. Dat bezoek past bij het tapgesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] waarin zij spraken over het aanleveren van “1030” door [verdachte 6] om 18.00 uur. Op alle genoemde vrijdagen is vanaf 19.00 uur waargenomen dat er verschillende auto’s bij de loods arriveerden, dat de auto’s achteruit de loods in reden en dat deze enkele minuten later weer wegreden. Hierbij werd steeds gezien dat [verdachte] vanuit de woning aan de [adres 4] naar de loods aan de [adres loods 1] liep, de schuifdeuren van de loods voor de gearriveerde auto’s opende en de schuifdeuren na het vertrek van de auto’s ook weer afsloot. Tijdens de observatie op 16 november 2018 werd waargenomen dat [verdachte] om 15.49 uur in een stilstaande Citroën Saxo met kenteken [kenteken 6] op de Provinciale weg in Kerkdriel zat te bellen. Eerder die dag was [verdachte 5] naar (de plaats) Zeeland gereden. Zijn Kia arriveerde rond 16.00 uur bij het adres [adres 5] te Kerkdriel, waar [verdachte 5] woont. Omstreeks 16.22 uur reed [verdachte] in de Citroën Saxo vanuit Kerkdriel weer in de richting van de A2 en om 18.38 uur stond de Citroën voor de woning van [verdachte] aan de [adres 4] te Schinveld. Het observatieteam heeft die avond nog een aantal voertuigen bij de loods gezien, waarvan 2 voertuigen de loods inreden en korte tijd later weer vertrokken. De politie heeft de telefoons met de nummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] getapt. Deze waren in gebruik bij [verdachte] . Over de getapte telefoonlijnen kwamen enkele telefoongesprekken voor waarin [verdachte 1] en [verdachte] onder meer spraken over de verkoop van “grote honden” en “kleine honden”. Op 20 november 2018 werd tijdens de doorzoeking van de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld een doos in beslag genomen met daarin in totaal 90 hennepstekken van 17 centimeter lang. De verbalisant rook de bij hem ambtshalve bekende geur van hennep en de MMC-test reageerde positief op hennep. Leverancier [verdachte 6] In de tapgesprekken van de telefoon van [verdachte 1] is naar voren gekomen dat [verdachte 1] na 1 september 2018 regelmatig telefonisch contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Nadat dit telefoonnummer werd getapt, kon de gebruiker worden geïdentificeerd als [verdachte 6] . Uit de inhoud van de tapgesprekken bleek dat [verdachte 1] bestellingen bij [verdachte 6] plaatste. In de tapgesprekken is gesproken over hoeveelheden van 380 stuks, 400 stuks, 850 stuks, 600 stuks, 700 à 800 stuks en 1030 stuks. Hiervoor is al gerefereerd aan het bezoek van [verdachte 6] aan de loods op 9 november 2018. In een op die dag opgenomen tapgesprek om 15.06 uur spreken hij en [verdachte 1] over een hoeveelheid van “1030” voor vandaag om 18.00 uur. Even later, om 18.03 uur, is een Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] op naam van [verdachte 6] geobserveerd als hij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld binnenrijdt. Ook op 14 november 2018 is er een tapgesprek tussen beiden, waarin een afspraak wordt gemaakt voor de dag erna, waarna op 15 november 2018 [verdachte 6] om 19.00 uur geobserveerd wordt als hij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld binnenrijdt. [verdachte 6] heeft ter terechtzitting op 16 en 17 november 2021 verklaard dat hij meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [verdachte 6] aan de [adres 6] te Grevenbicht werden een hennepkwekerij en hennepstekkerij aangetroffen in zijn woning en bijbehorende schuur. In de eerste kweekruimte, gelegen op de zolder van de woning, werden 51 moederplanten en 1848 hennepstekken aangetroffen. In de tweede en derde kweekruimte, gelegen in de schuur naast de woning, werden 145 (kweekruimte 2) en 251 (kweekruimte 3) moederplanten aangetroffen. Tussenconclusies Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af, dat na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 door [verdachte 1] een nieuwe plek werd gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte 2] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, te weten de door [verdachte] in gebruik zijnde de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Dat de afleverplek van de hennepstekken op enig moment is verplaatst naar de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld, werd ook door [verdachte 1] ter terechtzitting verklaard. [verdachte 2] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Daar waar aanvankelijk een rol was weggelegd voor [verdachte 2] in het ophalen en vervoeren van de hennepstekken vanuit Haarsteeg en de uitlevering daarvan bij de woning van [verdachte 1] , is zijn rol in het vervoer van de hennepstekken daarna overgenomen door de chauffeur van [verdachte 3] , [verdachte 5] . De hennepstekken die [verdachte 1] bij [verdachte 3] bestelde werden door [verdachte 5] telkens op vrijdag omstreeks 17.00 uur bij de loods aan de Jabeekerstraat afgeleverd voordat de afnemers deze vanaf omstreeks 19.00 uur kwamen ophalen. [verdachte] speelde vanaf 26 oktober 2018 een rol in de aflevering van de hennepstekken aan de verschillende afnemers daarvan vanuit de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Hij stelde de loods daarvoor ter beschikking en zorgde ervoor dat de leveranciers en afnemers van de hennepstekken toegang hadden tot die loods. De rechtbank ziet de gesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte] over “grote honden” en “kleine honden” als codetaal, bedoeld om te verhullen dat de gesprekken over hennep gingen. Een andere leverancier van hennepstekken naast [verdachte 3] , was [verdachte 6] . [verdachte 6] heeft in de periode van 1 september 2018 tot en met 20 november 2018 meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] geleverd, die hij zelf had geteeld. Aan de hand van de inhoud van de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] vanaf september 2018 valt af te leiden dat er wordt gesproken over hoeveelheden van enkele honderden hennepstekken. Gelet op de genoemde aantallen in de tapgesprekken gaat de rechtbank uit van gemiddeld 500 hennepstekken per week, die door [verdachte 6] werden afgeleverd bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [verdachte 6] op bestelling van [verdachte 1] hoeveelheden van gemiddeld 500 hennepstekken per week bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld afleverde. Afnemers van hennepstekken Uit de telefoontaps bleek dat [verdachte 1] contact had met een afnemer van hennepstekken, die gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] . Op 18 september 2018 ging het gesprek over een partij van 1050 die stond voor vrijdag. Op 20 september 2018 werd aan [verdachte 1] om “300 van die gewone” gevraagd. In het daarop volgende telefoongesprek die dag werd “voor volgende week nog een keer 300” gevraagd. Op 3 oktober 2018 om 09.17 uur werd via de telefoon aan [verdachte 1] doorgegeven dat er nog een lijstje voor hem was. Op 3 oktober 2018 werd om 14.54 uur een tapgesprek opgenomen en beluisterd waarin de gebruiker van dat telefoonnummer begon met “Ja met [naam 2] ” en waaruit bleek dat hij en [verdachte 1] elkaar “zo” gingen zien. Die dag reed om 15.05 uur een Peugeot Partner [kenteken 9] de parkeerplaats bij [winkel] (de winkel van [verdachte 1] ) op. De BMW X5 van [verdachte 1] stond al op de parkeerplaats. Het kenteken van de Peugeot staat op naam van [bedrijf 1] te Limbricht en [naam 2] is daarvan de enige aandeelhouder en bestuurder. Uit deze combinatie van gegevens kon worden vastgesteld dat [naam 2] de afnemer is aan wie de telefoonnummers toebehoren. [verdachte 1] belde diezelfde dag om 15.40 uur naar [naam 2] met de mededeling dat wat was opgeschreven, “die 950 he”, gewoon eerder kon. Op vrijdag 9 november 2018 werd bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld gezien dat de Peugeot Partner met kenteken [kenteken 9] om 19.19 uur achteruit de loods in reed en 6 minuten later weer vertrok. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [naam 2] , gelegen aan de [adres 7] te Limbricht, werden onder andere een niet in gebruik zijnde hennepkwekerij en ruim 1,1 kilogram henneptoppen aangetroffen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2018 bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld 120 hennepstekken heeft opgehaald. Hij had deze 3 weken eerder bij [winkel] besteld. Dit bezoek is door het observatieteam omstreeks 19.00 uur die avond waargenomen. Tijdens een doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van de woning van [getuige 2] , gelegen aan de [adres 8] te Munstergeleen, een hennepkwekerij met daarin 140 hennepplanten aangetroffen. Getuige [getuige 1] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 340 hennepstekken bij [winkel] heeft besteld en dat hij deze 4 weken geleden bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld heeft opgehaald. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van [getuige 1] , gelegen op [adres 9] te Sittard, een hennepkwekerij met daarin 323 hennepplanten aangetroffen. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 (hennepstekkenhandel) Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, voldoende om te kunnen spreken van medeplegen, tussen in ieder geval [verdachte] , [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 6] en [verdachte 5] , die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van de handel in hennepstekken. [verdachte 1] verkocht vanuit [winkel] de hennepstekken en regelde vanaf welke locatie die konden worden opgehaald. [verdachte 3] en [verdachte 6] waren de vaste leveranciers en hadden rechtstreeks contact met [verdachte 1] , die de bestellingen doorgaf. [verdachte 5] werd ingezet als chauffeur en bracht de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken naar Schinveld. [verdachte 6] leverde zijn stekken zelf af bij [verdachte] . [verdachte] regelde dat die hennepstekken konden worden afgeleverd in de loods aan de [adres loods 1] en daar ook konden worden opgehaald door de klanten van [verdachte 1] . De verklaring van [verdachte] dat hij dacht dat het om dozen hondenbrokken ging, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. De rechtbank acht ook bewezen dat het om grote hoeveelheden hennepstekken ging. De verklaring van [verdachte 1] dat het slechts om kleinere hoeveelheden hennepstekken ging, acht de rechtbank, gelet op de in het dossier aanwezige tapgesprekken en sms-berichten tussen [verdachte 1] en de leveranciers, onaannemelijk. De rechtbank ziet, gezien de inhoud van de bewijsmiddelen, geen reden om van andere hoeveelheden uit te gaan. Nu er sprake is geweest van een langere periode waarin vrijwel wekelijks hennepstekken werden verkocht, vervoerd en geleverd, wordt eveneens bewezen geacht dat deze hennepstekkenproductie- en handel een beroeps- of bedrijfsmatig karakter had. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 26 oktober 2018 tot en met 20 november 2018 in de uitoefening van een beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met anderen grote hoeveelheden hennepstekken heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt. Voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet (feit 2) De strafbaarstelling van artikel 11a van de Opiumwet [verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 tezamen en in vereniging voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd, door het (onder andere) voorhanden hebben van een pand, gelegen aan de [adres 1] te Sittard en diverse voertuigen, alsmede door het voorhanden van de doos met hennepstekken aan de [adres loods 1] . In zijn requisitoir heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het, samen met [verdachte 1] , voorhanden hebben van de doos met hennepstekken. Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet is vereist dat bewezen moet kunnen worden dat [verdachte] en zijn eventuele medeverdachte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.