vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rolnummer: C/03/306970 / KG ZA 22-267 Vonnis in kort geding van 10 augustus 2022 in de zaak van: [eiser] , wonend te [woonplaats 1] , eiser, advocaat mr. S.A.H. Creusen, tegen: [gedaagde] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. P.H.L. Dankers. Partijen zullen hierna eiser en gedaagde genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding; de door gedaagde bij brief van 26 juli 2022 overgelegde producties 1 tot en met 3; de mondelinge behandeling op 28 juli 2022 (met de spreekaantekeningen van beide partijen). 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Gedaagde is de oom van eiser. 2.2. Op 9 mei 2022 heeft gedaagde een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank (geregistreerd onder zaaknummer C/03/304951 / KG RK 22-286), strekkende tot het verlenen van vergunning voor het doen leggen van conservatoir beslag op de onroerende zaak (hierna: de woning) van eiser aan het adres [adres] te [plaats] . De voorzieningenrechter heeft op 10 mei 2022 het verlof verleend zoals verzocht en vervolgens is op 13 mei 2022 beslag gelegd op de woning. 2.3. Partijen hebben een schriftelijke overeenkomst van geldlening opgemaakt en die beiden ondertekend op 15 december 2017 (hierna: de eerste overeenkomst). In de eerste overeenkomst is onder meer opgenomen: “Artikel 1: bedrag De leninggever heeft op 15-12-2017 aan leningnemer een lening van € 70.000,-- verstrekt, welk bedrag leningnemer in leen heeft aanvaard.” 2.4. Bij het beslagrekest, zoals genoemd in rov. 2.2., heeft gedaagde een tweede overeenkomst van geldlening overgelegd, die partijen blijkens die overeenkomst zouden hebben ondertekend op 28 december 2017 (hierna ook te noemen: de tweede overeenkomst). In de tweede overeenkomst is onder meer opgenomen: “Artikel 1: bedrag De leninggever heeft op 28-12-2017 aan leningnemer een lening van € 50.000,-- verstrekt, welk bedrag leningnemer in leen heeft aanvaard.” […] Artikel 4: Zekerheden Leningnemer verbindt zich om, zolang hij de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld, terzake van de hoofdsom, rente en kosten, niet volledig aan de leninggever heeft afgelost en betaald, de thans aan hem toebehorende en de in de toekomst nog door hem te verkrijgen auto BMW M 3 sedan kenteken [kenteken] onroerende zaken niet zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van leninggever te zullen vervreemden, met andere zakelijke rechten te zullen bezwaren, noch ook deze te verhuren of te verpachten of op enige andere wijze in gebruik te geven aan derden, dit alles het aangaan van verplichtingen tot het een en ander strekkende daaronder begrepen.” 3Het geschil 3.1. Eiser vordert – kort gezegd – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. om het ten laste van hem gelegde beslag op te heffen, althans gedaagde te bevelen het gelegde beslag binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te heffen, op verbeurte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; II. gedaagde te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. 3.2. Gedaagde voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 705 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding het beslag op vordering van elke belanghebbende opheffen. Conform het tweede lid van dit artikel wordt de opheffing onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. 4.2. Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet gebeuren los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Daarbij is van belang dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. 4.3. Eiser heeft enerzijds aangevoerd dat de vordering ondeugdelijk is en anderzijds dat het beslag onnodig is. Meer in het bijzonder heeft eiser het volgende aangevoerd.Hoewel gedaagde stelt een vordering op eiser te hebben, is dat niet door gedaagde aangetoond. Eiser is slechts bekend met de eerste overeenkomst en betwist dat hij de tweede overeenkomst heeft ondertekend, maar wat daar ook van zij: eiser heeft nooit enig bedrag uit hoofde van de beide overeenkomsten ontvangen. De eerste overeenkomst is opgemaakt en ondertekend om fiscale redenen. De aflopen drie jaren heeft eiser dan ook nooit te horen gekregen dat hij niet aan zijn aflossingsverplichting zou hebben voldaan, terwijl eiser zich nu in plaats daarvan – als donderslag bij heldere hemel – geconfronteerd ziet met een beslag op zijn woningDaar komt bij dat partijen in de overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.