RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/720795-18 OWV Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [adres] , hierna te noemen: [verdachte 1] . [verdachte 1] wordt bijgestaan door mr. G.A.C. Beckers, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16, 17 en 22 november
- [verdachte 1] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 13 januari
- De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/720795-
- Op 27 januari 2022 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte 1] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De vordering, die aanvankelijk zag op een bedrag van € 728.395,10, is door de officier van justitie ter terechtzitting verminderd en strekt thans tot vaststelling van een bedrag van in totaal € 535.698,76 waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Volgens de officier van justitie zou [verdachte 1] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten 2 en 3 die door de officier van justitie bewezen worden geacht. Het gaat respectievelijk om – kort gezegd – het exploiteren van een ‘growshop’ en de handel in hennepstekken. 3De beoordeling 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie is opgebouwd uit twee bedragen. Het eerste bedrag hangt samen met de verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. In de strafzaak is dit tenlastegelegd als feit
- Dit feit zou door [verdachte 1] zijn gepleegd vanuit zijn ‘growshop’ [winkel 1] (hierna kortheidshalve: [winkel 1] ). De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat nagenoeg alle goederen die door [winkel 1] te koop werden aangeboden, naar hun aard en in onderlinge samenhang bezien, bestemd waren voor de grootschalige of bedrijfsmatige teelt van hennep. Het aandeel in de verkoop van andere, reguliere goederen was marginaal. Om die reden heeft de officier van justitie de volledige winst van [winkel 1] over de periode vanaf 1 maart 2015 tot en met 20 november 2018, te weten een bedrag van in totaal € 428.645,10 aangemerkt als door middel van dit feit verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede bedrag hangt samen met de verdenking van de handel in hennepstekken, tenlastegelegd als feit
- De officier van justitie gaat, anders dan in de aanvankelijke vordering, uit van een periode van in totaal 35 weken van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018, waarin door [verdachte 1] in totaal 70.000 hennepstekken zijn verkocht en geleverd. Verwijzend naar de berekening van de politie in het ontnemingsdossier heeft de officier van justitie het door middel van dit feit verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op een bedrag van € 107.053,
- 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft, gelet op het vrijspraakverweer voor feit 2 in de strafzaak, primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit voor zover de vordering is gebaseerd op artikel 11a Opiumwet. Subsidiair heeft de verdediging over dit onderdeel van de vordering aangevoerd dat de daaraan ten grondslag liggende voordeelsberekening niet juist is. Het bedrag aan “winst” is niet het bedrag dat bij [verdachte 1] terecht is gekomen. Volgens de verdediging maakten de niet-verkochte voorraden onderdeel uit van de winst. Nu deze voorraden na de verbeurdverklaring daarvan worden vernietigd, moet de waarde daarvan worden afgetrokken van de winst en dus van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook zou er rekening gehouden moeten worden met een hoger bedrag aan afschrijvingen. Voor zover de vordering is gebaseerd op het voordeel dat wederrechtelijk verkregen zou zijn met de handel in hennepstekken, heeft de verdediging vooropgesteld dat – nu de ontnemingsperiode ziet op een langere periode dan is tenlastegelegd – bij het maken van een schatting van het aantal verkochte hennepstekken een terughoudende benadering dient te worden toegepast. Volgens de verdediging dient voorts uitgegaan te worden van € 1,00 winst per stek. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Inleiding Bij voormeld vonnis d.d. 27 januari 2022 is [verdachte 1] veroordeeld wegens onder andere: Feit 2: medeplegen van stoffen en voorwerpen te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; Feit 3: medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte 1] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte 1] zijn begaan. 3.3.2 Het bewijs Het voordeel verkregen door feit 2, de voorbereidingshandelingen Inleiding In het vonnis in de strafzaak tegen [verdachte 1] heeft de rechtbank ten aanzien van [verdachte 1] bewezen verklaard dat hij: op of omstreeks 20 november 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met anderen stoffen en voorwerpen heeft te koop aangeboden en voorhanden gehad, te weten (al dan niet in verband met de handel in ‘growshop’-goederen): - voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres 10] ( [postcode] ) te Geleen (dossier, p. 909-913), en - voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard (dossier, p. 832-835), en - voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 3] ( [postcode] ) te Sittard (dossier, p. 849), en - voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 2] ( [postcode] ) te Elsloo (dossier, p. 984-988), en (in verband met de handel in hennepstekken) - voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 1] ( [postcode] ) te Schinveld (dossier, p. 816) waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen van belang ter berekening van het met dit feit wederrechtelijk verkregen voordeel: De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting Volgens [verdachte 1] verkocht hij in [winkel 1] materialen die gebruikt kunnen worden om hennep te kweken. Hij wist dat hij goederen verkocht die bestemd waren voor hennepteelt. Dat deed hij al vanaf het jaar 1998 en hij was zich bewust van de wetswijziging van 2015 ten aanzien van ‘growshops’. De koolstoffilters, lampen, enzovoorts, wilde hij niet op de zaak hebben, omdat dat in strijd is met de wet. Het klopt dat hij een telefoongesprek heeft gevoerd over welke spullen wel en niet in een zaak mochten staan. Na de wetswijziging van 2015 heeft hij de bedrijfsvoering van [winkel 1] aangepast. De winkel is hetzelfde gebleven, maar sindsdien had hij geen lampen, koolstoffilters en schakelborden meer in de winkel. Hij bewaarde die elders. In één van de loodsen (rechtbank: de hierna te bespreken loods in Elsloo) had hij een voorraad, zo verklaarde [verdachte 1] , en uit die voorraad heeft hij nog een aantal dingen verkocht. Doorzoekingen Op 20 november 2018 heeft een doorzoeking plaatsgehad van het pand aan de [adres 10] te Geleen alwaar [winkel 1] is gelegen, waarvan [verdachte 1] de eigenaar is. In het winkelgedeelte achter de kassa zijn onder meer klappers met inkoopprijzen en informatie over cannabiszaden, diverse cannabiszaden, gripzakjes in diverse formaten, strijkzakken, sporttassen en ‘bigshoppers’ aangetroffen. In de stellingen achter de balie werden onder meer schakelklokken, contactdozen, kabels, stekkers, zware zekeringen en aftakklemmen aangetroffen. In het achterdeel van de winkelruimte werden op stellingen groeimiddelen met een inhoud van 1, 5 en 10 liter, ventilatoren, dompelpompen en opvouwbare watervaten aangetroffen. In de loods naast het winkelgedeelte zijn dozen met zwarte strijkzakken, zwarte bloempotten, diverse rollen vijverfolie, watervaten, isolatiefolie, 3 pallets met kweekmedium, luchtvoeronderdelen, flexibele slangen en koolstoffilters aangetroffen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft in de periode van 2015 tot en met 2018 tientallen grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages ontmanteld en heeft over de bij [winkel 1] aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden bij grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages. Op 20 november 2018 vond een doorzoeking in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard plaats. Het betreft een grote opslagruimte met rekken en pallets waarop plastic potten, dozen met steenwolblokken, watertonnen, lege jerrycans, droogrekken en jerrycans met groeimiddelen stonden. Op diezelfde dag vond een doorzoeking plaats in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard. Er zijn onder meer, plastic bakken, groene watertonnen, 9 pallets met elk 60 zakken met opschrift “janero professional” met als inhoud potgrond (inhoud 50 liter) en 8 pallets met elk 70 zakken met opschrift “Ata Wilma Cocos Substract” (inhoud 50 liter) aangetroffen. Op de zakken was een sticker aangebracht met [winkel 1] en de adressering [adres loods 3] te Sittard. Tijdens de doorzoeking verscheen onder meer [medeverdachte 1] aan de deur. Ook in de bedrijfsgebouwen aan de [adres loods 2] te Elsloo vond op 20 november 2018 een doorzoeking plaats. Getuige [getuige 3] , de eigenaar van de bedrijfsgebouwen, heeft verklaard dat de goederen in gang T van [verdachte 1] waren. Het betroffen onder meer grote en kleine koolstoffilters, ventilatoren met diverse capaciteit, assimilatielampen, armaturen voor assimilatielampen, schakelkasten en groepenkasten met tijdklok en wandcontactdozen, voorschakelapparaten/transformatoren, slakkenhuizen, dozen met groeimiddelen en een groeistimulator. Verbalisant [verbalisant 3] heeft tientallen grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages ontmanteld en heeft over deze aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden bij grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages. Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte 1] de opslagruimte ongeveer 2 jaar huurde en dat een man genaamd [verdachte 2] zijn vaste contactpersoon was. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat [verdachte 2] de chauffeur van [verdachte 1] was en dat deze de spullen naar het gebouw bracht. [getuige 3] kwam 1 of 2 keer per week in zijn bedrijfsgebouwen. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met bijlagen In dit rapport heeft verbalisant [verbalisant 4] onder andere een berekening gemaakt van het voordeel dat [verdachte 1] door middel van dit feit heeft verkregen. In hoofdstuk 8 van dit rapport staat onder meer: “8.1 Resultaat onderneming Zoals uit het einddossier blijkt, is de verdenking ontstaan dat de goederen c.q. producten die door [winkel 1] worden verkocht vallen onder de strafbepaling van artikel 11 a van de Opiumwet. De strafbepaling van artikel 11 a Opiumwet is sinds 1 maart 2015 van kracht. In deze rapportage wordt derhalve gesteld dat de winst (nettoresultaat) dat de onderneming [winkel 1] heeft behaald in de periode 01-03-2015 tot en met 20-11-2018 wederrechtelijk is verkregen. Voor de berekening van onderstaand wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruik gemaakt van de administratieve bescheiden die werden aangetroffen bij de doorzoeking in de woning gelegen op perceel [adres 1] te Sittard en de administratieve bescheiden die middels een 126nd vordering zijn verkregen van de boekhouder van [winkel 1] . De administratieve klappers met de zakelijke bescheiden over de jaren 2015 en 2016 werden aangetroffen op perceel [adres 1] te Sittard. Door de boekhouder werd de volledige boekhouding vanaf 1 januari 2017 tot en met 20 november 2018 verstrekt, zijnde klappers met originele facturen en de grootboekmutaties. Tevens werd een afschrift verstrekt van de definitieve jaarstukken 2015 en 2016, evenals het concept jaarstuk over
- Door het onderzoeksteam is onderzoek verricht naar de activiteiten van de onderneming [winkel 1] . Daarbij is getracht vast te stellen of [winkel 1] omzet genereerde met andere activiteiten dan de verkoop van goederen die bestemd waren voor de georganiseerde teelt van hennep. Uit de administratie van [winkel 1] is slechts gebleken van marginale andere (reguliere) activiteiten. Daarom is de volledige omzet van [winkel 1] als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt. Tevens is onderzoek verricht naar de administratie, om vast te stellen welke kosten al dan niet voor aftrek in aanmerking komen. Afschrijvingskosten zijn bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet als kosten bestempeld, daar het geen daadwerkelijke ‘uitgaven’ betreffen ten behoeve van het vermoedelijk gepleegd strafbaar feit. Deze boekhoudkundige kosten staan niet in een directe relatie tot het gepleegde delict. Uit de boekhouding is namelijk niet gebleken dat de betreffende afschrijvingen betrekking hebben op gedane investeringen voor het plegen van de (vermoedelijke) overtreding. Daarnaast blijkt niet uit de boekhouding dat de gedane ‘investeringen/kosten’ behorende bij de afschrijvingen zijn verricht in de onderzoeksperiode. Voor de afschrijvingen bestaat derhalve geen directe relatie met het strafbare feit. Alle andere bedrijfskosten, waaronder energiekosten, administratiekosten, telefoonkosten enzovoorts, zijn overeenkomstig met de boekhouding als aftrekbare kosten aangemerkt. 8.1.1 Boekjaar 2015 Bij de doorzoeking van perceel [adres 1] werd de administratie van [winkel 1] over het jaar 2015 aangetroffen en inbeslaggenomen. Door de boekhouder werd een afschrift van de bijlage bij de aangifte inkomstenbelasting 2015 verstrekt. Om het nettoresultaat van 2015 als zijnde het wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken dient rekening te worden gehouden met de wetswijziging omtrent artikel 11 a Opiumwet, welke vanaf 1 maart 2015 van kracht is. Derhalve strekt het wederrechtelijk verkregen voordeel in 2015 zich uit over tien maanden (1 maart 2015 t/m 31 december 2015). Om deze reden is op basis van de grootboekmutaties het nettoresultaat van de maanden januari en februari berekend en in mindering gebracht op het nettoresultaat van
- Zodoende resteert het nettoresultaat van [winkel 1] over de periode van 1 maart 2015 tot en met 31 december 2015, welke hieronder wordt weergegeven: Wederrechtelijk verkregen voordeel 2015 Nettoresultaat 2015 € 236.200,00 +/+ Afschrijvingen 2015 € 4.790,00 . Totaal resultaat 2015 € 240.990,00 Nettoresultaat januari + februari 2015 € 120.460,95 Afschrijvingen januari + februari 2015 € 798,26 . Totaal resultaat januari + februari 2015 € 121.259,21 Totaal nettoresultaat 2015 € 119.730,79 (01-03-2015 t/m 31-12-2015) Het is opvallend dat ruim de helft van de omzet in het jaar 2015 werd gegenereerd in de maanden januari 2015 en februari 2015, zijnde de ‘niet strafbare’ maanden. Het nettoresultaat is, zoals reeds aangegeven, in mindering gebracht op de netto jaaropbrengst. Wederrechtelijk verkregen voordeel 2016 Nettoresultaat 2016 € 97.054,50 -/- Afschrijvingen 2016 € 2.514,62 (negatief in verband met boekresultaat!) . Totaal nettoresultaat 2016 € 94.539,88 (01-01-2016 t/m 31-12-2016) Wederrechtelijk verkregen voordeel 2017 Nettoresultaat 2017 € 100.482,74 +/+ Afschrijvingen 2017 € 3.339,06 . Totaal nettoresultaat 2017 € 103.821,80 (01-01-2017 t/m 31-12-2017) Wederrechtelijk verkregen voordeel 2018 Nettoresultaat 2018 € 110.552,63 +/+ Afschrijvingen 2018 € - . Totaal nettoresultaat 2018 € 110.552,63 (01-01-2018 t/m 31-10-2018)” Het voordeel verkregen door feit 3, de handel in hennepstekken In het strafvonnis tegen [verdachte 1] heeft de rechtbank als volgt overwogen: “Inleiding In de periode tussen januari 2017 en maart 2018 is bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie binnengekomen die erop neer kwam dat [verdachte 1] vanuit zijn winkel [winkel 1] en vanuit een loods achter zijn woning op grote schaal hennepstekken verkocht. Deze TCI-informatie was aanleiding voor de politie om onderzoek te doen naar [verdachte 1] . In het kader daarvan hebben onder meer observaties plaatsgevonden, zijn telefoonlijnen afgeluisterd en hebben, op 20 november 2018, op diverse locaties doorzoekingen plaatsgevonden. De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting Ter terechtzitting van 16 november 2021 heeft [verdachte 1] een verklaring afgelegd. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat hij hennepstekken is gaan (door)verkopen vanuit [winkel 1] , omdat er vanaf 2017 vraag naar was bij klanten van [winkel 1] . Hij heeft daarom verschillende personen benaderd om te bezien of die hem hennepstekken konden leveren. Aanvankelijk gebeurde het afleveren van de hennepstekken vanuit zijn woning, maar omdat hij op 20 september 2018 het idee had dat er iets niet in de haak was, heeft hij een nieuwe afleverlocatie gezocht. Dat was de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Observaties van de woning van [verdachte 1] ( [adres 1] te Sittard) Naar aanleiding van de TCI-meldingen werden camera’s bij de woning van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard geplaatst en werden de telefoons van [verdachte 1] en [verdachte 2] getapt. Voorts werd [verdachte 2] geobserveerd en werd zijn voertuig, een Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , voorzien van een peilbaken. Uit het peilbaken bleek dat [verdachte 2] zeer regelmatig de woning van [verdachte 1] bezocht. Uit de camera-observaties, die tussen 1 juni 2018 en 29 juni 2018 hebben plaatsgevonden, is gebleken dat er op dinsdag- en vrijdagavonden, soms meerdere keren per dag, auto’s het terrein van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard op- en afreden. Tijdens de observaties werd gezien dat [verdachte 2] telkens zijn auto vanaf de openbare weg aan de voorzijde van de woning van [verdachte 1] naar de achterzijde van de woning reed, om zijn auto enkele minuten later weer op de openbare weg te parkeren. [verdachte 1] heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat (een deel van) wat tijdens deze observaties is gezien zag op hennepstekkenhandel. Uit het peilbaken onder de auto van [verdachte 2] bleek dat [verdachte 2] op drie achtereenvolgende vrijdagen (31 augustus, 7 september en 14 september 2018) na een rit van ongeveer 100 kilometer steeds zeer kortstondig een caravanstalling aan de [adres 2] te Haarsteeg, nabij Den Bosch, heeft bezocht. Na een stop, die steeds ongeveer 5 minuten duurde, reed hij weer terug naar Limburg, naar de woning van [verdachte 1] . Op 18 en 19 september 2018 heeft [verdachte 1] via een sms-bericht en via de telefoon contact met een persoon met een Brabants accent. In het sms-bericht van 18 september schrijft [verdachte 1] : “1650”. In het telefoongesprek van 19 september zegt [verdachte 1] : “Ik had je wat doorgegeven he”, waarop de persoon met het Brabants accent antwoordt: “Ja 1650 he”. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft [verdachte 1] verklaard dat dit op 18 september 2018 verstuurde sms-bericht met de inhoud “1650” op hennepstekken zou kunnen zien. Op 20 september 2018 vroeg [verdachte 1] aan hetzelfde contact om “1590”. Uit het tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” (de man met het Brabantse accent) van 19 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] in die twee weken ervoor ook bestellingen van “ [bijnaam verdachte 3] ” heeft ontvangen. Laatstgenoemde zegt in dat gesprek immers: “Vorige week, de week ervoor heb ik alles gegeven wat ik had die 1770”. “Paniek” op 20 en 21 september 2018 en identificatie van [bijnaam verdachte 3] [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat er op 20 september 2018 sprake was van onrust, omdat er rond werd verteld dat hij “in de hennepstekken zat”. Uit een tapgesprek op 20 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] zo spoedig mogelijk met “ [bijnaam verdachte 3] ” wil spreken, omdat “ [bijnaam verdachte 3] ” iets moest gaan veranderen. [verdachte 1] wilde geen uitleg via de telefoon geven. Voor “ [bijnaam verdachte 3] ” was het lastig om af te spreken, omdat zijn vrouw ieder moment kon bevallen. “ [bijnaam verdachte 3] ” stelde voor om de dag erna even af te spreken, omdat het die dag echt niet ging lukken. De dag erna, op vrijdag 21 september 2018 werd door het observatieteam gezien dat [verdachte 2] om 16.32 uur in een blauwe Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] het terrein van [adres 2] te Haarsteeg op reed en dat hij om 16.40 uur het terrein verliet. Op diezelfde dag hoorde de politie in een tapgesprek tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” dat [verdachte 1] zijn zorgen uitte over het feit dat hij geen vertrouwen meer had “in die plaats” en “daar waar die auto staat”, dat het voor [verdachte 1] een probleem was dat “de taxi naar jou is”, dat hij, [verdachte 1] , “de taxi vandaag nog even moet doen” en dat ze dan zo spoedig mogelijk moesten praten. Ongeveer een half uur later heeft [verdachte 1] telefonisch zijn nieuwe nummer aan “ [bijnaam verdachte 3] ” gegeven. Vervolgens spraken ze af elkaar later die dag in de [fastfood keten] in Best te ontmoeten. Ook stuurde [verdachte 1] diezelfde dag een sms-bericht aan al zijn contacten waarin hij voorstelt om over te stappen op ‘chatten’ via Signal. Er zijn camerabeelden bekeken van de [fastfood keten] in Best van 21 september 2018 tussen 21.50 en 22.25 uur. Daarop is te zien dat [verdachte 1] op de parkeerplaats door een Volkswagen Polo werd afgezet naast een Hyundai. [verdachte 1] en de bestuurder van de Hyundai liepen naar de [fastfood keten] , namen plaats aan een tafel en verlieten later gezamenlijk de [fastfood keten] . Uit de camerabeelden van en de observatie bij de [fastfood keten] in Best op 25 september 2018 omstreeks 20.15 uur blijkt dat [verdachte 1] in zijn BMW X5 met kenteken [kenteken 3] de parkeerplaats van de [fastfood keten] op reed. Even later kwam een Hyundai met kenteken [kenteken 4] de parkeerplaats opgereden. [verdachte 1] liep samen met twee personen, waarvan één een camouflagejas droeg, de [fastfood keten] binnen. Zij gingen samen aan een tafeltje zitten en liepen even later gezamenlijk naar buiten. De twee personen stapten in de Hyundai. Verbalisant [nummer] herkende een van de mannen als [verdachte 3] . [bijnaam verdachte 3] is leverancier [verdachte 3] Uit het onderzoek naar de identiteit van “ [bijnaam verdachte 3] ” is gebleken dat de providerpalen behorende bij de tapgesprekken lieten zien dat de eerste gesprekken tussen [verdachte 1] en “ [bijnaam verdachte 3] ” in de omgeving van Velddriel hebben plaatsgevonden. Rond de afspraak van 21 september 2018 vonden deze plaats in omgeving Best, en daarna weer in de omgeving van Velddriel. Op 25 september 2018 zag het observatieteam dat de man die [verdachte 1] ontmoette reed in de auto met kenteken [kenteken 4] op naam van [naam 1] . [naam 1] heeft een dochter die staat ingeschreven op het adres [adres 3] te Velddriel, net als [verdachte 3] (geboren op [datum] 1977 en in 2018 dus 40-41 jaar oud). De man op de camerabeelden bij de [fastfood keten] past in het signalement van een persoon van 40 jaar. De pasfoto van [verdachte 3] , opgevraagd bij gemeente Maasdriel, komt overeen met de persoon die te zien is op de camerabeelden. Ook volgens het observatieteam komt de persoon op de pasfoto overeen met de man die aanwezig was in de [fastfood keten] op 21 september
- Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd door de politie geïdentificeerd als ‘dealtelefoon’ van [verdachte 1] . [verdachte 3] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .Uit de historische belgegevens van de ‘deal’-telefoon van [verdachte 1] over de periode 15 maart 2018 tot en met 9 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] iedere week, vaak meerdere malen, contact hadden en dat zij in deze periode in totaal 184 keer contact hadden via sms-berichten of telefoongesprekken. Gegevens van vóór 15 maart konden niet worden verkregen. In de tapgesprekken worden getallen zoals “1650”, “1770” en “1590” genoemd. Tussenconclusies Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf zijn woonadres in hennepstekken heeft gehandeld. Op basis van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] in combinatie met de uitgevoerde observaties kan worden vastgesteld dat de afnemers in ieder geval vanaf 1 juni 2018 (toen de observaties begonnen) bij de woning van [verdachte 1] moesten zijn voor het ophalen van de bestelde hennepstekken en dat [verdachte 2] daaraan meewerkte. Gelet op de telefoontaps tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] , en de zeer kortstondige bezoeken van [verdachte 2] aan Haarsteeg die “passen” bij de inhoud van die telefoontaps, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de vrijdagmiddagritjes van [verdachte 2] naar Haarsteeg werden afgelegd om aldaar hennepstekken voor [verdachte 1] op te halen. De rechtbank merkt op dat Velddriel, de woonplaats van [verdachte 3] , volgens ‘Google Maps’ ongeveer 15 minuten rijden met de auto van Haarsteeg ligt. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte 3] “ [bijnaam verdachte 3] ” is en dat hij de leverancier van die hennepstekken was, aangezien hij in het tapgesprek van 19 september 2018 zei dat hij “vorige week, de week ervoor” (naar de rechtbank begrijpt: én de week ervoor) alles had gegeven en [verdachte 2] in die weken naar Haarsteeg is gereden. [verdachte 2] zorgde er aldus voor dat de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken werden opgehaald en uiteindelijk bij de afnemers van [verdachte 1] terecht kwamen, waarbij de uitlevering plaatsvond bij de woning van [verdachte 1] . Uit de inhoud van de telefoontaps en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [verdachte 1] ongeveer 1500 hennepstekken per week bij [verdachte 3] bestelde. Uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] is, zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden. Handel in hennepstekken vanuit loods [adres loods 1] te Schinveld [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard, dat de hennepstekken in [winkel 1] werden besteld en aanvankelijk vanuit de woning van [verdachte 1] in Sittard werden geleverd. Naar aanleiding van de onrust op 20 september 2018 is de afleverplek van de hennepstekken veranderd van de woning van [verdachte 1] naar de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Op 1 oktober 2018 heeft [verdachte 3] telefonisch aan [verdachte 1] gevraagd of het uit kwam om een dag later omstreeks 19.15 uur naar het adres te komen dat [verdachte 1] op een briefje had gegeven. [verdachte 3] zou met een chauffeur komen waarmee [verdachte 1] verder zou kunnen. [verdachte 1] wilde liever niet naar die locatie komen en zou ervoor zorgen dat “die ene jongen” daar zou zijn, zodat [verdachte 3] met hem kon praten. Een dag later, op 2 oktober 2018, werd de woning van [verdachte 3] aan de [adres 3] te Velddriel geobserveerd. Om 17.43 uur reed een Kia Sportage met kenteken [kenteken 5] – met daarin (de later door verbalisanten herkende) [verdachte 5] als chauffeur en [verdachte 3] als bijrijder – de oprit van de woning af. In een telefoongesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] die dag om 18.28 uur zei [verdachte 3] dat hij nog 50 kilometer moest afleggen en dat hij verwachtte binnen een half uur á 3 kwartier te arriveren. Om 19.04 uur stopte de Kia voor een loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Om 19.06 uur stopte een Citroën Saxo [kenteken 6] naast de Kia. De bestuurder van de Citroën werd door verbalisant [nummer 2] herkend als [verdachte 4] . [verdachte 4] liep in de richting van de Kia en was via het geopende raam van de Kia in gesprek met [verdachte 5] en [verdachte 3] . [verdachte 4] stak een wit papiertje door het geopende bestuurdersportier van de Kia, liep zonder het papiertje terug naar zijn auto en reed om 19.21 uur weg. De Kia bleef staan. Om 19.22 uur arriveerde [verdachte 1] in zijn Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] en ging met [verdachte 5] en [verdachte 3] in gesprek. Later die avond, om 19.44 uur, belde [verdachte 1] naar [verdachte 4] en zei dat [verdachte 4] op hem had kunnen wachten. [verdachte 1] zei dat hij wat later was gearriveerd en dat hij “hem” (een derde) nog even heeft gezien. Tussen 26 oktober 2018 en 16 november 2018 werd de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld en de woning van [verdachte 4] aan de [adres 4] te Schinveld geobserveerd. Uit de observaties op de vrijdagen 26 oktober 2018, 2 november 2018 en 9 november 2018 bleek dat [verdachte 5] telkens omstreeks 17.00 uur aankwam bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld en korte tijd later weer vertrok. Op 2 november 2018 is door het observatieteam waargenomen dat, vlak voor het binnenrijden van de loods, de gehele ruimte van de achterbank en kofferbak van de auto van [verdachte 5] vol lag met – door dekens afgedekte – kratten en dozen, die er na het vertrek van de auto uit de loods niet meer in lagen. Op 9 november 2018 werd tevens waargenomen dat [verdachte 6] om 18.03 uur met zijn voertuig de loods in reed en korte tijd later weer vertrok. Dat bezoek past bij het tapgesprek tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] waarin zij spraken over het aanleveren van “1030” door [verdachte 6] om 18.00 uur. Op alle genoemde vrijdagen is vanaf 19.00 uur waargenomen dat er verschillende auto’s bij de loods arriveerden, dat de auto’s achteruit de loods in reden en dat deze enkele minuten later weer wegreden. Hierbij werd steeds gezien dat [verdachte 4] vanuit de woning aan de [adres 4] naar de loods aan de [adres loods 1] liep, de schuifdeuren van de loods voor de gearriveerde auto’s opende en de schuifdeuren na het vertrek van de auto’s ook weer afsloot. Tijdens de observatie op 16 november 2018 werd waargenomen dat [verdachte 4] om 15.49 uur in een stilstaande Citroën Saxo met kenteken [kenteken 6] op de Provinciale weg in Kerkdriel zat te bellen. Eerder die dag was [verdachte 5] naar (de plaats) Zeeland gereden. Zijn Kia arriveerde rond 16.00 uur bij het adres Maasbandijk 1A te Kerkdriel, waar [verdachte 5] woont. Omstreeks 16.22 uur reed [verdachte 4] in de Citroën Saxo vanuit Kerkdriel weer in de richting van de A2 en om 18.38 uur stond de Citroën voor de woning van [verdachte 4] aan de [adres 4] te Schinveld. Het observatieteam heeft die avond nog een aantal voertuigen bij de loods gezien, waarvan 2 voertuigen de loods inreden en korte tijd later weer vertrokken. De politie heeft de telefoons met de nummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] getapt. Deze waren in gebruik bij [verdachte 4] . Over de getapte telefoonlijnen kwamen enkele telefoongesprekken voor waarin [verdachte 1] en [verdachte 4] onder meer spraken over de verkoop van “grote honden” en “kleine honden”. Op 20 november 2018 werd tijdens de doorzoeking van de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld een doos in beslag genomen met daarin in totaal 90 hennepstekken van 17 centimeter lang. De verbalisant rook de bij hem ambtshalve bekende geur van hennep en de MMC-test reageerde positief op hennep. Leverancier [verdachte 6] In de tapgesprekken van de telefoon van [verdachte 1] is naar voren gekomen dat [verdachte 1] na 1 september 2018 regelmatig telefonisch contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Nadat dit telefoonnummer werd getapt, kon de gebruiker worden geïdentificeerd als [verdachte 6] . Uit de inhoud van de tapgesprekken bleek dat [verdachte 1] bestellingen bij [verdachte 6] plaatste. In de tapgesprekken is gesproken over hoeveelheden van 380 stuks, 400 stuks, 850 stuks, 600 stuks, 700 à 800 stuks en 1030 stuks. Hiervoor is al gerefereerd aan het bezoek van [verdachte 6] aan de loods op 9 november
- In een op die dag opgenomen tapgesprek om 15.06 uur spreken hij en [verdachte 1] over een hoeveelheid van “1030” voor vandaag om 18.00 uur. Even later, om 18.03 uur, is een Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] op naam van [verdachte 6] geobserveerd als hij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld binnenrijdt. Ook op 14 november 2018 is er een tapgesprek tussen beiden, waarin een afspraak wordt gemaakt voor de dag erna, waarna op 15 november 2018 [verdachte 6] om 19.00 uur geobserveerd wordt als hij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld binnenrijdt. [verdachte 6] heeft ter terechtzitting op 16 en 17 november 2021 verklaard dat hij meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht. [De rechtbank voegt hier in de uitspraak ontneming aan toe:] Hij kreeg van [verdachte 1] € 2,25 tot € 2,50 per stek. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [verdachte 6] aan de [adres 5] te Grevenbicht werden een hennepkwekerij en hennepstekkerij aangetroffen in zijn woning en bijbehorende schuur. In de eerste kweekruimte, gelegen op de zolder van de woning, werden 51 moederplanten en 1848 hennepstekken aangetroffen. In de tweede en derde kweekruimte, gelegen in de schuur naast de woning, werden 145 (kweekruimte 2) en 251 (kweekruimte 3) moederplanten aangetroffen. Tussenconclusies Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af, dat na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 door [verdachte 1] een nieuwe plek werd gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte 2] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Dat de afleverplek van de hennepstekken op enig moment is verplaatst naar de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld, werd ook door [verdachte 1] ter terechtzitting verklaard. [verdachte 2] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Daar waar aanvankelijk een rol was weggelegd voor [verdachte 2] in het ophalen en vervoeren van de hennepstekken vanuit Haarsteeg en de uitlevering daarvan bij de woning van [verdachte 1] , is zijn rol in het vervoer van de hennepstekken daarna overgenomen door de chauffeur van [verdachte 3] , [verdachte 5] . De hennepstekken die [verdachte 1] bij [verdachte 3] bestelde werden door [verdachte 5] telkens op vrijdag omstreeks 17.00 uur bij de loods aan de [adres loods 1] afgeleverd voordat de afnemers deze vanaf omstreeks 19.00 uur kwamen ophalen. [verdachte 4] speelde vanaf 26 oktober 2018 een rol in de aflevering van de hennepstekken aan de verschillende afnemers daarvan vanuit de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Hij stelde de loods daarvoor ter beschikking en zorgde ervoor dat de leveranciers en afnemers van de hennepstekken toegang hadden tot die loods. De rechtbank ziet de gesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 4] over “grote honden” en “kleine honden” als codetaal, bedoeld om te verhullen dat de gesprekken over hennep gingen. Een andere leverancier van hennepstekken naast [verdachte 3] , was [verdachte 6] . [verdachte 6] heeft in de periode van 1 september 2018 tot en met 20 november 2018 meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] geleverd, die hij zelf had geteeld. Aan de hand van de inhoud van de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] vanaf september 2018 valt af te leiden dat er wordt gesproken over hoeveelheden van enkele honderden hennepstekken. Gelet op de genoemde aantallen in de tapgesprekken gaat de rechtbank uit van gemiddeld 500 hennepstekken per week, die door [verdachte 6] werden afgeleverd bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [verdachte 6] op bestelling van [verdachte 1] hoeveelheden van gemiddeld 500 hennepstekken per week bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld afleverde. Afnemers van hennepstekken Uit de telefoontaps bleek dat [verdachte 1] contact had met een afnemer van hennepstekken, die gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] . Op 18 september 2018 ging het gesprek over een partij van 1050 die stond voor vrijdag. Op 20 september 2018 werd aan [verdachte 1] om “300 van die gewone” gevraagd. In het daarop volgende telefoongesprek die dag werd “voor volgende week nog een keer 300” gevraagd. Op 3 oktober 2018 om 09.17 uur werd via de telefoon aan [verdachte 1] doorgegeven dat er nog een lijstje voor hem was. Op 3 oktober 2018 werd om 14.54 uur een tapgesprek opgenomen en beluisterd waarin de gebruiker van dat telefoonnummer begon met “Ja met [naam 2] ” en waaruit bleek dat hij en [verdachte 1] elkaar “zo” gingen zien. Die dag reed om 15.05 uur een Peugeot Partner [kenteken 9] de parkeerplaats bij [winkel 1] (de winkel van [verdachte 1] ) op. De BMW X5 van [verdachte 1] stond al op de parkeerplaats. Het kenteken van de Peugeot staat op naam van [bedrijf 1] te Limbricht en [naam 2] is daarvan de enige aandeelhouder en bestuurder. Uit deze combinatie van gegevens kon worden vastgesteld dat [naam 2] de afnemer is aan wie de telefoonnummers toebehoren. [verdachte 1] belde diezelfde dag om 15.40 uur naar [naam 2] met de mededeling dat wat was opgeschreven, “die 950 he”, gewoon eerder kon. Op vrijdag 9 november 2018 werd bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld gezien dat de Peugeot Partner met kenteken [kenteken 9] om 19.19 uur achteruit de loods in reed en 6 minuten later weer vertrok. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [naam 2] , gelegen aan de [adres 7] te Limbricht, werden onder andere een niet in gebruik zijnde hennepkwekerij en ruim 1,1 kilogram henneptoppen aangetroffen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2018 bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld 120 hennepstekken heeft opgehaald. Hij had deze 3 weken eerder bij [winkel 1] besteld. Dit bezoek is door het observatieteam omstreeks 19.00 uur die avond waargenomen. [De rechtbank voegt hier in de uitspraak ontneming aan toe:] Het waren Amnesiastekken en hij heeft € 5,00 per stek betaald. Tijdens een doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van de woning van [getuige 2] , gelegen aan de [adres 8] te Munstergeleen, een hennepkwekerij met daarin 140 hennepplanten aangetroffen. Getuige [getuige 1] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 340 hennepstekken bij [winkel 1] heeft besteld en dat hij deze 4 weken geleden bij de loods aan de [adres loods 1] te Schinveld heeft opgehaald. [De rechtbank voegt hier in de uitspraak ontneming aan toe:] Het betrof Amnesiastekken. Per stek heeft hij € 5,00 betaald. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 is in de garage van [getuige 1] , gelegen op [adres 9] te Sittard, een hennepkwekerij met daarin 323 hennepplanten aangetroffen. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3 (hennepstekkenhandel) Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, voldoende om te kunnen spreken van medeplegen, tussen in ieder geval [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 6] , [verdachte 4] en [verdachte 5] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering van de teelt van en handel in hennepstekken. [verdachte 1] verkocht vanuit [winkel 1] de hennepstekken en regelde vanaf welke locatie die konden worden opgehaald. [verdachte 3] en [verdachte 6] waren de vaste leveranciers en hadden rechtstreeks contact met [verdachte 1] , die de bestellingen doorgaf. [verdachte 2] haalde aanvankelijk de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken op in Haarsteeg en zorgde in het begin (toen de klanten van [verdachte 1] de hennepstekken nog bij diens woning konden ophalen) steeds voor het verplaatsen van de bestelbus met daarin de hennepstekken op en van het terrein van [verdachte 1] , zodat diens bedrijf en de woning “schoon” bleven. Later, vanaf 26 oktober 2018, werd [verdachte 5] ingezet als chauffeur die de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken naar Schinveld bracht en het was [verdachte 4] die regelde dat die konden worden afgeleverd in de loods aan de [adres loods 1] en daar ook konden worden opgehaald door de klanten van [verdachte 1] . De verklaring van [verdachte 1] dat het slechts om kleinere hoeveelheden hennepstekken ging, acht de rechtbank onaannemelijk. Uit de getapte telefoongesprekken en sms-berichten blijkt dat het om grote hoeveelheden van ongeveer 2000 hennepstekken per week ging: ongeveer 1500 van [verdachte 3] en nog eens 500 van [verdachte 6] . De rechtbank ziet, gezien de inhoud van de bewijsmiddelen, geen reden om van andere hoeveelheden uit te gaan.” Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met bijlagen In dit rapport heeft verbalisant [verbalisant 4] onder andere een berekening gemaakt van het voordeel dat [verdachte 1] door middel van dit feit heeft verkregen. In hoofdstuk 8 van dit rapport staat ten aanzien van de handel in hennepstekken: “8.2 Handel in hennepstekken Uit het onderzoek blijkt dat [verdachte 1] reeds enige tijd handelde in hennepstekken. Verdachte [verdachte 1] heeft vooralsnog geen, nader te verifiëren, openheid van zaken gegeven over de aantallen en prijzen waarvoor hij de hennepstekken inkoopt en verkoopt alsmede de periode waarin deze activiteiten werden verricht. Uit de beschikbare onderzoeksinformatie blijkt dat verdachte [verdachte 1] voornamelijk als eindverkoper fungeerde. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte [verdachte 1] zal worden uitgegaan van de onderzoeksbevindingen en het gestelde in de berekeningsmethodiek van het BOOM 2006 en de Update
- Voor de berekening is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: 8.2.1 Hoeveelheid geleverde hennepstekken Uit het onderzoek blijkt dat het aannemelijk is dat verdachte [verdachte 1] iedere week minimaal 2.000 hennepstekken verhandelde. In paragraaf 7.2 is uiteengezet dat door meerdere leveranciers hennepstekken worden aangeleverd, waarvan alleen al door verdachte [verdachte 3] circa 1.500 hennepstekken per week werden aangeleverd. Verdachte [verdachte 6] heeft, in de onderzoeksperiode eveneens vermoedelijk meermaals meer dan 500 hennepstekken per week geleverd. Verdachte [verdachte 1] heeft, door bij elk verhoor een beroep te doen op zijn zwijgrecht, vooralsnog geen concrete en verifieerbare verklaring inzake de stekkenhandel afgelegd. In het voordeel van verdachte is ‘slechts’ rekening gehouden met de verkoop van 2.000 hennepstekken per week. 8.2.2 Prijs hennepstekken Gedurende het onderzoek is bekend geworden dat verdachte [verdachte 1] zijn hennepstekken verkocht voor € 5,00 per hennepstek. Dit werd verklaard door twee afnemers en is reeds beschreven in paragraaf 7.
- Uit het onderzoek is vooralsnog niet gebleken dat verdachte [verdachte 1] ook ‘gewone’ hennepstekken voor € 3,50 per hennepstek heeft verhandeld. Verdachte [verdachte 1] heeft, door bij elk verhoor een beroep te doen op zijn zwijgrecht, vooralsnog geen concrete en verifieerbare verklaring inzake de gehanteerde prijzen afgelegd. In het voordeel van verdachte is echter toch rekening gehouden met een aandeel van 25 procent ‘gewone’ hennepstekken. Dit is voor de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van verdachte aangezien de ‘winstmarge’, voor zover bekend, kleiner is. Het uitgangspunt is dat de overige 75 procent bestaat uit ‘amnesia’ hennepstekken. 8.2.3 Rol: tussenhandelaar en/of eindverkoper hennepstekken Gedurende het onderzoek werd duidelijk dat verdachte [verdachte 1] zich zowel als eindverkoper en tussenhandelaar heeft gedragen. Stekkenleverancier [verdachte 3] , waarvan vermoedelijk wekelijks grote partijen hennepstekken werden afgenomen, betrof eveneens een tussenhandelaar. Op basis daarvan zijn de onderstaande mogelijke leveringsscenario’s onderzocht. [afbeelding 1] Gedurende het onderzoek is niet duidelijk geworden welk aandeel van de verkopen werd gedaan van/via/aan tussenhandelaren dan wel rechtstreeks van/aan de hennepstekkenkweker en de hennepkwekerij. Wel duidelijk is dat een groot deel van de hennepstekken werd aangevoerd via tussenhandelaar [verdachte 3] en de hennepstekken, voor zover bekend grotendeels (rechtstreeks) bestemd waren voor de hennepkwekerijen. Scenario 3 uit de voorgaande tabel is, gezien de verdeling van de winstmarges, niet aannemelijk. Verdachte [verdachte 1] heeft, door bij elk verhoor een beroep te doen op zijn zwijgrecht, vooralsnog geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd inzake zijn positie/fase in de leveringen van de hennepstekken. Op basis van voorgaande is het aannemelijk dat de inkoop van de hennepstekken voor 25 procent rechtstreeks van de kweker afkomstig is (scenario 1, in deze rapportage 500 hennepstekken) en voor 75 procent van een tussenhandelaar (scenario 2, in deze rapportage 1 .500 hennepstekken). Dit is voor de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van verdachte aangezien zijn ‘winstmarge’, voor zover bekend, kleiner is. Alle leveringen zijn, op basis van de onderzoeksbevindingen, rechtstreeks bestemd voor hennepkwekerijen. 8.2.4 Periode hennepstekkenhandel Op basis van dit onderzoek is het aannemelijk dat verdachte [verdachte 1] in ieder geval vanaf 1 januari 2017 heeft gehandeld in hennepstekken. Verdachte [verdachte 1] heeft, door bij elk verhoor een beroep te doen op zijn zwijgrecht, vooralsnog geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd inzake de periode dat hij actief was in de hennepstekkenhandel. In de berekening is uitgegaan van een effectieve periode van handel in hennepstekken van 52 weken
(2017)en 46 weken
(2018). In het voordeel van verdachte is op het wederrechtelijk verkregen voordeel een correctie toegepast van 5 weken per kalenderjaar afwezigheid dan wel geen handel. Uit het onderzoek is vooralsnog niet gebleken dat de handel in hennepstekken daadwerkelijk stil lag op de momenten dat verdachte [verdachte 1] afwezig dan wel op vakantie was. 8.2.5 Berekening opbrengst handel hennepstekken Op basis van voorgaande is het aannemelijk dat verdachte [verdachte 1] daarmee, in ieder geval, de onderstaande opbrengst heeft gegenereerd: Uitgangspunten (stelposten) berekening opbrengst: • in- en verkoop 2000 hennepstekken per week: • effectieve periode 52 weken
(2017)+ 46 weken
(2018): • hoewel niet gebleken uit het onderzoek correctie van 5 weken per jaar toegepast: • de ingekochte en geleverde hennepstekken bestaan voor 75% uit ‘amnesia’ en voor 25% uit ‘gewone’ hennepstekken: • ‘amnesia’ hennepstekken en ‘gewone’ hennepstekken elk voor 75% worden ingekocht via een tussenhandelaar (indirect): • ‘amnesia’ hennepstekken en ‘gewone’ hennepstekken elk voor 25% worden ingekocht via een stekkenkweker (direct); • verkoopprijs ‘gewone’ hennepstek bedraagt € 3,50: • inkoopprijs ‘gewone’ hennepstek voor verdachte [verdachte 1] € 1,90 • inkoopprijs ‘gewone’ hennepstek voor tussenhandelaar € 1,90; • inkoopprijs ‘gewone’ hennepstek voor verdachte [verdachte 1] via tussenhandelaar € 3,45 (bij verkoopprijs € 5,00): • verkoopprijs ‘amnesia’ hennepstek € 5,00: inkoopprijs ‘amnesia’ hennepstek voor verdachte [verdachte 1] € 1,90: • inkoopprijs ‘amnesia’ hennepstek voor tussenhandelaar € 1,90: • inkoopprijs ‘amnesia’ hennepstek voor verdachte [verdachte 1] via tussenhandelaar € 3,45 (bij verkoopprijs € 5,00); • gemiddelde verkoopprijs hennepstek aan afnemer/kweker € 3,81 (BOOM, 2016). In het BOOM wordt er vanuit gegaan dat de prijs tussen de kweker van de hennepstekken en de tussenhandelaar verdubbelt. Dit betekent dat de verdachte [verdachte 1] in de periode 1 januari 2017 tot en met 20 november 2018 minimaal € 299.750,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gegenereerd met de handel in hennepstekken. Voorgaande berekening betreft een conservatieve berekening in het voordeel van de verdachte. Op basis van de onderzoeksgegevens, waaruit enkel leveringen zijn gebleken van hennepstekken voor € 5,- (vermoedelijk ‘amnesia’) per hennepstek, zou de winstmarge voor de verdachte [verdachte 1] € 3,10 (zonder tussenhandelaar) respectievelijk € 1,55 (met tussenhandelaar) bedragen. Voor een evenredige periode zou de totale opbrengst voor verdachte [verdachte 1] uitkomen op € 341.000,00 (2017: € 182.125,00 en 2018: € 158.875,00). In het voordeel van verdachte zal uitgegaan worden van een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 299.750,00.” Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte 1] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen. 3.3.3 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 478.904,
- De rechtbank heeft voor de schatting van dit bedrag het hiervoor reeds genoemde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (hierna: het rapport) als uitgangspunt genomen, maar is hier ook op onderdelen van afgeweken. In het onderstaande staat hoe de rechtbank dit bedrag heeft geschat. Het door overtreding van artikel 11a Opiumwet verkregen wederrechtelijk voordeel [verdachte 1] heeft artikel 11a Opiumwet overtreden met zijn eenmanszaak, [winkel 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat nagenoeg alle goederen die door de politie onder [winkel 1] in beslag zijn genomen gebruikt kunnen worden in de grootschalige dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Er zijn nagenoeg geen producten aangetroffen die daarvoor niet gebruikt kunnen worden. De rechtbank heeft in het vonnis, waarbij [verdachte 1] veroordeeld is voor overtreding van artikel 11a Opiumwet ook bewezen geacht dat deze goederen bestemd waren voor de grootschalige- dan wel bedrijfsmatige hennepteelt. Dit oordeel rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de gehele door [winkel 1] behaalde winst is aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit oordeel vindt steun in het rapport, waarin staat dat is getracht vast te stellen of [winkel 1] omzet genereerde met andere activiteiten dan met de verkoop van goederen die bestemd waren voor de georganiseerde teelt van hennep, maar dat uit de administratie van [winkel 1] slechts is gebleken van marginale andere (reguliere) activiteiten. Uitgangspunten van de berekening I: de periode Artikel 11a Opiumwet is op 1 maart 2015 als strafbepaling ingevoerd. Vanaf die datum werd het handelen van [verdachte 1] , de exploitatie van de ‘growshop’, dus strafbaar en is de winst die hij met [winkel 1] behaalde te beschouwen als wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat dan ook uit van een periode 1 maart 2015 tot en met 20 november 2018 voor de schatting van dit voordeel. Uitgangspunten van de berekening II: de wijze van berekenen In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is als uitgangspunt het netto resultaat per boekjaar genomen (met een correctie over het jaar 2015 voor de maanden januari en februari). Vervolgens zijn bij dit nettoresultaat de afschrijvingen (die als kosten het resultaat hebben gedrukt) weer opgeteld. In het rapport is dit als volgt verantwoord: “Afschrijvingskosten zijn bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet als kosten bestempeld, daar het geen daadwerkelijke ‘uitgaven’ betreffen ten behoeve van het vermoedelijk gepleegd strafbaar feit. Deze boekhoudkundige kosten staan niet in een directe relatie tot het gepleegde delict. Uit de boekhouding is namelijk niet gebleken dat de betreffende afschrijvingen betrekking hebben op gedane investeringen voor het plegen van de (vermoedelijke) overtreding. Daarnaast blijkt niet uit de boekhouding dat de gedane ‘investeringen/kosten’ behorende bij de afschrijvingen zijn verricht in de onderzoeksperiode. Voor de afschrijvingen bestaat derhalve geen directe relatie met het strafbare feit. Alle andere bedrijfskosten, waaronder energiekosten, administratiekosten, telefoonkosten enzovoorts, zijn overeenkomstig met de boekhouding als aftrekbare kosten aangemerkt.” De verdediging heeft bezwaar gemaakt tegen de in het rapport gehanteerde uitgangspunten. Zij stelt zich op het standpunt dat niet de winst als uitgangspunt moet worden genomen. Volgens de verdediging is winst toename van het eigen vermogen en maakt de niet-verkochte voorraad deel uit van dit vermogen. De waarde van deze voorraad (waarvan de verbeurdverklaring is bevolen) zou van de winst moeten worden afgetrokken. Daarnaast zouden de afschrijvingen juist wel moeten worden meegenomen. De verkopen in de winkel konden alleen plaatsvinden met behulp van bedrijfsmiddelen waarin is geïnvesteerd, maar welke investeringen niet in één keer als kosten mochten worden opgevoerd, maar verspreid over meerdere jaren moesten worden afgeschreven. De strafzaak en de daarop gevolgde sluiting van de winkel geven aanleiding tot een versnelde afschrijving. Er zou, kortom, volgens de verdediging juist een hoger bedrag aan afschrijvingen in mindering op de winst moeten worden gebracht. Het oordeel van de rechtbank over de waarde van de voorraad De rechtbank volgt de verdediging in zoverre in haar verweer dat de toename van de (waarde van de) voorraad in de periode waarover het wederrechtelijk voordeel wordt berekend, in aftrek dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De kosten voor deze ingekochte, maar niet verkochte voorraad zijn immers wel door [verdachte 1] betaald, maar niet afgetrokken van de netto winst. Het deel van de voorraad dat op 1 maart 2015 al binnen [winkel 1] aanwezig was, komt niet voor aftrek in aanmerking, nu dit deel van de voorraad niet is betaald met wederrechtelijk verkregen omzet. De rechtbank heeft geen stukken op basis waarvan zij de waarde van de voorraad op 1 maart 2015 én op 20 november 2018 kan vaststellen, zodat zij zal uitgaan van de beginwaarde van de voorraad op 31 december 2015, volgens de balans van € 52.000,00 en van de eindwaarde per ultimo 2017, blijkens de balans van € 96.
- De toename van deze waarde, te weten € 44.224,00 zal in mindering worden gebracht op het netto resultaat ter schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het oordeel van de rechtbank over afschrijvingen op inventaris/vervoermiddelen De rechtbank volgt de verdediging niet geheel in de opmerking dat de afschrijvingen wél in mindering op de winst en dus het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden gebracht. Blijkens de jaarstukken vanaf 2015 hebben de afschrijvingen plaatsgevonden op de inventaris en vervoermiddelen van [winkel 1] . De inventaris stond al op de balans vanaf 2015 en de aanschafwaarde daarvan is dus niet ten laste gekomen van het voordeel van [winkel 1] in de hier ter zake doende periode. De afschrijvingen hierop zijn dan ook terecht in het rapport niet meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wel blijkt dat op de balans van 2016 een verhoging met een bedrag van € 14.100,00 op de post “vervoermiddelen” plaatsvindt. Kennelijk is er in 2016 een nieuw bedrijfsvoertuig aangeschaft. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] betreft, die blijkens de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 november 2018 bouwjaar 2016 heeft en waarvan de waarde wordt geschat op € 13.000,
- De rechtbank acht het redelijk om de afschrijvingen op dit vervoermiddel, dat mede is gebruikt voor het plegen van de strafbare feiten, wel ten laste te laten komen van de winst van [winkel 1] , en dus van het door [verdachte 1] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. De afschrijving bedroeg € 3.055,00 in
- De rechtbank zal dezelfde afschrijving meenemen over
- Eindoordeel berekening wederrechtelijk voordeel met betrekking tot 11a Opiumwet Nu tegen de berekening in het rapport verder geen verweer is gevoerd en de rechtbank geen aanleiding ziet om hiervan af te wijken, wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt berekend: 2015 Nettoresultaat 2015 € 236.200,00 +/+ Afschrijvingen 2015 € 4.790,00 . Totaal resultaat 2015 € 240.990,00 Nettoresultaat januari + februari 2015 € 120.460,95 +/+Afschrijvingen januari + februari 2015 € 798,26 . -/- Totaal resultaat januari + februari 2015 € 121.259,21 Totaal nettoresultaat 2015 € 119.730,79 (01-03-2015 t/m 31-12-2015) 2016 Nettoresultaat 2016 € 97.054,50 -/- Afschrijvingen 2016 € 2.514,62 (negatief in verband met boekresultaat!) € 94.539,88 Totaal nettoresultaat 2016 € 94.539,88 (01-01-2016 t/m 31-12-2016) 2017 Nettoresultaat 2017 € 100.482,74 +/+ Afschrijvingen 2017 € 3.339,06 -/- correctie afschrijving Peugeot Expert € 3.055,00 € 100.766,8 Totaal nettoresultaat 2017 € 100.766,8 (01-01-2017 t/m 31-12-2017) 2018 Nettoresultaat 2018 € 110.552,63 -/- Afschrijving Peugeot Expert € 3.055,00 € 107.497,63 Totaal nettoresultaat 2018 € 107.497,63 (01-01-2018 t/m 31-10-2018) Subtotaal: € 422.535,10 Minus voorraadtoename € 44.224,00 Totaal: € 378.311,10 Het met de handel in hennepstekken wederrechtelijk verkregen voordeel Uitgangspunten van de berekening I: de periode [verdachte 1] is veroordeeld voor het medeplegen van de handel in hennepstekken over de periode 1 juni 2018 tot en met 20 november
- De rechtbank acht evenwel op grond van de zich in het dossier bevindende tapgesprekken tussen [verdachte 1] en zijn stekkenleverancier [verdachte 3] voldoende aanwijzingen aanwezig dat deze hennepstekkenhandel ook daarvoor al plaatsvond, in ieder geval ook al vanaf 15 maart
- Hiervoor wordt verwezen naar de bewijsmiddelen. Dit betreft een periode van 35 weken. Wat betreft de stekken die [verdachte 1] betrok van [verdachte 6] , heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat de startdatum daarvan eerder is gelegen dan 1 september
- Dit betreft een periode van 11 weken. Uitgangspunten van de berekening II: de hoeveelheid stekken Uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, die de TCI-startinformatie voor een groot deel bevestigen, valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] wekelijks 1.500 hennepstekken afnam van [verdachte 3] . In de tapgesprekken tussen hen beiden gaat het over hoeveelheden van 1.500, 1.650 of 1.770 stekken per keer. De stelling van [verdachte 1] dat dat “uitschieters” waren, is niet onderbouwd en komt de rechtbank niet geloofwaardig voor. De rechtbank gaat dus op basis van de beschikbare informatie uit van 1.500 stekken per week, geleverd door [verdachte 3] en doorverkocht door [verdachte 1] . Over een periode van 35 weken betreft dit in totaal 52.500 hennepstekken. Wat betreft de van [verdachte 6] afgenomen stekken gaat de rechtbank op grond van de getapte telefoon gesprekken uit van 500 stekken per week. Over een periode van 11 weken betreft dit 5.500 stekken. Uitgangspunten van de berekening III: de winst per stek [verdachte 6] heeft verklaard dat [verdachte 1] aan hem € 2,25 tot € 2,50 per stek betaalde. De rechtbank zal uitgaan van het – voor [verdachte 1] meest gunstige - bedrag van € 2,50 per stek. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij € 5,00 per stek aan [verdachte 1] hebben betaald. Op basis van deze verklaringen zou vastgesteld kunnen worden dat [verdachte 1] € 2,50 per stek winst heeft gemaakt. [verdachte 1] heeft zelf verklaard dat zijn winst € 1,00 per stek bedroeg, hetgeen gelet op het voorgaande niet geloofwaardig is. In het rapport is uitgegaan van een ander – voor [verdachte 1] – gunstiger uitgangspunt. Het rapport gaat – kennelijk op basis van de TCI-informatie – uit van twee verschillende soorten verhandelde stekken: “gewone” stekken en “amnesia” stekken. Ook [verdachte 1] heeft verklaard dat hij zowel gewone als amnesia stekken verkocht. In het rapport wordt ervan uitgegaan dat 25% van de door Van Berg verkochte stekken “gewone” stekken betrof en 75% amnesiastekken. [verdachte 1] heeft dit uitgangspunt niet bestreden. Verder wordt in het rapport rekening gehouden met verschillende winstmarges, te weten de winstmarge in de situatie waarin er naast [verdachte 1] nog een “tussenhandelaar” is betrokken en de winstmarge in de situatie waarin [verdachte 1] de enige tussenhandelaar is tussen de hennepstekkenkweker en de eindafnemer. In de eerste situatie wordt de winstmarge per stek, nu die over twee personen wordt verdeeld, immers lager. In het rapport is ervan uitgegaan dat bij 25% van de door [verdachte 1] verkochte stekken sprake is geweest van een situatie waarin de stekken rechtstreeks afkomstig waren van de kweker en dat bij 75% van de door [verdachte 1] verkochte stekken sprake was een situatie waarin een tweede tussenhandelaar heeft gefungeerd, ofwel als leverancier van stekken aan [verdachte 1] , ofwel als afnemer van [verdachte 1] . In het rapport is voorts ervan uitgegaan dat in het rapport van Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) de aanschafprijs voor een hennepstek door een eindgebruiker is vastgesteld op € 3,81 per stek en dat de prijs tussen de kweker en de afnemer verdubbelt. In het rapport wordt vervolgens de te hanteren winstmarges per stek als volgt vastgesteld: De winstmarge op gewone hennepstekken zonder tweede tussenhandelaar: € 1,60 De winstmarge op gewone hennepstekken met een tweede tussenhandelaar: € 0,80 De winstmarge op amnesia hennepstekken zonder tweede tussenhandelaar: € 3,10 De winstmarge op amnesia hennepstekken met een tweede tussenhandelaar: € 1,55 De rechtbank kan deze berekening echter niet volgen, nu deze lijkt uit te gaan van een inkoopprijs van € 1,90 per stek, ongeacht of het een amnesiastek of een gewone stek betreft. Dat uitgangspunt is niet te volgen en komt ook niet overeen met de verklaring van [verdachte 6] dat [verdachte 1] hem € 2,50 per stek betaalde. De rechtbank zal deze prijzen dan ook niet overnemen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dit voordeel, wel met inachtneming van de voorgaande, niet betwiste uitgangspunten, als volgt berekenen. De berekening van de rechtbank [verdachte 1] heeft in totaal 58.000 stekken verkocht (52.500 afgenomen van [verdachte 3] en 5.500 afgenomen van [verdachte 6] ). Ervan uitgaande dat hiervan 25% gewone stekken en 75% amnesia stekken waren, is die verdeling als volgt: 25% * 58.000 = 14.500 gewone stekken 75% * 58.000 = 43.500 amnesia stekken De door [verdachte 1] gehanteerde verkoopprijs van gewone stekken is – onweersproken - € 3,
- De prijs van de amnesiastekken was € 5,
- De verkoopopbrengst voor [verdachte 1] was dan ook: 14.500 * € 3,50 = € 50.750,00 43.500 * € 5,00 = € 217.500,00 + Totaal € 268.250,00 Wat is dan de winst? Blijkens de – niet weersproken – uitgangspunten uit het rapport was er in 25% van de gevallen geen tussenhandelaar en ging de prijs van een hennepstek één keer over de kop (dit geldt ongeacht of het gaat om gewone of amnesiastekken). Dat wil zeggen dat zowel de hennepstekkenkweker als [verdachte 1] daar evenveel aan overhielden. Dat betekent dat van 25% van de totale verkoopopbrengst de winstmarge 50% was. Van de overige 75%, dus met een tweede tussenhandelaar, ging de inkoopprijs twee keer over de kop (ook hier, ongeacht of het gaat om gewone of amnesiastekken). Dat wil zeggen dat [verdachte 1] , de stekkenkweker en de tweede tussenhandelaar daar evenveel aan overhielden. Dat betekent dat van 75% van de totale verkoopopbrengst de winstmarge 1/3 (33,3%) is. Op basis van dit uitgangspunt is de winst als volgt te berekenen: (25% van € 268.250,00 = € 67.062,5) * 50% = € 33.531,25 (75% van € 268.250,00 = € 201.187,5) / 3 = € 67.062,50 + Totale winst: = € 100.593,75 Het wederrechtelijk met de handel in hennepstekken verkregen voordeel voor [verdachte 1] wordt dan ook geschat op een bedrag van € 100.593,75 Eindconclusie Het totale bedrag aan door [verdachte 1] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook vastgesteld op € 378.311,10 + € 100.593,75 = € 478.904,
- 3.3.4 De op te leggen betalingsverplichting De rechtbank zal aan [verdachte 1] ook de verplichting opleggen tot betaling van € 478.904,85 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft verzocht het bedrag dat [verdachte 1] zal dienen terug te betalen fors te matigen, omdat [verdachte 1] ook is aangeslagen door de Belastingdienst over de geschatte inkomsten uit de handel in hennepstekken. Aan aanslagen zijn opgelegd € 116.429,- over 2017 en € 56.008,- over 2018 en aan vergrijpboetes zijn opgelegd € 37.106,- over 2017 en € 18.045,- over
- Het idee dat de Belastingdienst terugtreedt als een ontneming wordt opgelegd is een sprookje, zo stelt de verdediging, en dit soort kwesties eindigt heel vaak met een dubbele heffing, omdat pas als het CJIB is betaald fiscaal kan worden verrekend, terwijl er tegen die tijd niets meer te verrekenen valt. Wat er ook zij van dit verweer, gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 17 februari 1998, NJ 1998/499), kan het niet worden gevolgd. Voor het overige is geen draagkrachtverweer gevoerd. In het vonnis in de strafzaak tegen [verdachte 1] heeft de rechtbank bij de straftoemeting reeds rekening gehouden met de schending van de redelijke termijn. Om die reden zal zij daar bij het opleggen van de betalingsverplichting niet nogmaals rekening mee houden. 4Het wettelijke voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 478.904,85 (zegge: vierhonderdachtenzeventigduizendnegenhonderdenvier euro en vijfentachtig cent); legt [verdachte 1] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € € 478.904,85 (zegge: vierhonderd acht en zeventig duizend negenhonderd en vier euro en vijfentachtig cent); - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Verkijk, voorzitter, mr. A.P.A. Bisscheroux en mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.A. Colen en mr. S.A.J. Wenders, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 januari
- Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit zaaksdossier 1, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK1-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 888, zaaksdossier 3, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK3-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 230, zaaksdossier 4, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK4-LBRAA18007, gesloten d.d. 1 maart 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 223, zaaksdossier 5, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK5-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 209, zaaksdossier 7, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK7-LBRAA18007, gesloten d.d. 15 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 31, zaaksdossier 8, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK1-LBRAA18007, gesloten d.d. 30 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 704, Inleiding en Algemeen dossier, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer LBRAA18007-ALG, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 162, en Beslagdossier, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, gesloten d.d. 25 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen [winkel 1] [adres 10] d.d. 13 december 2018, pagina’s 158 tot en met 165, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 6 maart 2019, pagina’s 883 tot en met 887, en bijlage I, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres 10] te Geleen. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2018, pagina’s 159 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina 170, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 19 februari 2019, pagina 826 tot en met 828, en bijlage I, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres loods 3] te Sittard. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina’s 172 en 173, en beslagdossier, proces-verbaal onderzoek beslag d.d. 19 februari 2019, pagina’s 844 en 845, en bijlage I, de lijst van in beslag genomen goederen op de [adres loods 3] te Sittard. Zaaksdossier 1, proces-verbaal Elsloo [adres loods 2] d.d. 21 november 2018, pagina’s 174 tot en met 194, en beslagdossier, proces-verbaal van bevindingen binnentreden loods d.d. 20 november 2018, pagina’s 982 en 983, met als bijlage een kavellijst, pagina’s 984 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [voorletters 1] [getuige 3] d.d. 23 januari 2019, pagina
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [voorletters 1] [getuige 3] d.d. 20 november 2018, pagina
- Zaaksdossier 8, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (ex. art 36e 2e lid Sr) d.d. 30 april 2019, pagina’s 1 tot en met 34, met als bijlage Aangifte Inkomstenbelasting 2015 d.d. 21 december 2018, pagina’s 655 tot en met 677, en bijlage Aangifte Inkomstenbelasting 2016 d.d. 21 december 2018, pagina’s 678 tot en met 699, en bijlage Bijlage bij de aangifte 2017, pagina’s 700 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal camerabeelden 26 en 29 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 10 juli 2018, pagina’s 82 tot en met
- Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal d.d. 12 april 2019, pagina 15, en het bevel observatie d.d. 5 juli 2018, pagina’s 64 en
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal camerabeelden 1 en 5 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 3 juli 2018, pagina’s 72 tot en met 81 en het proces-verbaal camerabeelden 26 en 29 juni 2018 [adres 1] Sittard d.d. 10 juli 2018, pagina’s 82 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen loodsen, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 8 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie vrijdag 21 september 2018 d.d. 16 oktober 2018, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 9 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 11 en
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 23 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal camerabeelden [fastfood keten] Best
(1e)d.d. 26 september 2018, pagina’s 34 tot en met 39. Zaaksdossier 3, proces-verbaal camerabeelden [fastfood keten] Best
(2e)d.d. 29 september 2018, pagina’s 40 tot en met
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 23 oktober 2018, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2018, pagina’s 51 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal stekkenhandel [verdachte 3] d.d. 22 januari 2019, pagina’s 216 tot en met 219, met als bijlage de lijst historische verkeersgegevens, pagina’s 220 tot en met 223, en zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 5 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 4 oktober 2018, pagina’s 56 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 4 oktober 2018, pagina’s 58 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 30 oktober 2018, pagina 64, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina 71, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 30 oktober 2018, pagina’s 64 en 65, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 5 november 2018, pagina 71, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina’s 73 en
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina 77, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 november 2018, pagina
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina’s 77 tot en met
- Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 19 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres loods 1] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina’s 202 tot en met 204, en zaaksdossier 3, kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres loods 1] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina
- Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal Pv stemherkenning [verdachte 6] d.d. 13 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 5 tot en met
- Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina’s 81 en
- Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 12, en zaaksdossier 5, proces-verbaal van observatie d.d. 5 december 2018, pagina
- Proces-verbaal van terechtzitting verklaring [verdachte 6] . Zaaksdossier 5, proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 24 november 2018, pagina 46 tot en met 51, met als bijlagen een fotomap, pagina’s 52 tot en met 70, en kennisgevingen van inbeslagneming, pagina’s 71 tot en met 76, en een ruimlijst, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en 31, en zaaksdossier 4, een ander geschrift, zijnde proces-verbaal Lokale Politie te Genk, eerste verhoor tijdens arrestatietermijn d.d. 16 oktober 2018, pagina 79, en zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina’s 5 tot en met 12 en
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en
- Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina
- Beslagdossier, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 21 november 2018, pagina’s 471 en 472, met als bijlage een kavellijst, pagina 477 en
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 21 november 2018, pagina’s 603 en
- Zaaksdossier 7, proces-verbaal van bevindingen stekkenhandel [verdachte 1] d.d. 27 november 2018, pagina’s 12 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 28 december 2018, pagina’s 569 tot en met
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [voorletters 2] [getuige 1] d.d. 21 november 2018, pagina’s 241 en
- Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 januari 2019, pagina’s 210 tot en met
- Zaaksdossier 8, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (ex. art 36e 2e lid Sr) d.d. 30 april 2019, pagina’s 1 tot en met
- Zaaksdossier 8, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (ex. art 36e 2e lid Sr) d.d. 30 april 2019, pagina’s 1 tot en met
- Zaaksdossier 8, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (ex. art 36e 2e lid Sr) d.d. 30 april 2019, pagina
- Zaaksdossier 8, de bijlage Aangifte Inkomstenbelasting 2015 d.d. 21 december 2018, pagina
- Zaaksdossier 8, de bijlage Bijlage bij de aangifte 2017, pagina
- Conservatoir beslagdossier, het ongenummerd pv aanvraag machtiging tot handhaven van beslag als conservatoir beslag d.d. 14 januari 2019, pagina 6 van dat proces-verbaal, met als bijlage de ongenummerde kennisgeving van inbeslagneming d.d. 26 november 2018.