RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03/168284-22 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 september 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 1997, wonende te [adres] . 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 september
(2014)in acht moeten worden genomen. Dit rapport vermeldt onder meer: Een uitzondering op dit algemene uitgangspunt [dat de handhaving van wet- en regelgeving uit de algemene middelen wordt gefinancierd] is mogelijk indien (…) individuele (…) personen (…) de overheid aanwijsbaar noodzaken tot meer dan regulier toezicht en handhaving (het ‘veroorzaker betaalt’-beginsel). 7.4.3 De bespreking van het standpunt van de officier van justitie Materiële kosten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om de specifieke kosten per ruiming uit te rekenen en dat om die reden wordt gerekend met gemiddelden. Het bedrag van € 1.206,00 zou het gemiddelde bedrag zijn aan materiële kosten voor het ruimen van een hennepkwekerij in 2022, ongeacht de omvang ervan. Voor het openbaar ministerie en de Nationale Politie zou dit dan ook het daadwerkelijke bedrag aan materiële kosten zijn voor het ruimen van de hennepstekkerij in deze zaak. De rechtbank begrijpt dat tussen het openbaar ministerie, de Nationale Politie en DRZ afspraken zijn gemaakt over aantallen ruimingen, werkprocessen en kosten en dat deze afspraken erin hebben geresulteerd dat wordt gerekend met gemiddelden. Uit het oogpunt van efficiency en kostenbesparing lijkt dit een logische keuze. Dit betekent echter niet dat deze gemiddelde kosten van een ruiming de basis kunnen vormen voor de bepaling van de kosten die mogen worden afgewenteld op een verdachte in een concrete zaak. Ten eerste is het normbedrag per ruiming geen uitdrukking van de kosten die ten laste komen van de staat, omdat dit gaat over een betalingsverplichting tussen verschillende onderdelen van de staat. Ten tweede vermeldt de Memorie van Toelichting uitdrukkelijk dat de vernietigingskosten per geval berekend moeten worden en geeft deze toelichting hiervoor ook duidelijke handvatten. In de Memorie van Toelichting wordt overigens wel de mogelijkheid besproken om te rekenen met gemiddelden. Zo wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de vernietiging van een bepaalde partij voorwerpen alleen inzichtelijk gemaakt en verantwoord kan worden op basis van de gemiddelde kostprijs van de vernietiging van de desbetreffende stof per kilo. Dit is echter iets anders dan het uitgangspunt van een gemiddelde kostprijs voor een ruiming van een hennepkwekerij. De officier van justitie heeft nog naar voren gebracht dat een groot deel van de kosten van een ruiming niet afhankelijk is van de omvang van de kwekerij, zodat een toegespitste berekening niet alleen onmogelijk maar ook overbodig zou zijn. Uit het dossier blijkt echter niet hoe groot dit deel dan zou zijn en waarom dat het geval is. Het is voor de rechtbank moeilijk voor te stellen dat de kosten van een ruiming van een eenvoudige hennepkwekerij van enkele tientallen planten bijna gelijk zijn aan die van een ruiming van een professionele kwekerij van enkele duizenden planten. Het gegeven dat de manuren op locatie significant verschillen tussen de zaken die op dezelfde dag ter zitting zijn behandeld, is in elk geval een aanwijzing dat verdere differentiatie mogelijk en naar het oordeel van de rechtbank ook nodig is. Hoe logisch en efficiënt de werkwijze van het ruimen van kwekerijen dan ook mag zijn, het mag er niet toe leiden dat degene die wordt veroordeeld voor het ‘runnen’ van een kleine hennepkwekerij of stekkerij meebetaalt aan de kosten voor het ruimen van een grote kwekerij waarmee hij niets van doen heeft. Dit zou in strijd zijn met de strekking van deze nieuwe wet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie in zijn berekening dan ook onvoldoende oog voor de omvang – in aantal of gewicht van de aangetroffen planten en hoeveelheid apparatuur – van de in deze zaak aangetroffen hennepstekkerij en wordt in het geheel niet inzichtelijk gemaakt wat de daadwerkelijke materiële kosten zijn geweest voor de ruiming ervan. De officier van justitie heeft een kwartaalfactuur van DRZ aan het openbaar ministerie overgelegd om deze materiële kosten te onderbouwen. Dit is echter niet de bedoeling van de wetgever. Uit de geciteerde toelichting blijkt immers dat de wetgever doelt op de factuur van een derde partij aan (in dit geval) DRZ. In deze zaak heeft Kusters Facilities B.V. de ruiming feitelijk uitgevoerd. Enig inzicht had dus al gegeven kunnen en moeten worden door het overleggen van de factuur van deze derde partij. Dat is niet gebeurd. Overigens blijkt uit de Business Case dat de staat een financieel voordeel zou kunnen genieten, als op jaarbasis meer hennepkwekerijen worden geruimd of meer geplande ruimingen plaatsvinden dan op voorhand is begroot. In dat geval zou immers naar rato een bedrag aan de staat worden terugbetaald, terwijl de staat bij toewijzing van de kosten zoals deze nu worden gevorderd het eerder ingeschatte bedrag per ruiming van de verdachte zou hebben ontvangen. Deze mogelijke teruggave is dan ook niet te rijmen met het opleggen van een betalingsverplichting aan een verdachte waarin deze (eventuele) teruggave niet kan worden meegenomen. Niet uitgesloten kan worden dat een verdachte in dat geval wordt verplicht een hoger bedrag te betalen dan het bedrag van de uiteindelijke kosten. Organisatie-/personele kosten De officier van justitie heeft aangegeven dat het op dit moment nog niet mogelijk is om precies vast te stellen hoe hoog de organisatie-/personele kosten zullen zijn. Dit is namelijk afhankelijk van het aantal hennepkwekerijen dat in 2022 zal worden geruimd. De officier van justitie heeft daarom verzocht het aantal ruimingen in 2022 te schatten op 2.028, zijnde het aantal geruimde hennepkwekerijen in het jaar
- Daarmee zouden de organisatie-/personele kosten uitkomen op een bedrag van € 635,60 per ruiming. De Memorie van Toelichting vermeldt dat de kosten zo specifiek mogelijk moeten worden verantwoord indien een betrokken overheidsinstantie deze kosten heeft gemaakt, dat aan de hand van het salaris van ingezette medewerkers een berekening naar rato moet plaatsvinden en dat het verhalen van kosten niet kan zijn gebaseerd op schattingen. Dit betekent dat de officier van justitie ook voor de organisatie- en personele kosten geen gemiddeld normbedrag per ruiming mag hanteren, maar deze totale kosten aan de ruimingen zal moeten toerekenen naar rato van de omvang van de werkzaamheden die aan elke ruiming zijn besteed. Alleen al op grond hiervan kan de vordering van de officier van justitie, voor zover deze ziet op de organisatie-/personele kosten, niet worden toegewezen. Daarbij komt nog dat niet alle werkzaamheden die volgens de officier van justitie vallen onder organisatie- en personele kosten ook kunnen worden gekwalificeerd als kosten in verband met de vernietiging. Op pagina 9 van de Business Case staat een aantal werkzaamheden dat wordt geschaard onder de organisatie-/personele kosten. Deze werkzaamheden zijn dus doorberekend in het door de officier van justitie gevorderde bedrag van € 635,
- Hieronder vallen ook organisatie-/personele kosten die, naar het oordeel van de rechtbank, niet voldoende nauw met de vernietiging van de voorwerpen samenhangen. Dit geldt in deze zaak minstens voor de genoemde audit-werkzaamheden (onder A.) en ondersteunende werkzaamheden (onder C.). Dit zijn kosten die zien op de uitoefening van de publieke taak van de overheid, waarvoor de algemene regel geldt dat deze ten laste zouden moeten komen van de staat. Uit de motivering van de officier van justitie is de rechtbank niet gebleken waarom deze werkzaamheden in dit geval toch moeten worden gekwalificeerd als meer dan regulier toezicht en handhaving in de zin van het rapport waar de wetgever naar verwijst. Op basis van het dossier kan de rechtbank dus niet vaststellen dat deze kosten niet zouden moeten worden gefinancierd uit de algemene middelen maar kunnen worden verhaald op de verdachte. 7.4.4 De bespreking van het standpunt van de verdediging Uit vorenstaande overwegingen blijkt dat de rechtbank op grond van het dossier niet kan vaststellen hoe hoog de kosten zijn geweest die verband houden met de vernietiging van de aangetroffen hennepstekkerij. Zij weet dan ook niet of de door de officier van justitie gevorderde kosten te hoog zijn, zoals door de verdachte is aangevoerd. 7.4.5 De conclusie Op grond van vorenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de officier van justitie, door uit te gaan van de gemiddelde kosten van een ruiming van een hennepkwekerij in Nederland in 2022, niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de daadwerkelijke kosten zijn voor de vernietiging van de hennepstekkerij in deze zaak; de officier van justitie de rechtbank heeft gevraagd om een schatting te maken van de organisatie-/personele kosten, terwijl uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit niet kan; de officier van justitie onder de organisatie-/personele kosten bovendien werkzaamheden schaart die niet direct met de vernietiging van de hennepstekkerij samenhangen. Gelet hierop kan de rechtbank niet beoordelen welk deel van de door de officier van justitie gevorderde kosten in redelijkheid kan worden verhaald op de verdachte en om die reden zal de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie afwijzen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf - veroordeelt de verdachte voor de feiten 1a, 1b en 2 tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren; - bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; - veroordeelt de verdachte voor de feiten 1a, 1b en 2 tot een taakstraf voor de duur van 180 uren; - beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen; Maatregel tot kostenvergoeding - wijst af de vordering van het openbaar ministerie. Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts en mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 september
- BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
- hij op of omstreeks 6 juli 2022 te Brunssum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer (588+2361=) 2949 hennepstekken, althans een groot aantal hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; 2.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 6 juli 2022 te Brunssum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [energie maatschappij] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2022105643, gesloten d.d. 9 augustus 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
- Proces-verbaal aantreffen hennepstekkerij d.d. 9 augustus 2022, pagina’s 4 en
- Proces-verbaal aantreffen hennepstekkerij d.d. 9 augustus 2022, pagina’s 4 tot en met 8 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek ter plaatse d.d. 6 juli 2022, pagina’s 20 tot en met
- Proces-verbaal aantreffen hennepstekkerij d.d. 9 augustus 2022, pagina
- Proces-verbaal aantreffen hennepstekkerij d.d. 9 augustus 2022, pagina
- Aangifteformulier diefstal energie d.d. 13 juli 2022, pagina’s 35 tot en met
- Proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] d.d. 6 juli 2022, pagina
- Proces-verbaal aantreffen hennepstekkerij d.d. 9 augustus 2022, pagina
- Staatsblad 2021,
- Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 564, nr.
- Memorie van Toelichting, pagina
- Memorie van Toelichting, pagina
- Staatscourant 2014, nr. 16734.