← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:877

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/300015 / HA ZA 21-633 Vonnis in incident bij vervroeging van 2 februari 2022 in de zaak van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] , wonend te [woonplaats] , eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten, advocaat mr. A.J.L.J. Pfeil, tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in de hoofdzaak, eiser in beide incidenten, advocaat mr. A.R.A.R. Lotfy. Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] en [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 17 november 2021 waarbij de zaak is verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, de akte uitlating aan de zijde van [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] , de conclusie van antwoord in incident met productie
  2. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten. 2De feiten 2.
  4. Partijen zijn broers en enig erfgenamen van hun vader [erflater] (hierna: erflater), overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] . 2.
  5. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] heeft de nalatenschap van erflater bij akte van 24 november 2016 beneficiair aanvaard. 2.
  6. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 maart 2020 is mr. Jan van der Wende te Rosmalen benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater. 2.
  7. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] is vanaf 12 februari 2010 bestuurder/eigenaar van [naam bv] Deze B.V. heeft haar werkzaamheden uitgeoefend in een door haar gehuurd pand van erflater. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.
  8. [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [naam bv] (hierna: de vennootschap) aan de boedel is verschuldigd:a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over de in die vordering begrepen achterstallige huurpenningen, telkens vanaf de eerste dag van de maand waarover er te weinig of niet is betaald, een en ander als in het lichaam van de dagvaarding nader gespecificeerd;b. wegens daarover uit hoofde van de huurovereenkomst verschuldigde contractuele boetes, een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,00 per maand, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, telkens vanaf de eerste dag van de maand waarover er te weinig of niet is betaald;c. een vergoeding ter zake van alle als gevolg van de niet-oplevering en/of de gebrekkige toestand van c.q. schade aan het bedrijfspand bij het einde van de huur dan wel tijdens de huurperiode daaraan ontstane en bij het einde van de huurovereenkomst niet verholpen gebreken door de boedel geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag waarop uiterlijk had moeten worden opgeleverd c.q. 1 december 2019 althans vanaf heden tot de dag van algehele voldoening;II. voor recht verklaart dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] als bestuurder van de vennootschap, op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW, persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap;III. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de boedel dan wel aan [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] te betalen:a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de in die vordering begrepen huurpenningen telkens vanaf de eerste dag van de maand waarover er te weinig of niet is betaald, een en ander als in het lichaam van de dagvaarding nader gespecificeerd, zulks tot aan de dag van algehele voldoening;b. wegens boetes, als bedoeld in het hiervoren onder I. sub b gestelde, een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,00 per maand, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, telkens vanaf de eerste dag van de maand waarover er te weinig of geen huurpenningen zijn betaald, een en ander als in het lichaam van de dagvaarding nader gespecificeerd, zulks tot aan de dag van algehele voldoening;c. wegens schade als bedoeld in I. onder sub c, een bedrag vast te stellen bij staat en te vereffenen als volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, vanaf 1 december 2019 althans vanaf heden tot de dag van algehele voldoening;d. wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.397,68 althans € 1.902,96 althans een door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, vanaf de dag van dagvaarding tot die van algehele voldoening.IV. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] zal veroordelen in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] in verzuim is deze kosten te voldoen.in beide incidenten3.
  9. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] stelt ten eerste dat [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] de verkeerde partij heeft gedagvaard. De vordering had niet tegen [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] maar tegen de vennootschap moeten worden ingesteld. De vennootschap is contractspartij bij de huurovereenkomst. Dat de vennootschap niet meer bestaat, betekent niet dat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] automatisch contractspartij is geworden van de huurovereenkomst. Ten tweede stelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] dat [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] niet bevoegd is in de onderhavige procedure op te treden namens de boedel, nu mr. Jan van der Wende als vereffenaar van de nalatenschap is benoemd. De vereffenaar vertegenwoordigd bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] verzoekt, gelet op bovengenoemde standpunten, om de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] niet ontvankelijk te verklaren. 3.
  10. [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] voert verweer. Hij stelt dat van incidentele vorderingen geen sprake lijkt te zijn. Tevens stelt hij dat de vordering van de boedel op de vennootschap eerst dient komen vast te staan, voordat [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] ter zake aansprakelijk kan worden geoordeeld. Nu de vennootschap niet meer bestaat, wordt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] als (voormalig) bestuurder, tevens enig aandeelhouder aangesproken. Daarnaast heeft de vereffenaar [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] toestemming gegeven de vorderingen in te stellen, hetgeen volgens [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] blijkt uit de brief van de vereffenaar van 18 november 2020 (productie 2 bij dagvaarding/productie 9 bij conclusie van antwoord in het incident).
  11. De beoordeling in beide incidenten 4.
  12. Beide niet-ontvankelijkheidsverweer vallen niet binnen het bereik van art. 128 lid 3 Rv noch vallen deze te brengen binnen het bereik van art. 208 Rv. De aan de orde gestelde niet-ontvankelijkheden zijn beiden een verweer ten principale, waarop in de hoofdzaak moet worden beslist. De incidentele vorderingen worden dus afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. 4.
  13. [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. 5De beslissing De rechtbank in beide incidenten 5.
  14. wijst het gevorderde af, 5.
  15. veroordeelt [gedaagde in hoofdzaak, eiser in beide incidenten] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak, verweerder in beide incidenten] tot op heden begroot op € 563,00, in de hoofdzaak 5.
  16. verwijst de zaak naar de rol van 16 februari 2022 voor opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode 1 mei 2022 tot en met 31 oktober
  17. Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken. type: AH coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.